MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Waarom moest Jurjen nu gisteravond wel weer van de partij zijn, terwijl mijn man vanzelf weer van geen tèl was ? " riep zij luid, dat elk 't hooren kon. Jullie moeten het toch zeker óók van arbeiden hebben en voor je plezier ga je ook al niet uit bakeren. Maar natuurlijk, Douwe wordt overal buiten gehouden”.
„Maar jou man bemoeit zich ook nooit ergens mee", kwam Griet ter verdediging inbrengen ; Jurjen zit in het bestuur van de Dragersclub en van het Groene Kruis, en is bij de brandweer en " „Ja, omdat hij zich overal indringt en anders weet jij d'r wel een mouw aan te passen. Maar ook, wat deed Sjoerd Nauta daar dan bij ? Die doet toch ook bijna nooit een mond open ? "
„Sjoerd is een flinke man, dien elk graag in zijn dienst heeft als er wat te timmeren valt, en daarbij zeer godsdienstig. Wij zijn tegelijk lidmaat geworden, doch niet één, die zooveel wist als hij. Hij kende het geheele vraagboek van buiten en ik geloof den Catechismus d'r wel bij".
„En Dirk Leenstra dan ? En Pier Boomsma niet te vergeten ? Wat is die ook al ? "
„Vraag dat niet aan mij ; vraagt 't dan aan Murk, misschien, dat deze weet, waarom Bouma hen allen bij zich komen liet".
„’k Vind het niets aardig, zoo'n beweging hier te beginnen", kwam buurvrouw Gelske tusschenbeide. „Laat elk gelooven, wat hij wil en daarmede uit. M'n man sprak vanmorgen den tuinman van den dominé, maar dan moest je eens hooren, wat die er van zegt ! Men moest al die oproerkraaiers de plaats uitbannen ! zei hij. Juist geschikt, om in de gemeente alles overhoop te halen. En mijnheer de directeur van de fabriek denkt er precies zoo over. Dirk mag ook wel weten, wat hij doet, of hij krijgt ontslag. D'r zijn méér botermakers te krijgen". „'k Meende, dat elk gelooven mocht wat hij wilde, buurvrouw", zei Griet.
„Vanzelf, maar dan behoeft hij daarmede niet te koop te loopen en dit aan een ander op te dringen. Elk moet volkomen vrij gelaten worden of hij al dan niet godsdienstig wil zijn".
„Je bedoelt eigenlijk, dat menschen, die zich nooit om God of Zijn Woord bekommeren, van alles het roer in handen moeten houden en dat elk zich daar onder te schikken heeft. Vrijheid dus, om te buigen voor de heerschende machten, geen vrijheid, om daartegen zijn stem te verheffen. Een mooie vrijheid !"
„En ik zeg maar, dat menschen, wier voet onder allemans tafel staat, verstandig doen met zich méér achteraf te houden, 't Past ieder lang niet, zoo hoog van den toren te blazen", wierp Gelske, die warm begon te worden, hiertegen in.
„Dat behoort dus óók bij die vrijheid, waar je het over hadt. Omdat men over minder kapitaal beschikt en zijn werkkracht verkoopen moet, om eerlijk door de wereld te komen, heeft men de vrijheid, om te zwijgen. Wie spreekt, loopt kans ontslagen of althans achteruit gesteld te worden. Maar dan wil het mij voorkomen, buurvrouw, dat het hoog tijd wordt om aan deze tiranny een einde te maken. Ik baker ook in allerlei huizen, bij allerlei slag menschen, maar heb mij nog nooit geschaamd om uit te komen voor hetgeen ik belijd. En ik heb tot nu toe nog nooit broodsgebrek geleden. Verstandige menschen laten elk vrij in hun gelooven".
„’t Komt, omdat er zoo weinig bakers zijn. Als je maar genoeg concurrentie had, dan zou je zien, hoe men je staan liet. Maar nu moet vanzelf alles naar Jurjens Griet".
„Niet noodig ; de wereld heeft nooit van één mensch afgehangen. Vrouw Rakels is er ook nog en vrouw Boersma en vrouw Klein, en dan de vroedvrouw en "
„'t Is anders gewoonlijk wèl zoo, dat die menschen met geloof achtergesteld worden bij anderen", merkte Klaske op. „Ik heb een zwager, die ook zóó geloovig is, men vindt ze zelden zoo, en ik denk, dat hij den geheelen Bijbel wel van buiten kent, maar die is ook nogal veel werkloos".
„En is hij anders 'n flink werkman ? " vroeg Griet.
„Nu, flink, maar hij weet wèl, hoe het moet en kan tegen een dominé redeneeren".
„Daat gaat 't niet om, buurvrouw, 't Is met praten niet gedaan. Als iemand mij of een ander in het werk neemt, dan is het om arbeid te doen, en daar wordt het loon voor uitbetaald".
„Daarom zeg ik : elk op zijn plaats", kwam Gelske weer. De dominé op den preekstoel en elk ander in zijn eigen werk. 't Zou een vreemde wereld worden, als alle menschen dominé's waren. Als je ze hoort, dan weet een ieder te zeggen hoe er moet worden gepreekt en wat er aan ontbreekt. Neem Murk maar" — en hier gingen de oogen onwillekeurig naar de ramen van vrouw Kalma, die als altijd de deur gesloten had, maar aan wie het niet ontging, wanneer een van haar huis het onderwerp van gesprek werd. „Wat wist Murk vroeger van preeken af ? We hebben hem allen gekend als een armen stumperd, bijna geen kleeren aan, die blij was met een maal eten. Maar nu hij den berg opgaat, weet hij overal van mee te praten. Vroeger kwam hij nooit in een kerk en nu is zijn plaats nimmer ledig ; ten minste tot hiertoe ! 'k Begrijp zulke menschen niet”.
„Maar ik begrijp jou nu heelemaal niet meer, buurvrouw. Wèl naar de kerk gaan is niet goed, thuis blijven is ook niet goed ; 't geld regeeren laten, keur je af, en dat iemand zich omhoog tracht te werken, is verkeerd. — Hoe moet het dan? ”
„Ik wil elk rustig aan zijn lot overlaten, zonder dat de een zich met den ander bezig houdt ; een ieder heeft meer dan genoeg aan zichzelf”.
„En wij zijn druk bezig met Murk? ”
„Nu ja, om die vergadering van gisteravond”.
„En omdat wij zoo goed weten, wat hij voorheen geweest is” — zei Klaske.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's