De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

9 minuten leestijd

Werken der gerechtigheid.
Over het verstand werd in den breede gehandeld. Alle licht komt van den Vader der lichten. Daarom vraagt de psalmist, dat hij de verborgenheden van de Wet moge begrijpen, hoewel hij toch de Wet heeft. De discipelen zijn van den Heere geleerd, zij hebben den hoogsten Profeet en Leeraar tot een Leermeester gehad en nochtans leert Hij hen verwachten den Geest der Waarheid, totdat Hij komen zou om hen te leiden.
Nu de werken. Calvijn acht den mensch een weinig scherpzinniger in deze dingen dan in die van het verstand.
De apostel getuigt toch, dat de heidenen, die de Wet niet hebben, als zij van nature doen de dingen die der Wet zijn, betoonen het werk der Wet, geschreven in hunne harten, hun consciëntie mede getuigende enz.
Derhalve mag men niet zeggen, dat de heidenen in den weg des levens ten eenenmale blind zijn. En er is niets, voegt Calvijn er aan toe, waarvan de menschen zoozeer den mond vol hebben, dan van de wet der natuur, waardoor zij genoegzaam worden onderwezen tot een zuiveren wandel.
Waartoe echter is deze kennis van de Wet gegeven ? Wie tegen de Wet zondigt, wordt door de Wet geoordeeld, en zij, die zonder de Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder de Wet vergaan.
Dit laatste schijnt ongerijmd. Zonder de Wet zondigen en zonder de Wet verloren ! Daarom voegt Paulus er onmiddellijk bij, dat de heidenen niet zonder eenig voorafgaand oordeel voorbij gaan, want hun consciëntie is in de plaats van de Wet.
Zoo wordt den mensch door de Wet van nature zijn onschuld benomen.
Calvijn beschouwt deze Wet als een kennis in het geweten, een onderscheiding van recht en onrecht, om den menschen den dekmantel der onwetendheid af te nemen, aangezien zij door eigen overtuiging geoordeeld worden.
Daarom wijst Calvijn het standpunt van Plato van de hand, die geleerd heeft, dat de mensch door onwetendheid zondigt. Hij acht dat in het geheel niet juist. Plato ziet voorbij, dat de mensch zich gaarne aftrekt, van zonde vrij pleit, en dat hij de vermaning van goed en kwaad in zijn geweten in den wind slaat.
Daarentegen haalt hij met instemming Themistius aan, die zegt, dat iedereen in het algemeen wel weet, wat zonde is, maar dat hij dwaalt, wanneer het aan het bijzonder geval komt.
Iedereen kan men vragen, of doodslag zonde is, en hij zal bevestigend antwoorden : doodslag is zonde. Doch, wanneer iemand naar den dood van zijn vijand staat, tracht hij het op alle manieren goed te praten.
Overspel zal men in het algemeen verdoemen, maar tegenover zich zelf zal men zacht zijn, en Calvijn spreekt hier zelfs van liefkoozen van het overspel, dat men begaan heeft.
Wil men van onwetendheid spreken, dan zou dit dus de onwetendheid zijn, dat men het bijzondere niet onder het algemeene oordeel ziet. Doch ook dat kan men niet altijd zeggen, want het komt maar al te zeer voor, dat een mensch zich ook niet door den goeden schijn wil bedriegen, maar willens en wetens zondigt.
Reeds de oude wijsgeer Aristoteles heeft dit gezien en onderscheidde twee soorten begeerlijkheid. Een begeerlijkheid, door hartstocht beneveld, zoodat het kwaad bij een ander zeer wèl zou worden opgemerkt, maar nu de man er zelf in valt, merkt hij het niet. Straks krijgt hij berouw en ziet hij het.
Een andere begeerlijkheid, die door het gevoel van zonde niet wordt uitgebluscht, maar moedwillig volhardt in het kwaad.
Men denke echter niet, dat de mensch in alle dingen een gezond oordeel heeft, al heeft hij onderscheiding van goed en kwaad. Zulk een oordeel gaat maar tot op zekere hoogte.
Van gaafheid is geen sprake.
Dat zullen wij ondervinden, als wij ons toetsen aan de Wet Gods, die een voorbeeld der volmaakte gerechtigheid is. Dan wordt men gewaar, hoezeer wij menschen verblind zijn.
Begin maar bij de eerste tafel der Wet : Vertrouwen op God, de lof, die Hem moet toeschrijven wegens Zijn deugd en gerechtigheid, de aanroeping van Zijn naam, de onderhouding van den waren rustdag. Dit alles wordt door ons verstand niet begrepen.
Het natuurlijk verstand begrijpt er niets van, dat in deze dingen de oprechte godsdienst is gelegen.
Iets beter staat het met de geboden van de tweede tafel. Deze komen een weinig nader bij de burgerlijke gerechtigheid.
Calvijn ontdekt ook hierin echter gebrek. Het voortreffelijkste verstand acht het b.v. ongerijmd en onrechtvaardig een strenge heerschappij te verdragen, wanneer men die kan afschudden.
Het natuurlijk verstand houdt het alles voor slaafsch en veracht, wanneer men verdraagt en meent, dat het eerlijk en edel staat, als men het juk afwerpt.
De philosophen meenen ook, dat het niet verkeerd is zich zelf te wreken.
De Heere echter verdoemt zulk een hooghartigheid en beveelt de Zijnen lijdzaam te wezen.
Een ander stuk. De natuurlijke mensch laat zich er niet toe drijven de ziekte van zijn begeerten en lusten te bekennen. Zoover komen ook de philosophen niet. Zij blijven slechts aan den buitenkant.
Zoo kan men dus eenerzijds met Plato niet beweren, dat alle zonde uit onwetendheid geschiedt. Wij hebben aangetoond, dat zulks niet waar is.
Evenmin kan men het tegengestelde beweren, dat alle zonden uit voorbedachte boosheid plaats vinden. Dat is ook niet waar, want wij zijn in menig opzicht blind voor de krankheden van ons gemoed.
Hoe dikwijls meent een mensch niet goed te doen, terwijl hij struikelt.
Zoo bewijst het verstand zich toch geen zekere en vaste leidsman te wezen.
Calvijn houdt namelijk het verstand voor de leidende kracht in het binnenste. Hij bedoelt daarmede echter niet het intellect alleen, maar ook de gaven van het religieus en zedelijk gemoed.
Wij geven het slechts ongaarne gewonnen, zoo betuigt hij verder, dat het verstand verblind is, doch het is zoo. De Heilige Geest getuigt het, noemende de gedachten der wijzen ijdel en het gedichtsel van des menschen hart boos. (Ps. 94 vers n ; Gen. 6 vers 3 en 8 vers 21).
De psalmist van den 119den psalm verstond dat, want hij vroeg om vernieuwing van zijn verstand, (vers 34).
En wij weten, dat hij zulks niet maar één keer vraagt, doch telkens weer komt het in de psalmen voor. (Ps. 51 vers 12).
Verder wijst Calvijn op de veelvuldige gebeden, die Paulus voor de gemeenten doet, opdat zij met wijsheid en geestelijk verstand mochten bedeeld worden. (Phil. 1, 4, 9, 10; Kol. 1 vers 9).

Van het vrije goeddunken.
Het vrije goeddunken wordt gewoonlijk in den wil gesteld. De verkiezing komt meer den wil dan het verstand toe.
De philosophen hebben geleerd, dat alle schepselen door een natuurlijke ingeving het goede begeeren. Calvijn vraagt, of dat niet tot den ongeschonden staat van den wil behoort ?
Onder vrije goeddunken moet n.l. niet worden verstaan een neiging of natuurlijke drang, maar mede een overlegging van het verstand.
De voorgestelde dingen moeten keuze opleveren. Er moet een tegenstelling en vergelijking zijn. Daarom komt het verstand er ook bij te pas. Daar moet ook een zeker overleg zijn, om de keuze voor te bereiden. Zoo hebben ook de scholastieken geleerd. Calvijn echter heeft daarop weinig vertrouwen, want, zegt hij, als gij er op let, hoedanig die natuurlijke drang is, dan komt gij tot de ontdekking, dat deze bij de redelooze dieren ook wordt gevonden.
Zij laten zich leiden door de prikkels, die op hen uitgaan.
En de mensch ? Instede van zijn verstand in het werk te stellen en te vragen, wat voor hem waarlijk goed en nuttig is, overeenkomstig de onsterfelijke natuur, volgt evenals het gedierte de lusten en neigingen van zijn hart, zonder rede of beraad.
Dit heeft echter met de vrijheid van het goeddunken niets te maken. Hij wordt door de roerselen van de natuur gedreven.
Tot het vrije goeddunken behoort, dat de mensch door de gaafheid van zijn rede onderscheide, verkieze en nastreve.
Zoo heeft dan de redeneering tweeërlei fout. Vooreerst betreft zij niet den wil, maar een natuurlijke neiging, en in de tweede plaats heeft dit z. g. goeddunken niet betrekking op deugd en gerechtigheid, maar op geluk en welvaren.
Maar bovendien, alle menschen begeeren wel de eeuwige gelukzaligheid, doch er is niemand, die daarnaar streeft dan door den drang van den Heiligen Geest.
Calvijn gaat verder met zijn onderzoek.
Daar zijn er, die beweren, dat er een voorafgaande genade noodig is om krachtig te willen. Daarin schijnt alzoo verborgen te zijn, dat de ziel toch wel eenig vermogen heeft. Het zou echter niet sterk genoeg zijn om tot een vaste gezindheid te worden en den noodigen ijver op te wekken. Origenes e.a. hebben zoo geleerd en de scholastieken hebben dat gewoonlijk overgenomen.
Grond voor deze meening ontleenen zij aan het woord van Paulus : „Want hetgeen ik doe, dat kan ik niet, en hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. Want het willen is bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet". Rom. 7, 15, 18. Gal. 5 vers 1? .
Dat berust echter op misverstand en verkeerden uitleg. De apostel Paulus heeft het over den strijd des geloofs en niet over den bloot natuurlijken mensch. De apostel spreekt over den wedergeborene. Dat is zeer duidelijk. Want hij heeft gezegd, dat er in hem, dat is in zijn vleesch, geen goeds woont. Hetzelfde blijkt er uit, dat hij zegt: niet ik, maar de zonde, die in mij woont, sprekende over het kwaad.
Deze verontschuldiging kan alleen van den wedergeborene gelden. Maar daarenboven besluit Paulus : Ik heb een vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch. Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds.
Augustinus heeft dit wel ingezien, hoewel hij vroeger ook gemeend heeft, dat Paulus van de onwedergeboren natuur sprak.
Er blijft dus over, dat de mensch zonder de genade Gods geen goed heeft. En xyie daarover anders denkt, hoe rijmt hij dat met Paulus' woord, dat wij onbekwaam zijn en dat onze bekwaamheid is uit God (II Cor. 3 vers 5) en wat zal men Gode antwoorden, die door Mozes verkondigt (Gen. 8 vers 21), dat al het gedichtsel van des menschen hart boos is.
Wie de zonde doet, is een dienstknecht der zonde. De gansche natuur wordt door het juk der zonden vastgehouden. Daarom valt ook de wil daaronder en is zelfs de voornaamste zetel der zonde.
De wil gaat ook den Heiligen Geest niet vooraf, want Paulus zegt, dat God het willen in ons werkt. Ook de begeerte des gebeds komt van God.
Zoo is de mensch dus zoowel wat de rede als den wil betreft, verdorven en hij kan dat niet beter leeren kennen dan door het beeld, dat de Heihge Schrift van hem teekent. Hetgeen uit het vleesch geboren wordt, dat is vleesch. (Joh. 3 vers 6). En het bedenken des vleesches is de dood, zoo getuigt Paulus, want het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der Wet Gods niet, want het kan ook niet. (Rom. 8 : 6 en 7).
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's