KERKELIJKE RONDSCHOUW
MET BLIJDE JUBELZANGEN
Als er ooit een mooi Oranjefeest gevierd is, dan is 't nu. De vaandelen zijn opgestoken, de blijde jubels zijn wijd uitgezongen, door jong en oud. In de kerken is gebeden, in de huiskamers is geluisterd en gedankt ; op straat is spontaan gejubeld ; geen borst zonder oranje. En Rotterdam, waar de Koningin zelve geweest is, met de Prinses en de Prins, kon slechts overvleugeld worden door Amsterdam, de hoofdstad, die er recht op had, dat daar de grootste luister werd betoond en de luidste jubelzangen werden gehoord! Zelfs de politie moest wijken op den Dam, zonder dat er vrees was voor het minste tumult of de kleinste verstoring van de orde ! De Moeder des Vaderlands was in het midden van Haar volk ; en Haar volk schoof zoo dicht mogelijk bij de Landsvrouwe, omdat ons volk, in al z'n geledingen, oranjebloed in de aderen heeft, zuiver en onvervalscht, van vreemde smetten vrij. Oranje en Nederland zijn één !
Rijk gezegende regeering, nu veertig jaren lang.
Als jonge vrouw (een meisje nog), kwam Hare Majesteit aan de regeering, om Koningin te zijn over Nederland en de Overzeesche Gewesten, met millioenen en millioenen onderdanen.
Wat is een meisje van 18 jaar ! Als er een onderwijzeresje van 18 jaar staat, zeggen we dikwijls: het werk is te moeilijk en te zwaar. Een jonge man van 18 jaar is voor een verantwoordelijke betrekking te jong en te onervaren. En dan een Koningin !
Hooggespannen waren de verwachtingen. Zou de hope der beloften vervuld worden ?
En ziet, met innige dankbaarheid aan onze Vorstin, met stillen dank aan onzen God, hebben we het deze dagen mogen getuigen, blij en dankbaar, spontaan en oprecht : méér dan wij mochten verwachten is ons in onze Koningin gegeven, en boven bidden en denken is Haar regeering Nederland en de Indien tot zoo rijken zegen geweest !
Ootmoedig heeft onze Koningin, op waarlijk ontroerende wijze, een en andermaal ten aanhoore van gansch Haar volk, belijdenis afgelegd, dat Zij, hulpe van God verkregen hebbende, staande is gebleven en heeft kunnen en mogen doen, wat Zij gedaan heeft !
Het is weer gevoeld : God—Nederland en Oranje behooren bij elkaar en zullen bij elkaar moeten blijven, zal het goed zijn.
In vast vertrouwen heeft onze Vorstin — op wier gelaat, vooral toen zij in Amsterdam Zich in 't midden van Haar volk bewoog, de blijdschap afstraalde (wat we Haar zoo van ganscher harte gunnen !) het uitgesproken, dat we nu moedig voort moeten gaan, niet vertragende.
En Zij heeft een bijzonder beroep gedaan op de jongeren, op het geslacht, dat straks aan 't bewind zal komen, op welke plaats en in welke betrekking ook, hier en in de Indische Gewesten — Jongeren, hebt gij de Koninklijke boodschap gehoord en verstaan ?
God de Heere spare, indien het zijn mag, onze Koningin nog vele jaren. Worde, indien het zijn mag, de 58-jarige Vorstin, bewaard en gezegend nu en in de toekomst.
En het zou zoo heerlijk zijn, als er een geslacht opgroeit rondom Oranje's troon, dat van harte gelooft en belijdt en beleeft :
Mijn schild en mijn betrouwen Zijt Gij, o God, mijn Heer ; Op U zoo wil ik bouwen, Verlaat mij nimmer meer. Dat ik toch vroom mag blijven, Uw dienaar te aller stond, De tyrannie verdrijven, Die mij het hart doorwondt.
DE SOCIALE ONTWIKKELING IN DE LAATSTE 40 JAREN (1)
Nu wij het groote voorrecht hebben, onder het opsteken der vaandelen en blijde zangen, het 4i0-jarig kroningsjubileum van onze geeerbiedigde en zeer geliefde Koningin 'te mogen vieren, met héél ons volk, willen we óók denken aan de veranderingen, die hebben plaats gegrepen ten opzichte van de sociale wetgeving en daarin en daardoor van het sociale leven, het gemeenschapsleven van ons volk, in de stad en op het platteland, wat immers ook zoo nauw raakt het huiselijk-, het familieleven.
Het Liberalisme heeft twee onvergeeflijke fouten begaan. Het heeft geen oog gehad voor den godsdienst, omdat het genoeg had aan de rede of het menschelijk verstand, om daarvoor alleen te knielen. En in de tweede plaats heeft het geen oog gehad voor het gemeenschapsleven, omdat het individualistisch van inslag, tot leuze had : „ieder redde zichzelf", of wat deftiger gezegd : laissez faire, laissez aller". Dat is, ietwat populair, maar daarom niet onjuist, vertaald : „laat maar waaien". Anders nog gezegd : „laat Gods water maar over Gods akker loopen". Toezien en niets doen. Waarbij natuurlijk in het sociale leven de zwakke aan het kortste eindje trok en de arme schade moest lijden.
’t Kon niet anders, of door deze on-sociale, onbarmhartige, onrechtvaardige politiek — waarbij niet gevraagd werd wat recht was, maar alleen uitgerekend werd wat voordeeliger was voor degenen, die de leiding hadden — moest het Liberalisme groote groepen van het volk van zich vervreemden.
Twee fouten dus : het Liberalisme heeft den godsdienst niet geacht, en mitsdien ook het orthodox-geloovig volksdeel niet begrepen en niet rechtvaardig behandeld en daardoor geheel van zich vervreemd.
Het liberalistisch optreden en ageeren in de Kerk, in de School, in de samenleving, heeft onnoemelijk veel kwaad gedaan en heeft gemaakt, dat de antithese tusschen geloof en ongeloof, godsdienst en rede, des te scherper openbaar werd en de strijd, geboren uit de christelijke wereld-en levensbeschouwing, bij het orthodox-geloovige volksdeel een strijd op leven en dood geworden is ; getuige de kerkelijke strijd (1834 ; 1886) ; getuige de 80jarige Schoolstrijd.
Gelukkig dat hier en daar onder de liberalen — die intusschen overvleugeld zijn door socialisten en communisten — er gevonden worden (we zeggen hier en daar, want het is lang ; nog niet algemeen), die oog krijgen voor de twee onvergefelijke fouten : 1. het negeeren van den godsdienst met volstrekt vertrouwen op het menschelijk verstand, en 2. het vèr doorgevoerde individualisme, waardoor liberalisme en conservatisme zoo goed als 't zelfde werd, geboren uit het onsociaal voelen, met krenking van het recht van duizenden.
Maar 't is te laat voor het Liberalisme ! Alles heeft zich zóó verschoven en alles is zóó gewijzigd, dat de groote massa, zoowel ter linker-als ter rechterzijde, onherroepelijk voor het Liberalisme verloren is. Hoe zijn mannen als Groen van Prinsterer, Da Costa, de Savornin Lohman, Kuyper, Talma, Idenburg en zoovelen meer, door het Liberalisme hooghartig uitgelachen en bespot en gehoond en gehaat. Wij herinneren ons 't versje nog, dat door niemand minder dan een professor in Groningen gemaakt was, en dat aldus luidde :
Geen dweepzieke Alexanders, Geen Brammen vol venijn Verdienen Nederlanders Te heeten of te zijn.
Deze Alexanders en deze Brahimen, die aldus buiten de geestelijke gemeenschap des volks, die buiten alle rechten van Nederlander te zijn, werden gezet, waren — men weet het ! — heroën, helden van den geest als jhr. mr. Alexander de Savornin Lohman en dr. Abraham Kuyper, maar ook mannen als Talma, Idenburg, Heemskerk en zoovele anderen.
De wijsgeer Hegel had geen optimistische kijk op de menschen. Van hem is de uitspraak : „de geschiedenis leert, dat de menschen niets uit haar willen leeren". Ware dat maar anders. Want heel de geschiedenis door leert de geschiedenis, bijzonder in Nederland, dat het niet goed gaat met volk en vaderland, met het Vorstenhuis en met de natie, als men praat van „de godsdienst er buiten", of: „een christendom boven geloofsverdeeldheid". Dan zegt een groot deel van ons volk, dan zegt het orthodox-geloovig deel der protestantsche bevolking — en de Roomsch Katholieke bevolking blijft niet achter — dat de levens-en wereldbeschouwing van ons Nederlandsche volk eischt, dat rekening gehouden zal worden met den levenden God. Waarbij de orthodoxe protestant en de Roomsche wel weer veel verschillen onderling, maar waarbij ze toch samen weer belijden : „ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde". Samen belijden ze : het gaat om Gods zegen en het gaat om den godsdienst. En voor het sociale leven vragen ze samen — zij 't, dat ook daar uit den aard der zaak weer verschillen liggen — naar recht en gerechtigheid volgens onze heiligste en hoogste beginselen, waarbij ten sterkste een onsociale politiek veroordeeld wordt, van welke hooghartige, onbarmhartige politiek de hoogste leuze is: „laissez faire, laissez aller" ; laat maar waaien.
Zoo is 't te verklaren, dat we in de laatste eeuw, toen de oppermacht van het onsociale Liberalisme gebroken was, èn links — socialisten, communisten —, èn rechts, zoowel bij de Roomschen als bij de orthodox-Protestanten, een sterke ontwikkeling kregen van sociaal denken en voelen, met een krachtige en machtige sociale organis^atie op verschillend terrein. Waarbij we, wat het orthodox-Protestantsche volksdeel betreft, herinneren aan Patrimonium, de Christelijk Nationale Werkmansbond, enz. ; terwijl we links georiënteerd vinden o.a. het bekende en zéér sterke N.V.V. oftewel : Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (rood, tot vuurrood).
De heer C. Smeenk, „de man van Patripionium", zooals vroeger ds. Talma „de man van Patrimonium" was — en b.v. dr. J. Th. de Visser, „de man van de Chr. Nat. Werkmansbond" — heeft er goed aan gedaan, om in het jubileum-nummer van „Antirevolutionaire Staatkunde" (in feestelijk gewaad gestoken door den kloeken Uitgever Kok te Kampen), in verband met het Kroningsjubileum, een artikel te schrijven : „De Sociale ontwikkeling". Hierin komt uit hoe het sociale leven vroeger — zeg 5'0 jaar terug — was en wat er tijdens de regeering van onze Koningin gebeurd is inzake de sociale wetgeving en wat betreft de ontwikkeling van het sociale leven.
Wij vertellen er volgende week iets. van. Want onze Kerkmenschen voelen toch niet on-sociaal, dat zij zich van het sociale leven niets zouden aantrekken, geen acht gevende •op de ordinantiën Gods, ons in Zijn Woord bekend gemaakt?
En neen, de zegeningen op dit terrein de laatste veertig jaar, onder de regeering van H.M. de Koningin, zijn niet gering en mogen niet vergeten worden, 't Raakt het lot van duizenden, ja van tien-en honderdduizenden, in alle provincies van ons Vaderland, in de stad en op het platte land. (Wordt voortgezet.)
DE VOORBEDE
De Voorbede is : dat in de openbare godsdienstoefening, als de Gemeente des Heeren in Zijn huis vergaderd is en de Heer e Zijn volk wil ontmoeten en het volk mag opgaan om Zijn aangezicht te zoeken met liederen en gebeden — dat dan Wjzonderlijk gedacht wordt in het gemeenschappelijk gebed, bij monde van den voorganger, aan bijzondere personen of gezinnen, 't zij daar vreugd of smart gevonden wordt ; 't zij daar bijzondere zorgen of bijzondere zegeningen zijn. Welke Voorbede dan gewoonlijk gevraagd wordt, mondeling bij bezoek, of schriftelijk in de kerkekamer of aan de pastorie.
Ds. Hoekstra, van Ternaard, schrijft daarover een stukje in Herv. Zondagsblad voor de provincie Friesland, waarvan wij een gedeelte hier overnemen. Eerst over de Voorbede in algemeenen zin.
„De Voorbede is schriftuurlijk. Zij is zelfs aanbevolen aan de voorgangers, als een van den Heere der gemeente Zelf opgedragen werk. Er moeten b.v. voorbeden gedaan worden voor allen, die in hoogheid gezeten zijn. Hij, Die ten hemel gevaren is, maar Die nog altijd met Zijn genade, majesteit en Geest bij ons is, en de Zijnen immer in Zijn voorbede gedenkt, vraagt dat zelfde ook van Zijn medearbeiders in den dienst des Woords en der gebeden. De eenheidsgedachte, die in de Voorbede tot uitdrukking komt, is Hem heilig en Hij wil, dat die gedachte al den Zijnen heilig zij.
De godsdienstoefening, en in het bijzonder het Heilig Avondmaal, waarin „wij met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben", bedoelen dan ook die gemeenschapsgedachte tot uiting te brengen. De kerkgang is daarom dan ook méér dan het beluisteren van een preek voor de radio. Het gemeenschappelijke bij gezang en gebed, en in het zich scharen rondom het Woord Gods, is niet te vervangen door eenig hulpmiddel, hoe dat hulpmiddel, in gevallen van nood, dan ook voorziening mag schenken.
En het is de Voorbede, die de gemeenschapsgedachte op haar wijze in toepassing brengt”.
Naast de Voorbede in algemeenen zin, is dan de bijzondere, in engeren zin, genomen. „Bij de Voorbede in engeren zin gaat het om de bekenden, die afwezig zijn, de zieken, de ouden van dagen, en die door wettige reden verhinderd zijn op te gaan naar Gods huis. Hen te gedenken in het gebed is een opdracht van het Hoofd der gemeente, Jezus Christus, Die Zijn bewakend oog over die allé laat gaan".
Maar dan is er nóg een Voorbede, in zéér bijzonderen zin. Dat is de Voorbede, die gevraagd is door iemand die aanwezig is in de samenkomst der Gemeente, en die waarlijk iets bijzonders in Gods huis wil brengen ; 't zij van blijden, 't zij van droeven aard.
Die Voorbede zal uit den aard der zaak zooveel mogelijk moeten blijven in algemeene bewoordingen, hoewel het toch moet uitkomen wat er in het leven is geschied van degenen, die de Voorbede vragen, opdat de Gemeente ook iets van „de gemeenschap der heiligen" kan oefenen in het gebed.
Ds. Hoekstra vertelt dan, dat hij in de weken, dat de Synode vergaderde, een predikbeurt te Scheveningen heeft verricht en dan zegt hij : Wat ons trof was, dat vlak vóór den dienst ons per briefje drie verzoeken om Voorbede werden overhandigd. Twee voor een heuglijk feit, één voor in rouw gedompelde ouders. Dat maakte de Voorbede uit haar algemeenheid los tot een persoonlijke aangelegenheid. Er was nu bijzonder meeleven in het gebed".
„En nu weten we wel, dat ook aan deze wijze van Voorbede-vragen schaduwzijden kunnen zitten. Maar waar zijn die niet ? Maar als die Voorbede, bij vreugd of rouw of ziekte gevraagd wordt, dan ligt daarin toch iets, wat weldadig aandoet. De vraag getuigt dan van meeleven en er kan een behoefte des harten uit spreken. En ook : de gemeenschap der heiligen blijkt dan nog te leven in 't midden der gemeente". „De eerste kerkgang na ziekte of anderszins krijgt dan beteekenis. De kerkgang is dan niet maar een opgaan, zonder meer. Het wordt dan een bijzondere gang tot God, een komen tot de bron, die Hij heeft willen ontsluiten in de prediking van Zijn Woord. Het is een willen lof brengen aan Hem, die nabij was, of te zoeken troost en licht, die bij Hem is te vinden voor allen die Hem zoeken”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's