MEDITATIE
VRAAG EN ANTWOORD
O, Mijn volk! wat heb Ik u gedaan en waarmede heb Ik u vermoeid ? Betuig tegen Mij. Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en mij bukken voor den hoogen God ? Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is en wat eischt de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God ? Micha 6 : 3, 6 en 8.
Een aangrijpend hoofdstuk, waaruit bovenvermelde verzen genomen zijn. Ge beluistert er in de bewogenheid van Eén, aan Wien groote smart is aangedaan. Die smart is geworden heilige verontwaardiging, want God is diep beleedigd.
Het was dan ook wel treurig gesteld in de dagen van den profeet Micha, vooral onder de regeering van koning Achaz, die in den tempel te Jeruzalem onder meer een altaar had opgericht van Assyrisch model, waarop hij zelf offerde. Het is van hem bekend, dat hij zelfs zijn eigen zoon heeft geofferd aan den afgod Moloch.
Welk een droef geestelijk verval! En waar de vorsten voorgingen, daar volgde — ge ziet het steeds — het volk. Verslingering aan den beeldendienst, omkoopbare rechters, verbreking van de natuurlijke liefde in de gezinnen, onbetrouwbaarheid in alle verhoudingen; ziet daar het beeld van dien tijd. En dan toch nog die valsche gerustheid, die zeggen deed : „is de Heere niet in het midden van ons ? Ons zal geen kwaad overkomen.”
Nu verplaatst ons Micha 6, als 't ware bij een rechtsgeding, onder het machtige koepeldak van Gods majestueuze schepping, waar de Almachtige staat als Rechter tegenover dat volk en de bergen zijn daarbij de getuigen. Zoo lang reeds hebben zij neer gezien op het schouwtooneel dezer Gereld, maar hebben zij ooit zoo iets gezien ?
Hoe handelt nu echter God als Rechter ? In hartelooze rechtshandhaving? Heeft Hij ^en grimmig welbehagen in oordeel en straf ?
Neen, hoe zou anders gansch de Heilige Schrift één lofzang kunnen wezen op de goedheid des Heeren ? Treffend blijkt dat ook hier. 't Is de verworpen barmhartigheid, die hier spreekt.
In plaats van aanstonds in richtende gerechtigheid op te treden vraagt Hij zelfs „hebt ge wat tegen Mij"? " „O Mijn volk — ja, zoo noemt Hij hen nog —, wat heb Ik u toch gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid ? Betuig tegen Mij". En daarbij, herinnert Hij hen aan de dagen van ouds, roept hun voor den geest de hooge voorrechten, welke Hij hen heeft doen genieten, n.l. de uitleiding uit Egypte, de gave der trouwe geestelijke leidslieden, de afwending van zooveel kwaads, dat dreigde, waardoor Hij o.a. de bedoelde vloek van den huurling-profeet Bileam verkeerde in een zegen, verder „wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe", n.l. de wonderbare overtocht door de wateren van den Jordaan.
Zoo kan alleen de versmade liefde klagen. Een toon, die telkens in de Heilige Schrift wordt vernomen. Wie denkt niet aan het weenen van Jezus over Jeruzalem ? Aan Zijn „hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen bijeen willen vergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeenvergadert, onder hare vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild”?
Is ons aller leven niet evenzeer blijk van Zijne goedheid ? Telt niet uw tegenslagen, want daartegenover staan duizend weldaden. Telt niet uw kranke dagen, telt uw gezonde. Wie heeft er één van verdiend ? Weegt niet wat ge mist, maar wat ge bezit, gedachtig aan het woord des Heeren :
„Mijns is het goud en het zilver en het vee op duizend bergen". Elke ademtocht is Zijne gave. Wat hebt ge, dat ge niet hebt ontvangen ? In een zich zelf verterende wereld, vol oorlogskamp, waarbij dag aan dag tal van jonge levens worden afgesneden en weduwen en weezen in ontstellende mate aan de vele worden toegevoegd, leven wij nog zoo bevoorrecht. En hoe dikwijls zijn we niet doorgeholpen, toen de zon van ons leven dreigde onder te gaan!
Zien we die weldaden ? Zeker, het ruwe levenspad kan zoo heel veel smart toevoeren. Doch
Ween om dat alles niet. 't Is alles pijn voor 't harte. Geen wonder, zoo de ziel bij al die kommer lijdt.
Maar daar is erger leed en dieper grond van smarte. Ween, kind der aarde, ween — omdat ge een zondaar zijt.
Want God zegt tot u: „Wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid ? Betuig tegen Mij." O, God, wilt Ge nog zoo tegen ons spreken ?
We letten nu op het antwoord in vraagvorm. ,, Waarmede zal ik den Heere tegenkomen en mij bukken voor den hoogen God ? " We moeten het ons zoo voorstellen, dat niet hier werkelijk het aangesproken volk antwoordt, maar dat de profeet hun gezindheid kennend, vraagt: zoudt ge God nu kunnen bevredigen met al die offers van kalveren, olie, zelfs van uw kinderen zooals zij immers inderdaad waanden ? Dat is dat standpunt der formalistische vroomheid, daarbij de eigenlievende, aan zichzelf denkende mensch in 't middelpunt blijft staan. Zeker, hij wil den Heere wat geven, alsof Deze de behoeftige zou zijn. Welk een Godvernederende gedachte! Maar het is een standpunt, dat helaas door al de eeuwen heen zich heeft gehandhaafd op allerlei wijze. Vroomheid zonder geloof, wettisch ijvejen zonder genade, waarbij zich dan nog zoo licht voegt een hoogmoedig neerzien op anderen. Ja en dan komt daar nog wel eens wat bij, hetzij zijn veelvuldig bidden, of wat men al zoo in het leven heeft medegemaakt, of nog een schrede verder, wat men al zoo eens heeft mogen ondervinden. En daarmede staat men nu den Heere te offeren en de menschen moeten dat offerwerk goed zien.
In Bunyans Christenreize hooren wij Mondchristen zeggen : „Ik wil gaarne over hemelsche en over aardsche dingen spreken, over zedelijke en evangelische waarheden, kortom over alles, onder voorwaarde slechts, dat alles tot ons nut en tot onze stichting zij ". Maar Christen zegt van hem : „hij spreekt wel van gebed, van bekeering, geloof en wedergeboorte, maar 't blijft bij spreken ; zijn godsdienst zit alleen in zijn tong en daar weet hij veel gerucht mee te maken". O, dat van buiten rechtvaardig zijn, maar van binnen vol van geveinsdheid en ongerechtigheid ! Is dat een zich bukken voor den hoogen God ?
Nu zal ons misschien het antwoord, dat de profeet in den naam des Heeren geeft op de vraag, waarmede den Heere tegen te komen, wel verwonderen. „Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is, en wat eischt de Heere van u, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God". We hadden zeker een ander antwoord verwacht, n.l. een heenwijzing naar Hem, door Wien een zondaar alleen rechtvaardig voor God kan treden. Vergist de profeet zich dan in zijn antwoord ? Natuurlijk niet. Het gaat hier namelijk om het einddoel, dat Zich de Heere stelt ten opzichte van een zondig mensch. God wil Zijn beeld herstellen.
Den weg daartoe, het middel daarvoor moge de profeet hier al verzwijgen, toch is het middelpunt van zijn profetie. Hoe blijkt niet uit het voorafgaande hoofdstuk, dat hij het alleen verwacht van dien Koning, die eenmaal opstaan zal in het nederige Bethlehem, „en Deze zal Vrede zijn”.
En inderdaad, bij Hem alleen is het antwoord te vinden op de vraag, waarmede voor God te bestaan. Maar dan moet die vraag geen , , gelegenheidsvraag" voor ons zijn, maar een vraag uit een wakker geschud hart, door de ontdekkende genade des Heiligen Geestes. Dan ziet de aan zich zelf bekend gemaakte en ontdekte zondaar dat niets wat hij zelf aanbiedt, hoe vroom en schoon ook, hem rechtvaardig kan maken voor God. De scheiding tusschen den heiligen God en zijn eigenlievende, onreine ziel, is te groot. Maar dan verwondert hij zich nu eens over de lankmoedigheid Gods, dan weer over de lange versmading dier liefde, dan is er droefheid over dat vroom gedoe uit vroeger dagen, over die verkapte hoovaardij, over die oppervlakkige godsdienst, waarbij het hart zijn eigen onreine, hebzuchtige gedachten bleef bezitten en koesteren. Dan moet hij zich veroordeelen en God als Rechter erkennen, Wiens gramschap hij waardig is, en dan wordt die strijd geboren tegen de ongerechtigheid en de eigengerechtigheid, een strijd zoó zwaar, zoó zwaar, om in dien strijd ten slotte uitgeput neer t? . zinken, vleugellam, op de Rots der eeuwen, in de armen van dien grooten Borg en Heiland, Die zegt : , Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering”.
Maar waar blijven we nu met het antwoord van den profeet, dat het noodig is recht te doen, weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met God ?
Ziet, dat komt nu. In Christus, door Zijn genade, in Zijn gemeenschap is het slechts mogelijk, dat een innerlijke gezindheid des harten zich paart aan de liefelijke daden der Gode welgevalligheid. Dat is immers juist Gods doel met Zijn volk.
Allereerst recht te doen, geen omwegen meer gebruiken, niet meer draaien tegenover God en mensch, waar wezen. „Heere, wie zal verkeeren in Uwe tent ? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid ? Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt". Dat is de koninklijke gave.
Vervolgens weldadigheid lief te hebben, waarin ligt de gedachte ven het zich zelf weggeven, zich zelf te verloochenen, vergevensgezindheid. De priesterlijke gave.
Tenslotte de profetische gave, de verhouding tot God, in de naar buiten stille prediking van een nederigen en ootmoedigen geest, naar het woord van Jezus : „Leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart". Of zegt b.v. de apostel Petrus het anders in zijn eerste brief ? „En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis. En bij de kennis matigheid en bij de matigheid lijdzaamheid en bij de lijdzaamheid godzaligheid en bij de godzaligheid broederlijke liefde en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Want zoo deze dingen bij u zijn, zij zullen u niet ledig, noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus. Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden”.
Lezers, wat wilt ge met deze woorden, hierboven afgedrukt, aan ?
Behelzen ze voor u een gelegenheids-of een verlegenheidsvraag ? Of weet ge niet, wat ge er mee aan moet ?
Wie Hem need'rig valt te voet, Zal van Hem Zijn wegen leeren.
Ermelo
Kruishoop
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's