De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

Openbaren wij ons als menschen des geestes of des vleesches?
De Kerk is Van Christus, Schrijft de apostel aan de gemeente van Corinthe. Maar dan zegt Paulus, die ons deze heerlijke waarheid verkondigt, vol droefheid : „maar ik kan tot u niet spreken als tot geestelijke menschen, want gij betoont u nog als menschen des vleesches, als kleine kinderen in Christus. Melk doe ik u drinken, maar vaste spijze kan ik u niet geven ; daartoe zijt gij niet in staat. Ook nu nog niet. Want ge zijt nog vleeschelijke menschen. Of is er bij u niet nijd en twist ? En zijt gij) dan niet vleeschelijk en stelt gij u dan niet aan als onbekeerde menschen ? Want wanneer de een zegt : ik ben van Paulus, en de ander : ik van Apollos, zijt gij dan niet echte natuurlijke menschen ? Wat toch is Apollos ? En wat is Paulus ? Zijn het tenslotte niet dienstknechten, door wie ge tot geloof gekomen zijt ; en ieder van hen is, gelijk de Heere hem gaven geschonken heeft. Ik heb geplant, Apollos begoten, maar het is God die den wasdom gaf en liet groeien. Nu is het toch duidelijk, dat noch die plant, noch die besproeit, iets is, doch alléén God, die den wasdom geeft en groeien laat. Die plant en die begiet, zijn een en hetzelfde ; ieder zal zijn loon ontvangen overeenkomstig zijn eigen arbeid. Want we staan samen in Gods dienst en gij zijt de akker Gods, het gebouw Gods.
Naar de mij verleende genade Gods heb ik, als een verstandig bouwkundige, een grondslag gelegd, doch een ander bouwt daarop. Maar ieder heeft toe te zien, hoe hij er op bouwt. Een anderen grondslag, dan er eenmaal gelegd is, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Maar nu kan iemand op dien grondslag bouwen met goud, zilver, duurzame steen, hout, hooi, stoppelen, doch ieders werk zal straks openbaar worden. En de jongste dag, die met vuur komt, zal doen zien hoe ieders werk geweest is. Dan zal het de vuurproef moeten doorstaan. En indien iemands werk, dat hij op het fundament gebouwd heeft, in stand zal blijven, zal hij loon ontvangen. Maar indien iemands werk zal verbranden, zal hij daarvoor gestraft worden. al zal hij zelf ontkomen, zij 't ook als door vuur.
’t Gaat om den tempel Gods. Gij zijt die tempel Gods. Weet gij dat niet ? Bedenkt gij niet, dat de Geest Gods in u woont ? En indien iemand den tempel Gods vernielt, God zal hem vernielen. Want de tempel Gods is heilig. En gij zijt die tempel.
Laat niemand zich zelf misleiden. Indien iemand in uw midden meent wijs te zijn in dezen tijd, die worde dwaas om wijs te worden. Want de wijsheid van dezen tijd is in Gods schatting dwaasheid. En er staat geschreven : „Die de wijzen vangt in hun sluwheid". En elders : „De Heere kent de overleggingen der wijzen en weet dat ze waardeloos zijn”.
Derhalve, laat niemand hoog opgeven van menschen ; het moge dan Paulus of Apollos of Cefas zijn. Gij zijt van Christus en in Christus is alles het uwe, want Christus is van God.
En nu zijn er weliswaar vele geestelijke gaven. En die gaven worden verdeeld : doch het is dezelfde Geest. Ook zijn de diensten verdeeld, maar we dienen denzelfden Heere. Ook de werkingen worden verdeeld, doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt. Maar in den een weer anders dan in den ander ; aan een ieder wordt de openbaring des Geestes gegeven ten algemeenen nutte. Want aan den één wordt door den Geest gegeven een woord van wijsheid, aan een ander een woord van kennis, aan een ander geloof, aan een ander kracht, aan een ander profetie — doch het is dezelfde Geest, die aan ieder afzonderlijk toedeelt, zooals Hij wil.
Want zooals het lichaam één is en toch vele leden heeft en al de leden van het lichaam, al zijn ze vele, één lichaam vormen, zoó óok Christus.
Het lichaam is niet één lid, maar vele leden.
En nu moet de voet niet zeggen : omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, want de voet behoort wèl tot het lichaam. En het oor moet niet zeggen : omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam, want het oor behoort wèl tot het lichaam. Wars het geheele lichaam oog, dan hadden we geen gehoor. Ware het geheele lichaam gehoor, dan hadden we geen reuk ! Maar nu heeft God den leden een plaats gegeven, aan elk van hen afzonderlijk in het lichaam, zooals Hij wilde. En nu moet geen enkel lid tot het andere zeggen : ik heb u niet van noode ; maar alle leden moeten voor elkander zorg dragen. Want als één lid lijdt, lijden alle leden mee ; en als één lid eere ontvangt, verheugen zich alle leden mee.
Gij zijt saam het lichaam van Christus en ieder is het voor een deel.
En nu heeft de Heere de plaats aangewezen in Zijn Kerk, vooreerst apostelen, dan profeten, dan leeraars, en vervolgens allerlei hulpdiensten. Zijn nu allen apostel ? Of moeten allen profeet zijn ? Of allen leeraar ?
Immers neen ! Maar een ieder streve naar de beste gaven !
De uitnemendste weg in deze is dan ook de liefde.
Al zou ik met menschentong, ja, met de tongen der engelen spreken, maar ik miste de liefde, zoo zou ik niet meer dan een klinkende schel zijn.
En wanneer ik een profeet was en al de verborgenheden wist en alle kennis bezat, of al 't geloof had, dat ik wonderen kon doen, maar ik was liefdeloos, dan zou ik nóg niets zijn.
En wanneer ik al mijn vermogen zou verdeelen, ja, al gaf ik mijn lichaam over om het te laten verbranden, maar ik miste de liefde, alles zou mij niets baten.
De liefde is lankmoedig ; goedertieren is de liefde ; de liefde is niet ijverzuchtig, de liefde verheft zich niet, zij is niet opgeblazen ; ze misdraagt zich niet ; ze zoekt niet haar eigen belang, ze wordt niet verbitterd, ze denkt geen kwaad en ze verheugt zich niet in de ongerechtigheid. De liefde verheugt zich in de waarheid en bedekt vele dingen ; ze gelooft gaarne en hoopt alles en volhardt daarin zoo lang mogelijk. De liefde valt nooit weg ; hetzij profetieën, ze zullen voorbij gaan ; hetzij spreken in talen, 't zal eens ophouden ; 't zij kennis, 't zal eens voorbij zijn. Want nu kennen we ten deele en we profeteeren ten deele. Maar straks, als het volmaakte gekomen is, dan is alles was ten deele was, weg. Dan zullen we geen kind meer zijn, maar komen tot de mannelijke leeftijd. Want nu zien we nog maar door bemiddeling van een spiegel ten deele, maar dan zullen we zien van aangezicht tot aangezicht in volle heerlijkheid.
Zoo moeten dan geloof, hoop en liefde blijven ; deze drie.
Maar de meeste van deze is de liefde !
Weest dan geen vleeschelijke menschen, die in het vleesch zaaien en verderfenis zullen maaien ; maar weest geestelijke menschen, die in den Geest zaaien en het eeuwige leven ontvangen.

RONDOM HET BEROEPINGSWERK
Wij kregen onlangs een verzoek, iets te schrijven over het beroepingswerk, wat daaraan vastzit, wat er zooal moet gebeuren, wanneer een gemeente staat vacant te worden, hoe het werk geregeld moet worden tijdens de vacature, enz. enz.
willen daar nu iets over schrijven, zoo algemeen mogelijk.
Mogen we vooraf een opmerking maken ? In de Synode is ook dit jaar weer gesproken over „toezegging van beroep", wat een van de onmogelijkste dingen is, wat in onze Kerk (natuurlijk) géén rechtsgeldigheid heeft en wat eigenlijk verboden is. En wat men toch telkens doet. Zoo zijn wij, Hollanders, nu eenmaal. We doen de verboden dingen zoo graag, totdat we tegen de lamp loopen ! Waaróm toch......
Laten we een voorbeeld noemen. In een gemeente staat een vacature te komen, doordat de plaatselijke predikant een beroep heeft aangenomen en over een paar maanden gaat vertrekken. Dan worden de hoofden van de broeders kerkeraadsleden bij elkaar gestoken en als er Kiescollege is, wordt onder de leden ook al gepraat over het komend beroepingswerk. En er wordt besloten, om zoo spoedig mogelijk te beginnen, opdat men zoo vlug mogelijk weer een eigen dominé zal hebben.
Die zorg over „een eigen dominé" is te prijzen. Het is een zaak van belang, dat de gemeente zoo kort mogelijk vacant is. En dat men dus zoo spoedig mogelijk begint, is best ! Maar dan moet men het ook doen als het mogelijk is ; dan moet men beginnen als het tijd is.... en niet wanneer het nog niet kan en niet mag ! Wat niet kan, kan niet. Wat niet mag, mag niet. Uit !
Toch doet men het hier en daar en geeft dan „toezegging van beroep".
Wij hebben het wel meegemaakt, dat een „toezegging, van beroep" gegeven werd aan een dienstdoend predikant, die „de toezegging" ook aannam, die zich al een beetje begon los te maken van zijn eigen gemeente en die het echte beroep niet kreeg, omdat er oneenigheid in den Kerkeraad en in het Kiescollege van de roepende gemeente — die te vroeg geroepen had — ontstond.
Zoo zou men het ook kunnen meemaken — het geval ligt vlak voor de hand — dat een „toezegging" van beroep gegeven wordt aan Candidaat of predikant, die de „toezegging" aanneemt en de dominé ter plaatse, die op vertrekken stond, vertrekt niet, maar blijft.
Ook zou het kunnen gebeuren, dat de dominé, die zou heengaan naar een andere gemeente, sterft.
Men voelt, dat het niet alleen verboden is, „toezegging van beroep" te geven maar dat het ook gevaarlijk is.
Hierover nu genoeg.
Laat ons nu zakelijk iets zeggen over den gang van het beroepingswerk, zooals dat in onze kerkelijke reglementen is voorgeschreven. Natuurlijk kunnen we niet alles noemen wat er aan vast zit, maar we willen probeeren toch wel het voornaamste te zeggen.
We beginnen met de veronderstelling, dat de gemeente vacant is. De dominé is vertrokken, de pastorie is leeg.
Hoe gaat het nu met het werk in de gemeente, met de predikbeurten, de catechisaties, enz. ?
In vacante gemeenten wordt de predikdienst waargenomen door de predikanten van den Ring. Het overige herder-én leeraarwerk is aan den Consulent opgedragen. (Artikel 9 Regl. op de Vacaturen).
De benoeming der Consulenten geschiedt door den Ring, met inachtneming van de bijzondere behoeften en belangen der gemeenten. (Art. 12).
De Consulent bekleedt in de vacante gemeente geheel de plaats van den pastor loei, doch heeft in den Kerkeraad (en in het Kiescollege) slechts een adviseerende stem. (Art. 15).
De Consulent regelt, in overleg met den Kerkeraad, de waarneming van het herderlijk werk. (Art. 17).
De verdeeling der predikbeurten wordt door den Ring geregeld. De Consulent zendt, binnen acht dagen na het ontstaan der vacature, aan den praetor van den Ring een lijst der te vervullen predikbeurten. (Art. 21 en 22).
De vervulling van den predikdienst in eene vacante gemeente wordt bepaald op ééne predikbeurt op eiken Zondag èn op den eersten Kerstdag. De Ring bepaalt in het belang der gemeente, of die beurten des voormiddags of op andere uren zullen worden waargenomen. (Art. 23).
In eene vacante gemeente wordt niet gepredikt en geene openbare godsdienstoefening geleid dan door een predikant of een Candidaat tot den Heiligen Dienst. (Candidaten, die nog geen proponentsexamen gedaan hebben, mogen dus niet in een vacante gemeente preeken). (Overigens kan de Kerkeraad van een vacante gemeente, mits in overleg met den Consulent, van den dienst van geordende Godsdienstonderwijzers — dat zijn zij, die een kerkelijke aanstelling ergens hebben — gebruik maken, in het belang der gemeente. Zie: Aanteekening bij Art. 25 Regl. Vac).
VERVULLING DER VACATURE. Zoodra het genoegzaam zeker is, dat een vacature zal ontstaan, vraagt de Kerkeraad, door tusschenkomst van het Classicaal Bestuur, handopening aan. (Bij het Departement van Financiën. Zie Kon. Besluit van 15 Dec. 1861 tot intrekking van het besluit van den Souvereinen Vorst d.d. 23 Dec. 1813, no. 17). (Art. 40 Regl. Vacaturen).
Tot op zes maanden vóór het eindigen daarvan wordt ingeval van een jaar van gratie met het aanvragen der handopening gewacht. (Art. 41). Uiterlijk drie maanden vóór het einde van het gratie-jaar en uiterlijk twee maanden na het ontstaan eener vacature, wordt het beroep uitgebracht. (Art. 44).
23 Jaar moet men wezen om beroepbaar te zijn in de Ned. Hervormde Kerk. (Art. 50).
Twee jaar moet men zijn eerste standplaats hebben bekleed om voor de vervulling van een vacature (beroep) in aanmerking te kunnen komen. (Art. 52).
Die eenmaal voor een beroep bedankt heeft, is in dezelfde vacature verder uitgesloten. (Art. 53).
Drie jaar moet men predikant zijn, en 26 jaar oud, om beroepbaar te zijn in de gemeenten met drie of méér predikanten. (Art. 54).
Onverwijld geeft de beroepene aan den Kerkeraad die beriep, kennis van de ontvangst van den beroepsbrief. (Art. 61).
Drie weken is de termijn, binnen welken men over een beroep heeft te beslissen. (Art. 61).
Zes weken is de termijn, binnen welken bij bedanken, een nieuw beroep moet worden uitgebracht, ('t Kan dus ook heel spoedig na het bedanken geschieden !) (Art. 62).
De drie eerstvolgende Zondagen na het aannemen van het beroep wordt de beroepene aan de gemeente voorgesteld. Het is goed, als de Kerkeraad daarvan een schriftelijk bewijs kan overleggen, geteekend door de drie predikanten, die de afkondiging gedaan hebben. (Art. 63).
Den tweeden dag na de derde afkondiging kunnen nog bezwaren tegen den beroepene worden ingebracht. (Art. 64).
Waar het de beroeping van een Candidaat betreft, moeten door den Kerkeraad (Consulent) aan het Classicaal Bestuur worden opgezonden : extract geboorteregister, waaruit blijkt, dat de beroepene 23 jaar is ; acte van toelating tot den H. Dienst (proponentsexamen) ; getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door het Classicaal Bestuur, onder welks ressort hij woonachtig is, gehoord den Kerkeraad zijner woonplaats ; schriftelijk door hem onderteekende betuiging, dat hij bij zijn plechtige toelating tot de Evangeliebediening afgelegde verklaring en belofte oprechtelijk volhardt. (Deze twee laatste stukken door het Classicaal Bestuur te zenden aan het Prov. Kerkbestuur (Art. 66 Regiem. Vacaturen).
Met den meesten spoed worden alle zaken betreffende de vacature en hare vervulling door het Classicaal Bestuur behandeld.
Drie maanden uiterlijk na de ontvangst van de kerkelijke goedkeuring moet de bevestiging plaats hebben. (Art. 75 Regl. Vac).
De beroepen predikant moet vóór de bevestiging" bij zijn Kerkeraad inleveren de acte van ontslag uit de betrekking tot zijn vorige gemeente, en, zoo hij van Classis veranderd is, de acte van ontslag uit zijn betrekking tot de vorige Classis. (Art. 76).
In gemeenten met één predikant is de bevestiging het werk van den Consulent. Indien de beroepene het verlangt, wordt deze plechtige handeling door den" Consulent aan een ander, door den beroepene aan te wijzen, predikant, afgestaan, doch wordt de tegenwoordigheid van den Consulent gevorderd. (Een bepaling, sinds 15 Jan. 1913 in werking getreden). (Art. 77).
De bevestiging van Candidaten alléén geschiedt met oplegging der handen. (Art. 78)
Onverwijld geeft de Kerkeraad (de Consulent) kennis van de bevestiging aan het Classicaal Bestuur. (Art. 79).
De Kerkeraad kan ook besluiten 'tot het beroepen van een predikant voor bijzondere werkzaamheden. (Artt. 80—88).

DB SOCIALE ONTWIKKELING IN DE LAATSTE 40 JAREN (2)
In 1877 (denk aan de dagen van den schoolstrijd èn aan de dagen van den Kerkstrijd) is Patrimonium (Latijnsch woord, dat beteekent : „Vaderlijk erfdeel") opgericht, om te zijn een Nederlandsch Werklieden Verbond met Gods Woord ten grondslag. „Gods Woord en de traditiën onzes volks zijn de vertrouwbare grondslagen eener Christelijke maatschappij" of het doel was : „behartigiing van de belangen der maatschappij in haar geheel en die de werklieden in het bijzonder". De oprichters dachten te stichten een Christelijk-sociale organisatie, waarvan zoowel werkgevers als werknemers, patroon en arbeider, baas en knecht, deel zouden uitmaken. Mannen als Klaas Kater, Hoog, Piet van Vliet, Talma, Smeenk e.a., traden op den voorgrond in den kring van Patrimonium ; en het is te begrijpen, dat hun taak allesbehalve gemakkelijk was, om in het ontredderde sociale leven werkgever en werknemer bij elkaar te brengen en de juiste beginselen voor een christelijk-socialen arbeid uit te stippelen en vast te stellen. Vonden velen soms Patrimonium niet te radicaal ; noemde men soms het woord „rood" niet ? En naarmate de Christelijke Vakbeweging in beteekenis won, werd de positie van Patrimonium moeilijker. Niet steeds waren de grenzen van de beide gebieden precies af te bakenen. Maar Patrimonium heeft in de 60 jaren van z'n bestaan prachtig werk verricht, waarvoor duizenden dankbaar zijn !
In 1892 — en nu komen we tot het artikel van den heer C. Smeenk in Antirev. Staatkunde — richtte het Verbond Patrimonium (dat volgens onze laatste gegevens nu ongeveer 2O0 afdeelingen en 131/2 duizend leden telt) zich met een adres tot Hare Majesteit de Koningin-Weduwe Regentes, waarin ernstig geklaagd werd over den tragen gang van 's lands wetgeving. „De toestanden te midden van ons volk zijn ontredderd en eischen dringend verbetering" — aldus het Adres. „Maar hoewel dit ook in 's lands-raadszaal wordt erkend, blijft toch schier alles onveranderd en sterft geslacht op geslacht in ellende van allerlei aard of verkwijnt in de diepste armoede".
Hier hebben we dus een zeer sombere teekening van de sociaal-economische toestand der lagere bevolking. Maar helaas ! was zij in overeenstemming met de droeve werkelijkheid. Er waren (b.v. in Friesland, , waar een rapport gepubliceerd was door de Prov. Afd. van Patrimonium) „lage loonen, lange arbeidstijd, omvangrijke vrouwen-en kinderarbeid, groote armoede bij langdurige werkloosheid, slechte woningtoestanden". In de veenstreken moesten vrouwen dikwijls 16 uur per dag — onderbroken door twee schafturen — zwaar werk verrichten. Voor kinderen van 8 jaar af gold bij drukte een 14-urige werkdag. Bakkersknechts waren meer dan 100 uur per week in touw. De loonen der landarbeiders varieerden van ƒ 120.— tot ƒ 350.— p. jaar. Fabrieksarbeiders verdienden ƒ 3O0.— a ƒ 350.—. Gedwongen winkelnering met belangrijke nadeelige prijsverschillen kwamen in sommige streken, vooral in de venen, voor. De „woningen" bestonden veelal slechts uit één vertrek (nog omstreeks 1900 bleken in Leeuwarden 49% van alle woningen éénkamer-woningen te zijn !) De geneeskundige behandeling bij ziekte liet alles te wenschen over. De werkloosheid was omvangrijk. Zij duurde voor vele landarbeiders van December tot April. Werd voor „werkverschaffing" gezorgd, dan kon een arbeider per week ƒ 1.80 a ƒ 4.20 verdienen ! Maar — veelal was men aangewezen op hulp van familie, op steun van Diaconie of Armbestuur. Onnoemelijk veel ellende is in dien tijd geleden.
Niet alleen in Friesland was het treurig gesteld ; in andere provincies was het dikwijls even ellendig. In de provincie Groningen bereikten boerenarbeiders, zelfs met de hulp van de vrouwen gedurende den seizoentijd, geen hooger jaarinkomen dan ƒ 200.—, waarbij echter moet worden vermeld, dat de arbeider zelf bij den boer den kost ontving ; maar zijn gezin, veelal talrijk, moest van circa ƒ 4.— per week zien rond te komen.
Het platteland leed zeer onder de landbouwcrisis, die tot het midden van de 90-er jaren aanhield. En over 't algemeen moest geklaagd worden, dat er zoo weinig sociaal meevoelen was, over gebrekkig sociaal inzicht en over te weinig activiteit bij de Overheden van Rijk en Gemeenten. De liberalistische, individualistische en egoïstische gedachte werkte bij velen nog na ; velen zeiden — of dachten — „laat maar waaien — ieder moet z'n eigen pakje dragen — ieder moét zich maar zien te redden". Waarbij dikwijls een beschouwing aangaande „den minderen man" en in betrekking tot „de ondergeschikte" gevonden werd, die allertreurigst is te noemen. „Laissez faire, laissez aller", laat maar waaien - ~ was bij velen de leus. Het oude liberalisme (wie denkt hier niet aan Friesland, Groningen, de veenstreken, de fabrieken, de werkplaatsen, enz. enz.) gaf nog den toon aan, al was de politieke positie der Vrijzinnigen reeds ernstig verzwakt.
In de steden was de toestand wel iets gunstiger dan. op het platteland. Maar reëel was het verschil toch niet groot. Vele vaklieden kwamen, bij een arbeidsdag van 121/2 a 13 uur in den zomer, en in den winter van licht lot donker, toch niet boven een loon van ƒ 8.— tot ƒ 10.— per week uit, waarbij moet bedacht worden, dat deze loonen in den regel slechts gedurende een gedeelte van het jaar werden genoten. Ongeschoolde arbeiders en geoefenden ontvingen loonen - van ƒ 6.— tol ƒ 8.—. In fabrieken was de werktijd van volwassen mannen 12—^^14 uren, hier en daar met gunstige afwijkingen. Uitkeeringen bij ziekte, ongeval of ouderdom, kwamen vrijwel niet voor . Er was dikwijls werkloosheid. In Amsterdam bracht een gemeentelijk onderzoek, dat zich in 1893 over 3412 ondersteunde werkloozen, uitstrekte, aan het licht, dat „tal van bekwame en degelijke vaklieden" niet zonder hulp der liefdadigheid den winter konden doorkomen. En nu waren hier de toestanden nog niet het meest ongunstig ! De groei van de stad b.v. bevorderde de werkgelegenheid.
En hoe waren, óók in de hoofdstad, de woningtoestanden ? Het antwoord moet luiden : ellendig ! Een niet onbelangrijk gedeelte der bevolking woonde ook in de 9'0-er jaren nog in kelders. In 1900 waren er in Amsterdam bijna I6.00O éénkamer-woningen, waarin ook groote gezinnen moesten huizen. Kort vóór 1902 bleek, dat in de provincie Friesland en Drente 63% van alle woningen éénkamer-woningen waren, terwijl dit cijfer voor héél Nederland in 1898 was 28%. 1 Jan. 1900 werden 261.000 éénkamer-woningen bewoond door 2 of meer personen !
Is het wonder, dat de christelijke sociale gedachte geen rust kon hebben bij deze en dergelijke toestanden ? De toestanden te midden van ons volk waren ontredderd en eischten dringend verbeteringen. En alles bleef veelal onveranderd en „geslacht op geslacht sterft weg in ellende van allerlei aard of verkwijnt in de diepste armoede" — aldus het Adres van Patrimonium in 1892 aan H.M. de Koningin-Weduwe Regentes.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's