De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

12 minuten leestijd

De gansche natuur verdorven.
Is het vleesch dan zoo verkeerd, dat het met zijn gansche gezindheid krijg voert tegen God, zoodat het met de gerechtigheid van Gods Wet niet kan overeenstemmen ?
Kan er dus niets uit voortkomen dan wat des doods is?
Dan kan men daaruit niets goeds opmaken.
Calvijn komt den tegenspreker reeds tegemoet.
Vleesch, wat beteekent dat eigenlijk ? Is vleesch niet het zinnelijke en dus het lagere deel der ziel ? Dat is althans de voorstelling der klassieken, waarop reeds een en ander maal gewezen werd.
Doch deze uitvlucht wordt spoedig afgesneden. Immers de Heere God zegt: gijlieden moet wederom geboren worden. Dat betreft dus den geheelen mensch en dus ook de geheele ziel. Niet slechts een deel, maar het geheel.
Vleesch is de tegenstelling van Geest. Wij hebben niets dat Geest is, dan alleen uit de wedergeboorte, zoo gaat Calvijn verder.
Onze geheele natuur, zooals die is, wordt vleesch genoemd. Calvijn verstaat dit ook uit Efeze 4 vers 23 : de vernieuwing des gemoeds, waarvan Paulus spreekt, beteekent vernieuwing van de gansche ziel.
Hij verklaart dat uit Paulus' beschrijving van de ijdelheid des gemoeds (Ef. 4 vers 17, 18), waaraan toegevoegd wordt: verduisterd in het verstand, vervreemd van het leven Gods door onwetendheid en verharding des harten.
Wat Paulus van de heidenen zegt, geldt van allen, die niet wedergeboren zijn.
Een ander getuigenis haalt Calvijn uit Jesaia 60 vers 1, waar gesproken wordt van het eeuwige licht, dat over de Kerk zal opgaan. Het ligt dus voor de hand, dat buiten de kerk duisternis is.
Het hart des menschen is bedorven, en dat gaat ons gansche geslacht aan. Wie daarvan nog een getuigenis van noode heeft, zie bij Paulus, die allen hoogmoed terneder stoot, als hij zegt: dat er niemand goed is, tot niet één toe. Daar is niemand verstandig, niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand, die goed doet, ook niet tot één toe. Hun keel is een geopend graf, met hun tong plegen zij bedrog, slangenvenijn is onder hun lippen. Hun mond is vol van vervloeking en bitterheid. Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten. Vernieling en ellende is in hun wezen, en den weg des vredes hebben zij niet gekend. (Rom. 3 vs. 10—17).
Dit alles treft het gansche geslacht van Adam en de menschelijke natuur als geheel. De apostel zegt dit alles niet alleen om te bestraffen, maar om te onderrichten, zoodat de mensch alleen is aangewezen op de barmhartigheid Gods. En opdat dit klaar en duidelijk zij, spreekt Paulus van de verdorvenheid der menschelijke natuur, opdat wij van haar geen verwacht ting hebben.
In de eerste plaats ontneemt hij den mensch den staat der rechtheid, daarna zijn verstand en kennis. Dat blijkt uit den afval van God, omdat de eerste trap der wijsheid is God te zoeken.
Vervolgens spreekt hij over de boosheid, die uit het hart opkomt.
Ten slotte zegt hij, dat er geen vreeze Gods is, die ons leven behoorde te regelen.
Ziedaar het erfelijk goed van het menschelijk geslacht.
Wie kan daarvan nu eenig goeds verwachten ?
Zeker, al de boosheden, die Paulus opsomt, komen niet in ieder mensch te voors schijn. Dat is wel zoo, maar dat neemt niet weg, dat dit veelhoofdige monster in het hart van een iegelijk verborgen is.
Het lichaam kan wel krankheden bergen en stof tot krankheid vergaderen, waarvan men de pijn nog niet gevoelt, maar dan is dat lichaam toch niet gezond.
Zoo is het ook m.et de ziel, of eigenlijk nog erger. De vergelijking gaat niet op. Het lichaam kan in zulk een toestand zijn en toch nog kracht hebben, maar de ziel, eenmaal in de zonde gevallen en verdorven, is van alle goed ontbloot.
De natuurlijke moraal.
Ten allen tijde zijn er menschen geweest, die een leven lang gestaan hebben naar de deugd uit de leiding der natuur. En Calvijn geeft bovendien toe, dat zij vaak door zulk een oefening een bewijs hebben geleverd, dat er toch wel eenige zuiverheid in de natuurlijke zede is.
Men schijnt dus niet te kunnen zeggen, dat de natuur ten eenenmale bedorven is. Daar zijn er, die uitmunten door deugd en zich gestadig een leven lang zoo gedragen.
Dat is dus niet in overeenstemming met de voorstelling van een algeheele verdorvenheid, waarover Paulus spreekt.
In dat verband echter heeft Calvijn reeds opgemerkt, dat de algeheele verdorvenheid wel bij een iegelijk woont, maar zich niet bij alle menschen in dezelfde mate openbaart.
Thans wijst hij er op, dat God de teugels houdt en hoewel Hij de verdorvenheid niet wegneemt, bedwingt Hij toch het kwaad.
Zoo is het dus Gods genade, als het tot de openbaring der verdorvenheid op zoo ernstige wijze niet komt. Doch niemand meene, dat hij vrij is van den innerlijken staat, die ons door den apostel wordt beschreven. Dit zou wel blijken, indien de Heere hem aan de driften en neigingen van zijn gemoed overliet.
Nu moet echter tweeërlei worden in aanmerking genomen. 1°. De Heere geneest Zijn uitverkorenen. 2°. Anderen legt Hij een teugel aan, opdat het kwaad binnen de perken blijve.
Daaruit komt het voort, dat sommigen uit vrees voor de Wet weerhouden worden van overtreding en onreinheid.
Anderen leiden een eerbaar leven, omdat zij meenen daarbij het beste te zullen welvaren. Uit een oogpunt van nuttigheid dus.
Sommigen houden zich ingetogen om daardoor ook anderen te kunnen bedwingen.
De geschiedenis maakt gewag van zeer schoone voorbeelden van deugd en voortreffelijkheid. En Calvijn geeft dat ook toe. De zaak echter, waarover het gaat, wordt niet veranderd. Terecht vraagt hij, waaruit blijkt het, dat de natuur van die menschen zoo goed en zoo deugdzaam is ? Waaruit weet gij, dat de natuur van zulke deugdzame menschen die voortreffelijke gaven voortbrengt en dat het niet Gods bijzondere genade is?
Niemand zal bovendien beweren, dai ook de voortreffelijkste mensch geen ondeugden en gebreken heeft. Calvijn houdt zich aan de beschrijving van Paulus omtrent de verdorvenheid van den mensch en houdt de voortreffelijkheid voor een bijzondere gave Gods, welke Hij ook aan niet-wedergeborenen bewijst.
Het gewone spraakgebruik maakt ook onderscheid tusschen den ingetogen deugdzamen man en de booze en misdadige naturen.
Hoe deugdzaam en schoon de natuurlijke mensch zich ook vertoont, tot de ware vreeze Gods komt het zonder wedergeboorte niet. Allen, die van Christus vervreemd zijn, missen de vreeze Gods en het beginsel der ware wijsheid.
Daar ligt dus de voornaamste onderscheiding. De burgerlijke deugd en gerechtigheid kan onder de menschen een goeden naam geven, zij kan voor den wereldlijken rechter bestaan, en voor dit leven heeft dat zonder twijfel een waarde, maar de groote levensvraag is, of wij voor God kunnen bestaan.
Daarom wijst Calvijn op de gerechtigheid, die een gave der wedergeboorte is.
Van een natuurlijke moraal, die nog iets goeds zou bevatten of op iets goeds in den mensch zou bouwen, wil Calvijn dus niets weten. De wil des menschen is gevangen in dienstbaarheid der zonde. Hij is niet bij machte den mensch ten goede te bewegen.
Indien er al eenige drang en beweging ten goede voorkomt bij een mensch, dan is deze het allereerste beginsel tot bekeering en moet aan Gods genade worden toegeschreven. (Jer. 31 : 18).
De geestelijke verlossing is een werk Gods. De profeet spreekt van verlossing en losmaking van de macht der zonde. En zelfs wanneer deze kracht der genade in een mensch werkt, dan nog blijft de wil met zijn haastige neiging tot de zonde.
Door de zonde werd de mensch niet beroofd van zijn wil, maar van de gezindheid van zijn wil.
Calvijn wijst daarop nog eens, omdat hij het wilsvermogen op zich zelf beschouwt en zoodanig, dat het een gezonde en een kranke beweging kan teweegbrengen, respectievelijk ten goede of ten kwade.
Het bloote willen komt dus den mensch toe, het kwade willen komt op rekening der verdorven natuur, en het goede willen komt der genade toe. Hij volgt daarin den Middeleeuwschen leeraar Bernard van Clairvaux.
Men kan dat zoo zeggen, doch ieder zal toegeven, dat men van een bloote wilskracht zonder meer niets weet. Wij kunnen ons eigen wilsleven slechts waarnemen in acute gevallen en altijd in betrekking tot zekere zaak en die betrekking is goed of kwaad.
Het goede of het kwade is altijd reeds aan den wil verbonden als wij iets willen. Wil men daaruit concludeeren tot een bloote wilskracht, die aan den mensch eigen is, de mensch is een redelijk-zedelijk wezen. Zoo goed als men van het redevermogen als de drijfkracht van het redewezen kan spreken, is er aanleiding om ook over het wilsvermogen te spreken.
Aan deze beschouwing behoeft men zich niet te stooten, doch meer aanstoot verwekt de volgende opmerking van Calvijn, dat de wil van zijn vrijheid is beroofd en noodzakelijk gedreven wordt ten kwade. Hij vindt daarin niets ongerijmds en wijst er op, dat hij in goed gezelschap verkeert, als hij dat zegt, want de heilige Schrijvers hebben dit ook gedaan.
Nochtans weet hij, dat hij daarmede aanstoot verwekt en zooals het er staat uitgedrukt, maakt het inderdaad op ons een aanstootelijken indruk. Onze wil noodzakelijk ten kwade geleid. De Dordtsche Synode heeft ook over deze zaak gehandeld en in die dagen stootte men zich er ook aan.
Wat zegt echter Calvijn ?
Gij maakt geen onderscheid tusschen noodzakelijkheid en dwang.
Men verstaat het woord noodzakelijkheid niet goed. Vraag, of God niet noodzakelijk goed is en de duivel noodzakelijk kwaad, en men zal u toegeven. De goedheid behoort tot het Wezen Gods en daarom zeggen wij dat God even noodzakelijk God als goed is. Welnu, zoo is het ook met den duivel. Na zijn val is hij zoozeer van alle goeds vervreemd, dat hij alleen maar kwaad kan doen.
Welnu dus, als de goedheid niet minder dan de Godheid Gode eigen is, blijft God niet vrij om te willen ? Het is Zijn goddelijke deugd immers, waardoor Hij niet anders dan goed doet. Zijn wil blijft nochtans vrij. Hij doet vrijwillig goed.
De duivel kan in zijn vervreemding van God niet anders dan kwaad doen, maar hij doet dat vrijwillig.
Zoo zondigt ook de mensch vrijwillig, al is het dat hij niet anders kan.
Als Calvijn het woord noodzakelijk gebruikt in dit verband, is dat een waardeering van de gesteldheid der zaken, maar het bedoelt niet dwang, als werd de mensch gedwongen om kwaad te doen.
Het gelijk is dus aan den kant van Calvijn. De mensch wordt niet door een uitwendigen dwang tot zonde gedwongen, niet tegen zijn wil in, maar hij zondigt willig. Wat gewillig is, dat is vrij.
Hij beroept zich voorts op oudere schrijvers, Augustinus e.a., die op dezelfde wijze over deze dingen hebben gesproken.
Sommigen hebben echter de zaak vertroebeld, doordat zij geen onderscheid maakten tusschen noodzakelijkheid en dwang. Overigens stelt Calvijn er prijs op, dat hij ook in dit stuk geen nieuwe leer verkondigt, maar waarheden, die reeds lang vóór hem anderen hebben gezegd en die wel duizend jaar door de monniken in de kloosters zijn bewaard.
Van de genezing der verdorven natuur.
Gods genade schenkt, wat wij niet hebben. Het gevolg daarvan is, dat wij ons
gebrek eerst recht zien, wanneer het werk Gods in ons begint.
Het begin der genezing vangt aan in den wil. God begint het goede werk in ons, door in ons hart een liefde te ontsteken tot gerechtigheid. Hij buigt, schikt en beweegt ons hart tot gerechtigheid en brengt dat werk tot voleinding.
De Heilige Schrift gewaagt daarvan veeltijds : Ik zal u een nieuw hart geven, een nieuwen geest in het binnenste, voor het steenen hart zal Ik een vleezen hart in de plaats geven, e.d. (Ezech. 36 : 26).
Met allen nadruk en telkens weer bestrijdt Calvijn de gedachte aan een natuurlijke gerechtigheid. Ook hier merkt hij wederom op, dat men geen grond heeft om deze uitdrukkingen zoó te vertolken, alsof God den wil des menschen alleen maar te hulp komt. Een vleezen hart in de plaats stellen van een steenen hart, is toch wel zoo duidelijk en radicaal uitgedrukt, dat misverstand schier niet mogelijk is.
Indien er eenige zachtheid in een steen is, zoo zegt Calvijn, die wakker gemaakt en omgebogen kan worden, zal ik ook erkennen, dat het menschenhart
omgebogen worden kan tot gehoorzaamheid, als alleen maar eenige zwakheid door de genade Gods wordt geholpen.
Maar als de Heilige Geest zoo duidelijk het gansche werk aan zich zelf toeschrijft, laten wij dan toch niet zoo dwaas zijn om er ons zelf ook iets van toe te eigenen.
Indien een steen wordt veranderd in vleesch, wanneer ons de Heilige Geest tot betrachting der deugd brengt, dan wordt onze eigen wil vernietigd en hetgeen er voor in de plaats komt, komt van God.
De wil vernietigd.
Men moet dat wèl verstaan. Calvijn wil daarmede niet beweren, dat de wil als wil verdwijnt. Al wat aan onze-natuur naar de schepping toekomt, blijft geheel, zoo luidt zijn radicale grondstelling.
De wil wordt nieuw gemaakt, niet op die wijze, dat hij van nieuws aan begint. Het is dus niet zoo : de wil verdwijnt en in de ledigheid van dezen wil groeit een nieuwe wilskiem tot wil uit. Zoo is het niet.
Calvijn bedoelt, dat de wil begint goed te worden. En dat doet God, aangezien wij nog niet eens bekwaam zijn om iets te denken. (2 Cor. 3 : 5). God werkt in ons het willen. Ph. 2 : 13). Daar staat niet, dat Hij een zwakken wil helpt en een kwaden verbetert. Daarom alle goed is genade Gods. Daarom zegt de apostel, dat Hij alles in allen werkt. (1 Cor. 12 vs. 6).
God is de werkmeester van het nieuwe leven. De apostel noemt het een nieuwe schepping, waardoor vernietigd wordt hetgeen tot de gewone natuur behoorde. Zoo leert hij ook, dat wij Gods maaksel zijn, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke Hij voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's