De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Geen natuurlijke moraal.
Calvijn laat dus geen ruimte over voor een natuurlijke moraal en het is de aandacht waard op te merken, hoe nauwkeurig hij alle beginsel van menschelijke verdiensten bestrijdt. Alle zijweegjes en achterdeurtjes worden ten eenenmale afgesneden.
Zoo begint hij met de gedachte, die bij sommigen heeft postgevat, dat de wil door eigen aard van het goede afgekeerd, maar door God ten goede gekeerd, hetgeen alleen door Gods kracht geschieden kan, nadat dit geschied is, deel heeft aan de goede werken.
Men verstaat dit zoo op grond van een uitdrukking van Augustinus, die den wil een kamenier der genade noemt. Het woord wil is in het Latijn vrouwelijk. Vandaar het beeld. Wij zouden kunnen zeggen, dat de wil een huisknecht of een lakei der genade is.
Augustinus bedoelt, zoo betuigt Calvijn, dat de menschelijke wil altijd achteraan komt en een dienende functie heeft. De genade gaat vooruit. De mensch gehoorzaamt niet door de kracht var zijn wil, maar door die der genade. De verdiensten zijn aan de genade en niet aan den mensch.
Hij keurt daarom de meening van Chrysfostomus af, als zou de genade niets zonder den wil en de wil niets zonder de genade vermogen. Nogmaals herinnert hij aan het woord van Paulus, dat ook het willen een werk der genade is.
Nog enkele bewijzen meer uit Augustinus toonen aan, dat deze klaar en duidelijk alle verdiensten des menschen uitsluit en dat hij nadrukkelijk leert, dat het beginsel van het goede in verstand, begeerte en daad altijd van God komt.
Dat komt ook geheel met de Heilige Schrift overeen. Daar wordt geen wil ten goede gevonden dan in den uitverkorene.
Het zal reeds duidelijk geworden zijn, dat Calvijn met het woord wil een ander begrip op het oog heeft dan het moment van beslissing, waarvoor wij van oogenblik tot oogenblik worden gesteld. Telkens staan wij in het aardsche leven voor een veelheid van mogelijkheden. Men kan langs verschillende straten het station bereiken, maar iederen keer, als men naar 't station wandelt, kiest men zijn weg. In ons dagelijksch werk staan wij vaak voor de vraag : hoe zal ik het aanpakken. Verschillende manieren leiden tot het doel. De schooljongens leeren reeds verschillende methoden om een vraagstuk op te lossen.
Zoo is heel het leven vol en iedere daad vraagt een beslissing. Kiest men de éene mogelijkheid, dan laat men de andere varen.
Zulk een beslissing wordt veelal voor de wilsdaad genomen, alsof daarmede alles gezegd was en alsof men voor de keuze staande geheel en al op zich zelf, zoowel den eenen weg als den anderen kan kiezen.
Zoo doet het zich ook aan ons voor en de mannen van den vrijen wil wijzen altoos weer op dit gevoelen.
Zoodra men echter nauwkeurig acht slaat op alle bewegingen en overwegingen van ons gemoed, welke aan zulk een beslissing gepaard gaan, komt men tot de ontdekking, dat men zoo eenvoudig over den wil niet kan oordeelen. Ook niet in de alledaagsche omstandigheden.
Het willen, het wilsleven is een gecompliceerd proces, dat met het zieleleven als geheel verbonden is.
Van veel meer belang is de algemeene levensinstelling, die over al ons doen en laten beslist en waardoor geheel onze levensuiting, ons leven en streven, wordt bepaald.
Daarom heeft Calvijn zonder twijfel goed gezien, dat het willen een veel meer omvattenden inhoud heeft. Wij hebben gezien, dat hij ook onder het verstand niet alleen het intellect verstaat maar ook daaraan een veel rijkeren inhoud toeschrijft, zoodat het mede de geestelijke vermogens omvat en een veel ruimer plaats in het gemoedsleven inneemt: inzicht en levenswijsheid.
Zoo is het ook met het wilsleven. Calvijn verstaat daaronder de gezindheid des harten. Als hij derhalve reeds verschillende keeren heeft gewezen op het Woord van God, dat de gedichtselen des harten boos zijn, dan is daarmede de booze gezindheid, waaruit alle booze werken opkomen, geteekend.
Die booze gezindheid wordt niet veranderd dan door de daad Gods, gelijk ook de werkingen en begeerten, die uit de goede gezindheid voortspruiten, wederom een werk der genade zijn.
Zoo is de wortel en de werkzaamheid dezer goede gezindheid des harten een werk Gods.
Als wij het zoó zien, kan het ook duidelijk zijn, dat Calvijn geen plaats geeft aan de gedachte, dat eenige beweging van den wil buiten de werking der genade zou staan en den mensch eenige verdienste zou toebrengen.
Het is dus geen onverwachte sprong, als Calvijn op de goddelijke verkiezing grijpt. De omkeering des harten is een daad Gods, die alleen bij hem wordt gevonden, aan wien de genade zulks bewijst.
Zoo openbaart zich de wil ten goede ook in het leven der waarachtige religie, m.a.w. in het geloof, en neemt zijn oorsprong dus uit het beginsel des geloofs.
Een en ander wordt in het licht gesteld door de plaats, waar gesproken wordt van het steenen hart, dat de Heere wegneemt om een hart van vleesch daarvoor in de plaats te geven. Als het steenen hart wordt weggenomen, ontstaat daar een ledige plaats, welke wordt vervuld door hetgeen de genade werkt, n.l. de vreeze Gods. De Heere schept een nieuwen geest in het binnenste. Ik zal hun eenerlei hart en eenerlei weg geven om Mij te vreezen alle de dagen. En Ik zal Mijn vreeze in hun hart geven, dat zij van Mij niet afwijken. (Jeremia 32 vers 39). En Ik zal hun eenerlei hart geven en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven ; en Ik zal het steenen hart uit hun vleesch wegdoen en zal hun een vleezen hart geven. (Ezechiël 11 vers 19).
* Daarmede stemmen de gebeden der heiligen overeen. Salomo vraagt, dat de Heere zijn hart neige. (1 Kon. 8 vs. 58). De psalmist vraagt: Neig mijn hart en voeg het saam tot de vrees van Uwen Naam. Neig mijn hart tot Uwe getuigenissen. David bidt : Schep mij een nieuw hart en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. (Ps. 119 vs. 36; 51 vs. 12).
In deze plaatsen ligt de belijdenis, dat het hart geheel onzuiver is en dat het nieuwe hart een schepping Gods is.
Opmerkelijk is het licht, dat Calvijn in dit verband op den Sabbath, d.w.z. op de Sabbathsrust werpt. Hij ziet die als een rusten van ons eigen werk, opdat God aan Zijn eer kome. Dat is een zware eisch, want wij laten ons werk niet varen, om Gods werk plaats te geven. Zoo is dan de ware Sabbathsrust in de ware godsvrucht gelegen, welke deze dingen verstaat en aan de onwijsheid is ontdekt, waardoor wij verhinderd worden zulks te zien.
De Heere Jezus betuigt: Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de Landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht daagt, die neemt Hij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht dragen, alzoo ook gij, zoo gij in Mij blijft, want zonder Mij kunt gij niets doen. (Joh. 15 vs. 1 V.V.).
Dit beeld is zoó duidelijk, dat het geen nadere verklaring behoeft. Immers, wanneer men in den groei van den wijnstok erkent wat van God is, blijft er niets voor den wijnstok over. Brengt men dat op de goede werken over, dan volgt : indien het werk Gods erkend wordt, blijft er voor den mensch niets over.
Het ligt ook voor de hand, dat men dit niet kan verminderen door de opmerking, dat de wijnstok niet alles ontvangt uit de aarde, doch ook zelf aan de vrucht iets toedoet. Het geheele leven van den wijnstok is van God. Wanneer de wijnstok wordt afgesneden van de aarde, is hij waardeloos hout, zoo ook, wanneer de mensch van God is afgescheiden, is hij daaraan gelijk. Alle plant, die Mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Want het is God, die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen. (Matth. 15 VS. 13 en Phil. 2 vs. 13). De eenige God werkt alles in allen. (1 Cor. 12 VS. 6).
Het is zelfs zoo, dat zij die oprecht gezind zijn, nog aan velerlei afdwalingen onderworpen zijn, zoodat David bidt, dat hem Gods wegen geopenbaard mogen worden, opdat hij in Zijn waarheid wandele, daarbij voegt: neig mijn hart tot de vreeze Uws Naams. Psalm 86 vs. 11). Vgl. ook Psalm 119 vs. 18.
Derhalve wil Calvijn ook niet weten van eenigen middenweg, alsof slechts hulp en bijstand van God voldoende waren. Dat zou beteekenen, dat onze wil er moet zijn en eenige kracht ten goede zou hebben.
Het staat dus niet zoo, dat de genade aan niemand wordt geweigerd, die zijn best doet zooveel hij kan, want het is alles genade. Ook het zoeken van God is genade.
Dat is juist het voorrecht der uitverkorenen, dat zij door Gods Geest wederomgeboren zijn en door Zijn beleid geregeerd worden.
Alzoo schrijve men eenerzijds den mensch geen wil ten goede toe, maar bewere óok niet, dat het getuigenis der verkiezing aan allen wordt geschonken.
De natuur is algemeen, maar de genade niet, heeft Augustinus opgemerkt. Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke. (Joh. 6 vs. 44). Een iegelijk die uit God geboren is, doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem. (1 Joh. 3 vs. 9).
De volharding des geloofs is evenzoo een onverdiende gave Gods.
Ook daaromtrent is anders geleerd door de voorstanders van den vrijer, wil, alsof men de aangebodene genade zou kunnen aannemen of verwerpen.
Over dit stuk behoeft niet meer gesproken. Zoodra men inziet, dat zulk een goeddunken in des menschen macht niet is, wijl hem daarmede te veel wordt toegeschreven, zal ook de gave der volharding als Gods gave worden erkend.
Altijd weer beproeft men toch eenige verdienste aan zichzelf te trekken. Zoo zou het dankbaar gebruik van de genade Gods grond zijn tot meerdere genade. De dankbaarheid zou dus weer nieuwe genade verdienen.
Het schijnt in het leven van de waarachtige religie wel zoo te zijn, doch men bedenke, dat niet des menschen verdiensten oorzaak der nieuwe genade zijn, maar enkel 'sHeeren goedgunstigheid.
Zoo is er geen grond om te spreken van werkende en medewerkende genade, gelijk men dat gedaan heeft en nog doet.
Alle genade heeft haar oorsprong in het vrije welbehagen Gods.
Weliswaar gaat de ware Godsvrucht gepaard met bereidheid en volvaardigheid van gemoed. Doch Calvijn wijst er terecht op, dat dit zijn oorzaak daarin vindt, dat de Heilige Geest zichzelven gelijk blijft en zulk een genegenheid niet alleen opwekt, maar ook uitwerkt en onderhoudt.
Zoo zegt ook Paulus : Maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is, daarmede zijn arbeid aan de genade Gods toekennende.
Slechts misverstand van den tekst, wanneer men hieruit een bewijs van medewerkende genade wil halen. Een zuivere vertaling van den grondtekst— zoo Calvijn — toont aan, dat hij de genade als de werkster noemt.
Vervolgens geeft Calvijn zich moeite om de Pelagianen van zijn tijd te overtuigen, dat hij de oudheid niet tegen heeft, gelijk zij beweren.
De Pelagianen van onzen tijd spreken niet zooveel over de oude theologie. Bovendien is genoegzaam uit Augustinus aangehaald, zoodat het overbodig mag heeten daarop verder in te gaan.
Een argument, dat honderd procent waarheid bevat, is voldoende om de zaak te bewijzen. Zulk een argument, aan Gods Woord ontleend, is meer waard dan honderd getuigenissen van menschen.
Welnu, als God zegt: zonder Mij kunt gij niets doen, is dat zoó radicaal, dat wij verder geen bewijs behoeven. Wie bedenkt, hoezeer wij in alle dingen afhankelijk zijn van God, zal verstaan, dat zulks in de genade niet anders is dan in de natuur.
Het gaat echter niet om het bewijs, maar om het zien, dat het zoo is, m.a.w. om de ware vreeze Gods.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's