De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

7 minuten leestijd

Dr. Kohlbrugge en de Heiligmaking. Het bezwaar bij velen tegen dr. Kohlbrugge betreft niet het stuk van de rechtvaardigmaking, maar dat van de heiligmaking. Zelfs is wel beweerd, dat Kohlbrugge een anti-nomiaan was, iemand dus, die de hand lichtte met de Wet, wat hetzelfde eigenlijk is als : de hand te lichten met de zonde ! En dan een geloofsman als Kohlbrugge, die een zóó innig gebedsleven mocht kennen, als maar weinigen van Gods kinderen wellicht bezitten.
We moeten de tegenstelling zoeken in deze twee beschouwingen : eenerzijds het werken van den vromen mensch tot deugdzaamheid en heiligheid, wat dan doortrokken is van den Roomschen zuurdeesem — en anderzijds (en dat wilde Kohlbrugge) al onze heiligheid door 't geloof mogen zoeken en vinden in Jezus Christus, Wiens heiligheid onze heiligheid is, om in Hem onberispelijk te staan voor den heiligen God. Bij de eersten komt de vrome mensch op den voorgrond — bij de tweeden komt Christus, onze heiligmaking, op den voorgrond, zonder welke niemand den Heere zien zal. (Hebr. 12 : 14). Bij de eersten : de christen — bij de laatsten : de Christus.
Dat dit niets met „het onderhouden van de Wet" te maken heeft is duidelijk, want de ziel die al haar heiligheid zoekt in Jezus Christus, evenals al haar gerechtigheid, mag door genade zeggen : „hoe lief heb ik Uwe Wet."
Dr. Locher van Leiden schrijft, naar aanleiding van een vraag hem gesteld in betrekking tot : „Kohlbrugge en de heiligmaking" ongeveer als volgt (wij citeeren eerst niet letterlijk „Ons Kerkblaadje" van 17 Juli j.l.) :
Welk bijzonder licht heeft dr. Kohlbrugge doen vallen op de heiligmaking ? en wat leeren anderen, met afwijking van hem ?
De gewone voorstelling bij velen is : de mensch krijgt bij de wedergeboorte bijzondere krachten ingestort en moet dan als een veranderd mensch, met die ingestorte nieuwe krachten, aan 't werk tot z'n heiligmaking, om van stuk tot stuk te vorderen tot z'n volmaking ; eiken dag moet hij vorderen en geregeld moet hij volmaakter worden. De één brengt het daarbij verder dan de ander, die minder hard vordert in heiligheid, maar het is toch de roeping van allemaal om zóó z'n best te doen. Dan is heiligheid — deugdzaamheid ! De Roomsche zuurdeesem is hier niet uitgezuiverd !
Want wat weten zulke menschen dan weinig van hetgeen de Schrift leert : dat de Wet geestelijk is, en dat wij, ook na onze wedergeboorte en verandering, moeten klagen met Paulus : „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam des doods ? " De Wet geestelijk — en wij vleeschelijk, verkocht onder de zonde !
Daar staat de nieuwe, geestelijke mensch in al z'n armoede !
En de Heere, Die ons Zijn Wet geeft, neemt het nauw. Hier is geen plaats voor anti-nomianisme. Integendeel. De Wet is heilig en de Wet is geestelijk en de Heere neemt het nauw. Wee degenen, die zouden zeggen : laat ons de zonde maar vasthouden en doen, want we zijn immers toch maar zulke ellendige wezens, en hoe meer de zonde wordt hoe meer de genade overvloedig zal zijn
Een antinomiaan was dr. Kohlbrugge, die juist een teer leven voor God kende, allerminst. Maar hij wist daarbij, dat er van zijn dagelijksche inzameling van goede werken en heiligheid voor God helaas ! weinig terecht kwam, een ellendig zondaar zijnde voor de Wet, die geestelijk is, en voor God, Die heilig is en het zoo nauw neemt.
Het is niet zóó, dat wij tegenover den bekeerden mensch wel eens de hand zouden mogen lichten en wat door de vingers zien. „Maar wij pakken de zaak grondverkeerd aan als we ons weer onder de Wet zouden gaan stellen" en opnieuw in het diensthuis ingaan, om onder het verbroken werkverbond, met onze deugd en braafheid ons heiligheid zouden willen vergaderen voor God. Wij moeten in het geloof f Christus en al Zijne weldaden omhelzen en in Hem, in het geloof, onze heiligmaking zoeken en vinden. Dan zullen we ook, in het geloof, weten en daarop mogen vertrouwen, dat wij van de Wet zijn vrijgemaakt, omdat Christus haar voor ons voldaan heeft, in alle gehoorzaamheid en gerechtigheid. De Wet t heeft niets meer over ons te zeggen, zij moet al haar eischen brengen bij Christus, Die voor óns voldaan heeft ; niet maar „zoowat" voldaan, met den eisch, dat wij „het overige zullen bijbetalen en aflossen" ; neen, die alles voldaan heeft en onze heiligmaking is, zonder welke wij God niet zien kunnen. (Hebr. 12 : 14).
Als wij ons telkens weer heel vroom en deugdzaam willen aankleeden voor God moeten we weer terug als een „ellendig zondaar" ; en we moeten weer tot Christus onze toevlucht nemen, om in Hem alles, maar dan ook alles te vinden. Dan kan een „ellendig zondaar" met een „lichaam des doods" uitroepen : „o Heere ! ik dank U, in Jezus Christus mijnen Heere !”
Jezus Christus komt ons dan tot Zijn eigendom maken en wij behooren dan niet meer toe aan den duivel, aan de Wet, aan de zonde. Niet de zonde, de duivel, is dan onze wettige overheerscher, die over ons te beschikken heeft. De zonde zal niet heerschen, om ons oordeel te eischen en te verkrijgen ; de genade zal over ons heerschappij voeren, waarbij het geloofsoog Christus ziet in al Zijn volkomenheid. Hetzelfde oog, dat den zondaar ziet, vol ellende, in het lichaam des doods, — hetzelfde oog ziet Christus in al Zijn heerlijkheid en in Zijn volkomen overwinning, voor al de Zijnen. Hoor, hoe een ellendig zondaar roemt en dankt in Christus, onzen Heere !
En zoo komen ze er dan heel anders te staan tegenover de zonde. We ontkennen de zonde niet ; we kunnen de zonde er ook niet onder krijgen ; we kunnen het in de verste verte niet brengen tot de volmaaktheid, alle perfectionisme ten spijt. En als de Heere dan maar blijft zeggen, naar recht : „wees heilig, want Ik ben heilig", dan spotten we met de zonde niet, maar dan heeft een ellendig zondaar den éénigen troost in : de heiligheid en volmaaktheid van Christus.
De vraag : of ieder die den naam van Christus noemt niet moet afstaan van alle ongerechtigheid — hoort hier eigenlijk heelemaal niet thuis. Men moet geen open deur intrappen. Want natuurlijk moet de geloovige dat. Maar het gaat er hier om : waar de heiligmaking van den geloovige ligt en te zoeken en te vinden is. Dat is het punt in kwestie. En dan zei Kohlbrugge in een tijd, dat er zooveel „goede", „deugdzame", „heilige" en „bijna-volmaakte" menschen waren : onze heiligheid ligt enkel en alleen in Christus ; in Christus ben ik heilig voor God ; maar in mij zelf ben ik een „ellendig mensch, met een lichaam des doods.”
„Dan zullen wij" — en nu citeeren we dr. Locher letterlijk, want in 't bovenstaande zijn we zelf aan 't praten geraakt, méér dan onze bedoeling eerst was — „dan zullen wij wel ons zelven als vleeschelijk zien, telkens weer, maar daartegenover staat toch, dat wij in 't geloof vasthouden, dat de zonde en het vleesch haar koningsheerschappij over ons heeft verloren, dat Christus Jezus haar heeft overwonnen en dat wij overwonnen hebben met Hem.”
„En zoo is er een nieuwe dienst, in frischheid, in blijdschap, niet in oudheid der letter, maar in nieuwigheid des Geestes. Geen slavendienst, waarbij men angstig omkijkt of iets wel mag, maar als vrijen, in geloof. En men bewaart Gods geboden als Zijn dierbare schatten, wetend dat de Heere daarmee het heil van Zijn kinderen op het oog heeft”.
„Het doel is dan niet, dat wij de „heilige mannen" worden, maar dat Gods geboden verheerlijkt worden, Gods Naam geëerd, Gods wil geschiede. Zóó ver staan we hier af van Antinomianisme, dat het integendeel zaak is, dat Gods gebod gehandhaafd wordt, al gaan wij daarbij te gronde”.
De vraag is niet of Gods Wet nog voor ons geldt, maar of wij het leven vinden in den weg der werken of in den weg der genade.
De heiligmaking behoort voor al Gods kinderen, niet tot het werk van den mensch, maar tot het Hoogepriesterlijk ambt van Christus. Dat we maar weten mogen, door het geloof, dat we heilig zijn in Christus, zonder welke heiligmaking, die in Christus is, we den Heere nooit in vrede en vreugd kunnen ontmoeten.
Jaagt dan naar die heiligmaking — zegt de Hebreënbrief (12 vs. 14). Niet uit de werken, maar uit genade!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's