MEDITATIE
VOLHARDEN
„Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden". Matth. 24:13.
Johannes heeft geschreven : Kinderkens ! 't is de laatste ure. Wanneer Johannes daartoe aanleiding vond en de, Heilige Geest het noodig oordeelde, dat dit boodschap Gods zou blijven de eeuwen door, dan mogen wij elkander er in deze tijden toch wel bijzonder aan herinneren. Wanneer het in directen zin de laatste ure wezen zal, niemand die het weet. Niet alleen, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren en duizend jaren als één dag, maar bovendien heeft Jezus Zelf gezegd, dat dit alleen den Vader bekend is. God heeft alle tijden bepaald, ook den tijd in welken de Zoon Zijn werk voltooid zal hebben. De dag der toekomst van den Zoon Zijner liefde is bij den Vader vastgesteld. Wij weten dien niet. Alle rekenaars in dezen zijn beschaamd uitgekomen en zij zullen te schande worden. Zoogenaamde openbaringen in dezen zullen een vergissing blijken, want wat God den Zoon niet heeft geopenbaard, dat zal Hij zeker niet aan menschen bekend maken.
Ondertusschen heeft de Zoon Zelf geleerd, dat de dag Zijner toekomst vooraf zal worden gegaan door bijzondere gebeurtenissen in het wereld-en Kerk-leven. Hij heeft ook gemaand daar acht op te geven. Dit natuurlijk om te zoeken, dat we bereid zullen zijn de komst van den Zoon des menschen op de wolken des hemels te verwachten. We hebben daartoe op de teekenen der tijden te letten, maar ook te onderzoeken of we in dien dag zullen kunnen staan en staande blijven. Dat is niet gemakkelijk. Het is ook een groote vraag. We kunnen in dit leven soms heel wat van de dingen van Gods Koninkrijk weten, we kunnen dikwijls ook o zoo vroom praten over wat er gekend moet worden tot zaligheid, ja, over de Gereformeerdheid. Dat is alles goed en mooi, maar is het voldoende ? Ge kunt met mij weten, dat Jezus Zelf gevraagd heeft: , , De Zoon des Menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde ? ”
Ziet, daar komt het toch op aan, of wij gelooven in den Zoon van God. Niet, of wij de rechte kennis der Waarheid hebben en zuiver zijn in de leer, niet of we onszelf een brevet geven van echt Gereformeerd te zijn. Neen, de groote vraag zal wezen of we gelooven in den Heere Jezus Christus. Heeft Jezus Zelf niet met alle nadruk gezegd : Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar, wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden ? Dat we dit toch meer indenken in onze dagen. Want onze dagen toonen het zóó dat de andere dingen, waarop we zinspeelden, den boventoon hebben. Over Kerk en doop en gemeene gratie — we noemen maar niet meer — maakt men zich o zoo warm, twist men met groote kracht, oordeelt en verdoemt men elkander o zoo heftig. Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat er zóó geen dingen aan de orde zijn, welke de moeite waard zijn. Doch ik bedroef mij er gedurig over, dat in deze zoo hoogst ernstige tijden niet begrepen wordt, of althans gedaan wordt alsof men het niet begrijpt, dat we elkander tot het geloof moeten manen en onszelf op het geloof moeten onderzoeken.
Nu weet ik wel, dat we deze dingen kunnen verwachten in de wereldtijden als de onze, welke zóó ernstige teekenen der tijden in zich hebben, waardoor we herinnerd worden aan den komenden jongsten dag. Immers aan die tijden is nauw verbonden, dat de liefde van velen zal verkouden. Het is dus aan die ernstige dagen vast, dat er bitterheid is in spreken en schrijven, dat de hatelijkheid en het hatelijk zijn welig tiert, dat men elkander vereet en verbijt. Ach, zeg nu niet: ja, maar, met die liefde wordt gezien op de liefde tot Christus. In de eerste plaats geloof ik daar niets van, gezien het verband, waarin de Christus spreekt, maar in de tweede plaats weet ge net zoo goed als ik, dat Johannes ons door den Geest zegt^ dat er nauw verband is tusschen de liefde tot God en tot Zijnen Christus en de liefde onder elkander. Wanneer daar meer aan werd gedacht en daar ernstiger bij werd geleefd, gewis, menige pen zou in onze tijden droog gebleven zijn of van anderen inkt hebben gedrupt!
Beproeft uzelven of gij in het geloof zijt! Laten we dit toch op alle manier elkander toeroepen in deze tijden en laten we toch andere vragen van Kerk en Dogma en Schrift wat minder op de spits drijven, tenzij het noodig is inzake de ernstige vraag aangaande het waarachtig geloof. Het zal straks niet in eerste instantie de vraag zijn of we in dit en dat stuk wel heel zuiver stonden, maar of we gelooven in den Zoon van God. Dat moeten we toch goed verstaan. Begrijp me niet verkeerd. Zelf zou ik wel willen, dat allen in den zuiversten zin, vol karaats van ons Gereformeerd belijden waren. Ik beschouw het als den grootsten zegen, ons van God geschonken, dat we achter Calvijn het Gereformeerd beginsel hebben mogen grijpen. En ik geloof met geheel mijn hart, dat we als Gereformeerden een heilige roeping hebben om naar dat beginsel te leven en er mede te woekeren om er anderen toe te bewegen. We hebben echter — Calvijn leefde daar immers zelf naar — in de eerste plaats Christen te zijn en daarna Gereformeerd. Christen moet onze naam zijn, Gereformeerd onze bijnaam. Gelukkig, wanneer we zóó bekend staan bij God. Gelukkig, wanneer we zóó den lust van ons leven hebben. Dat we dus met den apostel Paulus kunnen zeggen: Ik leef, doch niet meer' ik, maar Christus Jezus leeft in mij. En hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God.
Wanneer we deze dingen zeggen, dan . wordt menigeen onrustig. Dat kan geen kwaad. Het is. beter duizendmaal getwijfeld of we wel het rechte geloof hebben, dan éénmaal zich vergist en dat voor eeuwig ! Want ja, het is en blijft voor zoo menigeen een moeilijke vraag, of hij of zij wel in het geloof is. We weten, dat het hart van ons arglistig is. Het wil zoo gaarne wat schijnen. Daarom neemt het zooveel aan, waar het geen recht op heeft. De Heere doorgrondt het echter. En als er dan niets overblijft van wat echt is ! Wie zijn we toch van onszelf. Paulus moet nog klagen, dat hij vleeschelijk is, verkocht onder de zonde. Geen wonder, dat we daarom meestal den dag van Jezus' wederkomst met zorg tegemoet zien. Zullen wij dan geloof hebben ? Zullen wij dan behouden worden ?
Wat zoo groot is ? Dit, dat als Jezus het over den dag Zijner toekomst heeft. Hij gezegd heeft: , , Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden". Jezus schildert daar den bangen wereldtijd, welke aan Zijn wederkomst voorafgaat, zooals we weten. Ons tekstwoord staat in de zoogenaamde eschatologische rede van Jezus. Het zal wat zijn, in die voorafgaande tijden. Het wordt bang in de wereld. Oorlogen, geruchten van oorlogen, het ééne volk tegen het andere in opstand, het ééne koninkrijk tegen het andere, hongersnooden, pestilentiën, aardbevingen in verscheidene plaatsen, overgeleverd, verdrukt, gedood, gehaat worden. Ook in de Kerk zal het. donker zijn. Velen zullen geërgerd worden, ze zullen elkander overleveren. Valsche profeten zullen er opstaan. De liefde zal verkouden. En dan zegt Jezus ; "Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden”.
Ik zeide : gelukkig, dat Jezus het zóó heeft gezegd. Daar kunnen we ons te gemakkelijker op beproeven. Of we geloof hebben ? Ach, we zien tegen geloof zooveel op. Geloof, dat is voor ons besef, dat we durven zeggen, dat we met lichaam en ziel niet onszelven eigen zijn, maar het eigendom van Jezus Christus, Die met Zijn dierbaar bloed voor al onze zonden volkomen heeft betaald. Geloof, we meenen, dit hebben we alleen, wanneer we durven zeggen : Gij hebt mijn hand gevat. Gij zult mij leiden, en daarna zult Gij mij opnemen in heerlijkheid. Geloof, wel dat is immers, dat we durven roemen : ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch Engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke daar is in Christus Jezus onzen Heere. O, hoe rijk, wanneer ge zóó gelooven kunt! Maar nu die velen, die niet zóó durven spreken. Wat vrees bestormt de ziel, wanneer de Oordeelsdag voor den geest wordt geroepen. Daarom zeide ik : gelukkig, dat Jezus hier van „volharden tot het einde" spreekt.
Volharden tot het einde", dat is toch : niet los te kunnen laten, wat er ook gebeurt. Zóó vast aan den Heere te zitten, dat niets daarvan weg kan slaan. Meer nog : zóó te weten, dat we nergens heen kunnen buiten Jezus, want dat Jezus alléén de Woorden des eeuwigen levens heeft, dat als het in de wereld donker wordt, als het in de Kerk bang wordt, die donkerten en verschrikkingen nog te meer naar den Heere henen uitdrijven. We zingen den Psalmist na : ,,'k Ben gewoon in bange dagen, mijn benauwdheid U te klagen". Welnu, zóó daaraan gewoon te zijn, dit zóó als onze tweede natuur te hebben, dat we altijd maar weer met al onze nooden tot den Heere moeten gaan, dat we dit doen, omdat we weten, dat er bij den Heere genade en heil is, dat is de volharding, welke Jezus bedoelt. Ik weet wel, we kunnen dit in den breede uiteenzetten. Dat is nu evenwel niet noodig, want ieder kan hierop zichzelf beproeven.
Het wordt dan eenvoudig de vraag, of we hebben leer en begrijpen, dat we van onszelf midden in den dood liggen, maar dat er in Christus leven uit dien dood is en dat we daarom ons leven buiten onszelf in Christus Jezus leerden zoeken. Wanneer het zóó is, dan kunnen we nergens anders meer-heen en dan zal er immer een volharden zijn achter den Heere aan. Als we dat niet hebben, we komen in het oordeel om. Maar wanneer we zóó ons leven gericht vinden, dan troost Jezus en zegt: dezulken zullen zalig worden. Over u, die daar uw leven in geteekend vindt, spreekt de Heere : de poorten der hel zullen Mijne Gemeente niet Overweldigen. Uw tent zal veilig zijn.
’s-Gravenmoer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's