Rondblik buiten de Grenzen
Er schijnt plotseling geen „Spanje", geen „Japan", geen Mussolini en geen Franco meer te bestaan, zoozeer neemt Tsjecho-Slowakije deze week de aandacht in beslag. Een week lang heeft men gewacht op de rede welke Hitler te Neurenberg, met betrekking tot dit probleem, zou uitspreken. Doch eerst Maandagavond, als slotstuk van het congres, is de Führer daarmede los gekomen. Daar van te voren was aangekondigd, dat een rede „van uitzonderlijk politiek belang" verwacht werd, zag men Hitler's uiteenzetting algemeen met spanning tegemoet. Men kreeg den indruk of het Maandagavond gaan zou over de uiteindelijke beslissing : oorlog óf vrede. Die veronderstelling was zeker niet ongegrond. We hebben de laatste dagen herhaaldelijk gehoord van verontrustende militaire maatregelen, in Duitschland, Frankrijk en België, terwijl ook in ons land eenige „beweging" in en om de kazernes viel waar te nemen. Daar kwam bij dat daags voordat Hitler aan het woord zou komen, Herman Goerring een daverende rede hield, zoo zelfgenoegzaam en zóo vol van schetterende scheldwoorden aan het adres van Engeland en Tsjecho-Slowakije, dat de komende slotrede van den Führer als een ernstige dreiging werd gevoeld. Niet het minst door het groote publiek, dat door de verwarrende en alarmeerende berichten der laatste dagen spoedig tot ongerustheid geneigd is.
En de wijze waarop Hitler zijn lang-verwachte rede voordroeg, was wel geschikt om aan deze stemming voedsel te geven. Toen hij aan het punt-in-kwestie genaderd was, kreunde en kraakte menige luidspreker vanwege het groote volume dat ze te verwerken kregen, en menig luisteraar kwam onder den indruk van de heftige bewoordingen waarin de Führer aan zijn woeste ontstemming over de verdrukking en mishandeling der Sudeten-Duitschers uiting gaf. „Wanneer de vertegenwoordigers der democratieën niet zelf voor recht en hulp kunnen zorgen, zullen zij beide van ons krijgen. Aan de rechteloosheid van. die menschen moet een einde komen". En zoo volgde het eene vage dreigement op het ander, telkens door de (voor dergelijke redevoeringen onontbeerlijke) tierende toejuichingen van partij-genooten onderstreept. Zooveel werd wel duidelijk : de Duitschers, in en buiten het Derde Rijk, werden in hun hoogespannen verwachtingen weer niet beschaamd. Het was een slotrede, het grootsche Neurenbergsche congres waardig.
Maar leest men de verklaringen van den Führer nog eens rustig na, en men trekt „het geklets over vrede" (we citeeren een uitdrukking van Goerring aan het adres van Londen), er af, dan blijft er zakelijk niet veel meer over dan een duizelingwekkend getal van arbeiders die gewerkt hebben „aan den wal van staal en beton, welke aan de Westgrens wordt opgetrokken, " en de eisch dat de Sudeten-Duitschers zelfbeschikkingsrecht krijgen. Had de Engelsche premier, of een ander bezadigd Staatsman, gesproken op de wijze waarop Hitler dat Maandagavond deed, dan zouden zijn woorden ongetwijfeld ongekende beroering teweeg hebben gebracht in-de Europeesche hoofdsteden. Nu was het effect niet evenredig aan den hoogen toon waarop ze werden uitgesproken. Men leert Hitler langzamerhand kennen, en voelt zich reeds verlicht door het feit, dat hij niet positief en concreet gezegd heeft, welke maatregelen hij „ter verlossing van de verdrukte Duitschers" nemen zal. Toen Zondagavond een kort courantenbericht meldde, „dat bevoegde Britsche kringen hebben verklaard, dat Groot-Brittannië niet buiten een algemeen conflict kan blijven, waarin Frankrijk's intregriteit zou kunnen worden bedreigd", was dat reeds voldoende om de geheele wereld ervan te overtuigen, dat Londen tezamen met Parijs de grenzen van Tsjecho-Slowakije metterdaad zal beschermen, wanneer Frankrijk daartoe eens, krachtens het bestaande verdrag, mocht worden genoopt. Maar men weet dat Hitler en de zijnen zich niet zoo voorzichtig plegen uit te drukken. Op grond van de aanvankelijk bestaande vrees is men thans dan ook reeds min of meer voldaan, dat Hitler den weg voor verder overleg niet heeft uitgesloten. Over „eischen" valt te praten, maar op bepaalde maatregelen, zou men slechts met tegen-maatregelen hebben kunnen antwoorden. Typeerend is wat als de meening van verscheidene gedelegeerden" vanuit Geneve werd weergegeven. „Men gelooft, dat Duitschland thans niet zijn toevlucht wil nemen tot geweld, doch een zekere mate van spanning wil laten voortbestaan, totdat het gekregen heeft wat het wenscht”.
Intusschen vergete men niet, dat dit optimisme zeer betrekkelijk is. Het kan slechts verklaard worden dat van te voren de vrees voor een op uitbreken-staanden oorlog in de lucht hing. En die vrees was —-we zeiden het reeds — niet ongegrond. Maar al is het directe oorlogsgevaar dan hopelijk ook geweken, de bestaande spanning is allerminst opgelost. Integendeel, de volgelingen van Hitler, die de woorden van den Führer niet (gelijk men „in diplomatieke kringen" doet) precies op waarde en inhoud wegen, zijn door de hartstochtelijke redevoering onder hoogspanning gebracht. De Sudeten-Duitschers hebben nu de verzekering, dat Hitler achter hen staat. Het kan nu niet lang meer duren of ze zullen juichend bij het Vaderland worden ingelijfd. In die stemming hebben ze reeds wekenlang verkeerd, en ze gaf aanleiding tot een serie van de meest-ongewenschte incidenten. Ze zullen zich niet langer door „de Praagsche verdrukkers" laten martelen en mishandelen, doch krachtdadig verweer bieden. En wanneer de Praagsche Overheid daartegen dan, gelijk elke Overheid zou moeten doen, krachtige maatregelen neemt, zwelt het geklaag der „verdrukten" opnieuw in kracht aan. Reeds Dinsdag werd gemeld dat in de Sudeten-Duitsche gebieden gewapende aanvallen werden gedaan op spoorwegstations, politiebureaux en postkantoren. Over en weer zijn reeds verschillende dooden gevallen, zoodat de regeering zich genoodzaakt zag voor verschillende gebieden den noodtoestand af te kondigen. De militairen werden reeds te hulp geroepen om de orde te bewaren. Men gevoelt wel, dat een dergelijke situatie al spoedig onhoudbaar wordt. En dat heeft Hitler natuurlijk voorzien, verwacht en gehoopt. Het vuur werd door Goerring's „rede" opgestookt, zoodat, na het spreken van Hitler, de vlammen wel hoog-op moesten uitslaan. Het „geklets over vrede" ten spijt. En van Berlijn is niet te wachten dat het ook maar éen hand zal uitsteken om te helpen den brand te blusschen of te beperken. Dictators kunnen niet terug. Hitler's eischen moeten ingewilligd worden of hij verliest het vertrouwen zijner volgelingen. Maar als hij die inwilliging met geweld zou willen forceeren, kon hij wel eens méér dan dat verliezen. Dat alles wéét Hitler. Tóch kan hij niet terug. „Wie een tijger berijdt, is bevreesd om af te stijgen", zegt een Chineesch spreekwoord terecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's