WAT CALVIJN ONS LEERT
Natuurlijk verstand en geestelijke onderscheiding.
Calvijn legt er nog eens den nadruk op, dat het redewezen tot de menschelijke natuur behoort. Indien men daartegen aanvoert, dat sommige menschen geboren worden als stommen en achterlijken, mag men zulk gebrek niet aanvoeren om de algemeene genade Gods te verduisteren.
In dit verband spreekt hij dus over de algemeene genade. Wij zullen dat later ook nog in ander verband ontmoeten en daarbij aanleiding vinden om er nog een en ander meer van op te merken.
Doch juist, omdat dr. Kuyper de aandacht^ op de leer der gemeene gratie heeft gevestigd en daarover een groot werk heeft geschreven, kan het zijn nut hebben er even bij stil te staan, dat Calvijn herhaaldelijk spreekt over de algemeene genade.
Zooals reeds werd medegedeeld, spreek»hij daarover in verband met hetgeen den mensch nog overig is gebleven.
Dit alles moet aan Gods genade worden toegeschreven, zoo motiveert Calvijn, want als Hij ons niet gespaard had, zou het gevolg van den zondeval geweest zijn, dat de gansche natuur ten onder was gegaan.
Zoo ziet hij den mensch dus onder het oordeel der zonde, door hetwelk de dood is gekomen over allen.
Daarom zegt hij, dat de gansche natuur ten onder gegaan zou zijn, indien de genade Gods niet tusschenbeide ware gekomen.
Daarin ligt dus de grond van de leer der gemeene gratie.
Hij trekt nog een bewijs te meer uit het beeld, dat de werkelijkheid ons biedt. Immers deze genade Gods is zeer verschillend over de menschen. De een heeft groote gaven en de ander in bescheidener mate, een derde is veel minder bedeeld en soms gebrekkig en achterlijk.
Daaruit kan men opmerken, dat God deze gaven in eigen hand houdt en dat ook de algemeene genade milddadigheid is, zoodat de mensch geen grond heeft om zich zelf daarop te verheffen.
Ook de Heilige Schrift geeft daarvoor menigvuldige bewijzen. De Heere geeft gaven om te regeeren. De Geest Gods wordt vaardig over Gideon. (Richt. 6 : 34) Saul wordt gevolgd door de mannen, die door God werden aangeraakt. (1 Sam. 10 vers 6). Zoo werd ook de Geest Gods vaardig over David. (1 Sam. 16 vers 13).
Daarna gaat Calvijn er toe over om te zeggen, dat ook de heidenen hebben opgemerkt, dat de gaven der menschen goddelijke gaven waren.
Een derden grond om aan te toonen, dat de gaven van God zijn, haalt Calvijn uit het verschijnsel, dat de menschen niet al-'tijd de beschikking hebben over hun gaven. Het komt voor, dat verstandige menschen op een oogenblik van beslissing als versuft blijven staan en niet weten, wat te doen. Hij neemt het verstand van de verstandigen weg. (Psalm 107 vers 40).
Zoo is het dus wel zeer duidelijk, dat er nog teekenen zijn van het beeld Gods, maar, dat de menschen over de goddelijke gaven niet kunnen beschikken, alsof deze hun eigendom waren.
Vervolgens gaat Calvijn over tot de vraag, wat het menschelijk verstand vermag ten aanzien van de dingen van het rijk Gods en de geestelijke wijsheid.
Deze kennis bestaat uit drie stukken :
1. de kennis van God;
2. de kennis van Zijn Vaderlijke gunst jegens ons, waarin de zaligheid is gelegen ;
3. de schikking van ons leven naar de Wet Gods.
In de eerste twee stukken en voornamelijk in het tweede, zijn zelfs de allerverstandigsten blinder dan de mollen.
Wel erkent Calvijn, dat de wijsgeeren wel eens op verstandige wijze over de goddelijke dingen hebben geschreven, maar het riekt altijd naar inbeelding.
Wel heeft God hun een zeker besef van Zijn Godheid gegeven, opdat zij niet te verontschuldigen waren.
Zij hebben echter de dingen, die zij zagen, en waarover zij spraken, niet zoodanig gezien, dat zij daardoor op de waarheid werden gericht.
Hij gebruikt een eigenaardig beeld om zijn bedoeling te verduidelijken. Het is met hen, als met een wandelaar, die in een onweder midden op het veld staat en voor een oogenblik de gansche wereld verlicht ziet door den bliksem. Het is maar een oogenblik, want het volgende moment bevindt hij zich weer in een stikdonkeren nacht. Bij zulk een hulp is hij niet in staat den weg te vinden.
Zoo hebben zij druppelen van de waarheid gezien, maar deze worden wederom met leugenachtige voorstellingen omhangen. Zij hebben de goedheid Gods niet eens opgemerkt, zonder welke zij in vreeze verkeeren.
Zoo maakt Calvijn dus onderscheid tusschen zien en zien, en besluit, dat de menschelijke rede niet leert verstaan, wie de ware God is en hoedanig Hij jegens ons wil zijn.
Het bewijs is aan de practijk ontleend. Calvijn kende de schrijvers uit de oudheid zoo goed als de kerkelijke scribenten. Hij was daarin thuis, zooals wij een en ander maal hebben kunnen opmerken.
Het voornaamste echter was, dat hij door Gods genade in de kennis van den waren God was ingeleid. Hij had de goedertierenheid Gods in Christus leeren verstaan en ontdekt door den Heiligen Geest, welke de waarachtige religie is en hoe de Heere zich door Zijn Woord en Geest op een verborgen wijze bekend maakt.
Daarom had hij geestelijk leeren onderscheiden en wist, dat de genadedaad Gods een geheel nieuw licht over de goddelijke dingen doet opgaan, welke de natuurlijke mensch alzoo niet ziet.
Aan deze Godskennis, door Woord en Geest geleerd, toetste hij, wat de oude wijsgeeren hebben geschreven en in dien weg kwam hij tot de onderscheiding van waarheid en verbeelding.
Wanneer hij ook bij de heidensche schrijvers een glimp van de waarheid ontdekt, laat hij niet na dat te erkennen, omdat de waarheid alleen van den Heiligen Geest kan zijn. Doch als er al een enkele sprank mag worden gevonden, treft hij daarnaast slechts duisternis aan.
Hoe klaar en duidelijk dit ook moge zijn voor hem, die de dingen naar de Heilige Schrift vermag te kennen, zoo geeft het verstand niet zoo gemakkelijk gewonnen, dat het blind is voor de geestelijke dingen.
Dat wordt in de wereld niet minder duidelijk gezien. Bijna twee duizend jaren is het Evangelie over de gansche aarde gepredikt. Indien het menschelijk verstand dus eenigermate tot de kennis van God en Zijn barmhartigheid genegen ware, dan moest de wereld daarvan wel vervuld en de inbeelding uitgebannen zijn.
Zoo is het echter niet. Integendeel, het ontbreekt niet aan vele bewijzen van wereldsche wijsheid, die zich beter waant dan de wijsheid van God. Velen willen zelfs niets weten van God en Zijn Woord.
Men moet Calvijn volmondig gelijk geven, dat het natuurlijk verstand in de beide eerstgenoemde stukken met blindheid is geslagen.
Dit wordt ons dan ook door de Heilige Schrift niet onduidelijk geleerd. Men denke slechts aan wat het Evangelie van Johannes zegt in het eerste hoofdstuk. Joh. 1 vers 4 en 5. Het leven was in den beginne bij God, n.l. het leven, dat het licht der menschen was. Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen.
Het licht is er en het straalt, maar door die verlichting kan de mensch God niet begrijpen. Als de Heilige Geest zegt, dat de mensch duisternis is, dan wordt alle vermogen aan hem ontzegd.
Daarom is de kennis van God geestelijk. Calvijn spreekt nu van een geestelijk verstand. Dit vermogen heeft een ander karakter. Wie Christus omhelst, is uit God geboren. Het komt dus voort uit een geestelijke levensbetrekking, en deze kan er niet zijn zonder een daad Gods.
Christus betuigt toch aan Petrus, dat zijn belijdenis: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods, niet uit vleesch en bloed is opgekomen, maar op een openbarende daad Gods berust.
De Schrift ziet derhalve op het werk der wedergeboorte.
Psalm 36 vers 10 getuigt daarvan : Bij U is de fontein des levens ; in Uw licht zien wij het licht. Paulus wijst er op : Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest (1 Cor. 12 : 3). en Johannes de Dooper roept uit: en mensch kan geen ding aannemen, tenzij het hem uit den hemel gegeven is. (Joh. 3 vers 27).
Calvijn is bedachtzaam op tegenspraak. Iemand zou op dit laatste misschien willen zeggen : dat dit op de algemeene gaven en niet op een bijzondere daad ziet.
Wel neen, zoo komt hij hen tegen, want Johannes de Dooper spreekt zoo tot zijn discipelen, omdat hij Christus met vele woorden bij hen had aangeprezen, maar niet gevorderd was.
Als het algemeene gaven gold, zou dat zoo niet zijn.
Ook Mozes spreekt in denzelfden zin, als hij veel geprofeteerd heeft tot het volk en vele teekenen gezien werden, terwijl zij toch wederspannig waren : De Heere heeft u niet een hart gegeven om te verstaan, noch oogen om te zien, noch ooren om te hooren. (Deut. 29 vers 2, 4).
Jeremia profeteert, dat de Heere Zijn volk een hart zal geven, opdat zij Hem kennen. (Jeremia 24 vers 7), en Christus zegt, dat niemand tot Hem komt, tenzij de Vader hem trekke. (Joh. 6 vers 44).
Is het dus niet duidelijk, dat het verstand geen meerdere wijsheid heeft van de geestelijke dingen dan het door de verlichting van den Heiligen Geest ontvangt ?
En op het zooeven aangehaalde Woord van Christus terugkomende, vragen wij met Calvijn: Hoe klaar wordt ons Christus' beeld voorgesteld ? Hij is in de wereld gekomen om den menschen den wil des Vaders bekend te maken. Hij heeft ook dat werk trouwelijk volbracht. En toch wordt er door zijn prediking niets uitgericht, tenzij de inwendige Leermeester den weg naar het hart opent.
Zoo komen de menschen tot Hem, omdat zij het van den Vader gehoord hebben en van Hem geleerd zijn.
Er is dus een bijzondere wijze van hooren, zien en verstaan, wanneer de Heilige Geest ooren maakt, die hooren, en een hart om te verstaan.
Dat klonk in Calvijns dagen haast als een nieuwigheid.
Calvijn wil echter den schijn zelfs niet wekken, dat hij wat nieuws leert, hetwelk hij zelf zou gevonden hebben, en wijst er op, dat ook Christus aantoont dat de profeet vanouds zoo heeft gesproken. Hij wijst op Jesaja 54 : 13, waar deze spreekt over de wederoprichting der Kerk en betuigt, dat zij van God zullen geleerd zijn, die tot de zaligheid vergaderd worden. (Jesaja 6 vers 45).
Daaruit blijkt tevens, dat het hier niet gaat om dingen, die allen menschen gemeen zijn, ook den goddeloozen en onheiligen, maar alleen dengenen, die God heeft verkoren.
Dat is klaar en duidelijk. Als deze nieuwe kennis een bijzondere gave Gods is door den Heiligen Geest, dan komt die tot hen, die de Heere daartoe verkiest.
De ingang van het Koninkrijk Gods staat voor niemand open dan voor degenen, wien de Heilige Geest een nieuw verstand schenkt.
Dit moet men vóór alles verstaan en vasthouden.
Zoo stelt ook Paulus de hemelsche wijsheid tegenover de wijsheid der wereld en verklaart deze laatste tot dwaasheid en ijdelheid. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. (1 Cor, 2 vers 14).
Wie is de natuurlijke mensch ?
Die mensch, antwoordt Calvijn, die op het natuurlijke licht steunt.
En waarom verstaat hij de geestelijke dingen niet ?
Enkel en alleen, omdat zij geestelijk zijn en geestelijk onderscheiden worden.
Dit onverstand is niet gebrek aan ijver of toewijding, maar onvermogen.
Alleen de openbaring des Heiligen Geestes kan dat verstand geven, en wanneer dat niet geschiedt, acht de mensch de geestelijke dingen dwaasheid.
Voor het natuurlijk verstand zijn zij bedekt, alsof er een voorhangsel voorhing.
En wanneer de apostel verklaart, dat God de wijsheid der wereld tot dwaasheid heeft gemaakt, moeten wij niet zoo dwaas zijn om aan het natuurlijk verstand het vermogen toe te kennen de verborgenheden Gods te doorschouwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's