De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

„TWEEËRLEI AANNEMING”?
Bij ons nasnuffelen inzake hetgeen geschreven is over de z.g.n. „aanneming en bevestiging van lidmaten", trof ons weer, dat al zoo dikwijls is aangedrongen op tweeërlei „aanneming". De eene, een voorloopig onderzoek naar Bijbelkennis en geloofsleer, een soort examen, waarop dan recht verkregen wordt op de „voordeelen", die aan het „lidmaatschap der Kerk" verbonden zijn, b.v. om in tijd van nood „bedeeling" te mogen ontvangen, recht op weeshuizen voor de kinderen, recht op een hofje voor ongehuwden of gehuwde paren, recht op het lidmatenhuis of tehuis voor ouden van dagen, enz. Dat zijn de „voordeelen" van „het lidmaatschap", die zoo dikwijls begeerd en gezocht worden. Wij hebben het zelf bij ervaring, dat een moeder ons kwam spreken over „de aanneming" van haar dochter, die 16 jaar geworden was, eenigen tijd op catechisatie was geweest, maar ^og „geen zin" had om belijdenis te doen. De moeder wilde het toch wel graag en vertelde ons (waar de dochter bij zat), dat ze tot haar gezegd had : „stommeling, je weet toch nooit wat je wel eens overkomen kan. en dan zou je geen bedeeling van de Diaconie kunnen krijgen "
Nu heeft men al zoo dikwijls voorgeslagen om te komen tot een z.g.n. „tweeërlei aanneming", en wel van degenen, die wenschen te verklaren, na catechetisch onderricht, dat ze „lid van de Kerk willen worden". Die zouden dan, na onderzoek, kunnen worden toegelaten tot het lidmaatschap, zonder meer, om recht te hebben op de z. g. n. „voordeelen" ; maar verder moest dan het lidmaatschap niet gaan. Stemrecht b.v. krijgen ze er niet mee, en ook is het geen toelating tot het Heilig Avondmaal.
Indien men dan daarna zou willen toetreden tot het Heilig Avondmaal en alzoo in de geestelijke rechten en voordeelen van de Kerk zou willen deelen, zou men zich, met bewijs van de eerste aanneming, tot den Kerkeraad moeten wenden, om dat te vragen. Op deze aanvrage zou een kort, geestelijk onderzoek moeten plaats hebben en door den Kerkeraad zou dan het volle lidmaatschap kunnen worden verleend. Dat houdt dan in : het volle lidmaatschap, met toelating tot het Heilig Avondmaal. Ook het bezit van stemrecht.
Die tweede en meer „geestelijke" onderzoeking en aanneming zou dan moeten gaan over de meer geestelijke kennis ; of zooals Schortinghuis het noemt : „eene belijdenisse niet alleen des monds, maar des harten, hoe de belijder omtrent deze.zalige en dierbare waarheden des Evangeliums min of meer verstandig onderscheiden en bevindelijk voor zichzelven werkzaam is". (Het innige Christendom, tot overtuiginge van onbegenadigde, bestieringe.en opwekkinge van begenadigde zielen, enz., door Willem Schortinghuis. 3de Druk, 1742 ; bladz. 149).
Deze tweede „aanneming" zou dus moeten geschieden, als men behoefte had om „belijdenis des geloof? af te leggen met mond en hart" en men begeerte koesterde om met de Gemeente van Christus mee aan te zitten aan den disch des Verbonds.
Dr. J. H. Gunning J.Hzn., die over deze dingen schrijft in „Onze Eeredienst" (J. B. Wolters, Groningen, 1890) maakt hierbij de opmerking : „Juist doordat alle voordeelen aan de eerste aanneming verbonden zouden zijn, zou wellicht de tafel des Heeren er veel minder door ontwijd worden. Want inderdaad is thans zoowel het lidmaatschap als de geloofsbelijdenis van velen niets dan een fictie".
Om ons bij deze dingen nog ietwat historisch , te oriënteeren (want hoe dikwijls is reeds over „de tweeërlei aanneming" geschreven !), noemen we hier ook een paar geschriften, die dr. Gunning in een noot onderaan blz. 136 van „Onze Eeredienst" opgeeft. Het zijn : ten eerste een referaat door dr. Merens, Herv. pred. te Utrecht, gehouden op de Utrechtsche Predikantenvergadering van 1667 (opgenomen in „De Vereeniging, Christelijke Stemmen", deel XXI, blz. 781—789 ; vervolgens een brochure van ds. H. Pierson, getiteld : „Aan de moderne predikanten in de Ned. Herv. Kerk", 1876 ; het derde geschrift, waar deze gedachte bepleit wordt, is dan „Geloof en Vrijheid", 1876, blz. 335.
Uit de brochure van ds. H. Pierson blijkt, dat hij spreekt van „het eerste examen, hetwelk het „voorloopig lidmaatschap" verwerft, op ongeveer 18-jarigen leeftijd en dat hij zoo eenvoudig mogelijk zou willen inrichten, met ongeveer deze vraag : „Is het uw ernstige wensch u bij de Kerk aan te sluiten, teneinde in haar gemeenschap tot een welbewuste levenskeus te komen ? " Hierop volgt (aldus ds. Pierson) het recht van verpleging in geval van armoede. Wannneer men dan binnen de twee jaren zich tot het Heilig Avondmaal wil begeven, wordt men daartoe, na eenvoudige kennisgeving zonder nader onderzoek toegelaten, en dan is men volledig lidmaat. Is het echter langer geleden dat men „voorloopig lidmaat" werd, dan kan het volledige lidmaatschap alleen verkregen worden met aflegging van eenige belijdenisvragén.
Ds. Pierson wil vooral de aansluiting aan de Kerk tot een vrijwillige daad maken, en verwacht daar veel meer van dan van éénige formule.
Wij willen hier nu tenslotte nog even vermelden wat Calvijn inzake „het belijdenis doen" schrijft in zijn Institutie, Boek IV, hoofdstuk 19, paragraaf 13. Hij heeft het daar over het z.g.n. sacrament der Roomsche Kerk, het Vormsel genaamd. Dat heeft Rome gemaakt tot een „goddelijk sacrament", en 't dient, naar men meent, tot versterking en tot vermeerdering der genade in hen, die door den Doop zijn wedergeboren. De kinderen worden, aan het eind van hun kinderlijken leeftijd of in 't begin hunner jongelingschap, voor den bisschop gesteld, om door hem gezegend te worden en bijzonder om door hem met olie „gezalfd" te worden, onder het uitspreken van de formule : „Ik teeken u met het teeken van het heilige Kruis, en versterk u met de zalving der zaligheid in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes". Calvijn noemt dat een naapen van de Apostelen" (Hand. 8 vers 15 ; zie ook Joh. 20 vers 22, enz.). En hij verwerpt die zalving met „de olie der zaligheid" beslist, en noemt het Vormsel een „schandelijke beschimping en verduistering van den Doop", „een bedrjegelijke belofte des duivels, die ons van de Waarheid Gods aftrekt". Dat zij het „Vormsel" nog boven den Doop achten, bewijst de Roomsche Kerk, doordat zij leert, dat de Doop door den priester zal geschieden, maar het Vormsel mag alleen door den bisschop worden toegediend !
„Wenschelijk is het", zoo zegt Calvijn dan (IV, 19, 13) „dat wij ons bij de oorspronkelijke instelling houden, n.l. een Christelijke onderwijzing, waardoor de kinderen of de aankomende jongelieden rekenschap zouden afleggen van hun geloof". „En dit zou de beste manier van onderwijzen zijn, indien een formulier" (Calvijn bedoelt hier een soort „Kort Begrip" of ; , Kleine Catechismus" (geschreven v/as tot dit doel, bevattend en op eenvoudige wijze uitleggend de hoofdinhoud van nagenoeg alle hoofdstukken van onze religie, waarmee de gansche Kerk der geloovigen, zonder verschil van meening, moet instemmen". „En dat een kind van tien jaar zich aan de gemeente zou aanbieden, om belijdenis des geloofs af te leggen ; dat het dan ondervraagd zou worden over ieder hoofdstuk, en op alle vragen antwoordde. In geval dat het iets niet wist, of minder goed begreep, zal het dan onderwezen worden".
„Zóó zou het dan het eenige, ware en zuivere geloof, waarmee het volk der geloovigen eendrachtig den waren God dient, onder getuige en ten aanschouwe der Kerk belijden".
„Indien deze gewoonte tegenwoordig van kracht was", zoo besluit Calvijn, „dan zou voorwaar de traagheid van sommige ouders opgescherpt worden, die het onderwijs hunner kinderen, alsof het een zaak was, die hun niet aangaat, onbekommerd verwaarloozen, terwijl ze het dan zonder openbare schande niet zouden kunnen nalaten. Er zou grootere eendrachtigheid des geloofs zijn onder het Christenvolk, en de onkunde en onwetendheid van velen zou niet zoo groot zijn ; en sommigen zouden niet zoo gemakkelijk door nieuwe en vreemde leerstukken meegesleurd worden. Hierdoor zouden ook allen meer een zekeren methodischen gang in het onderwijs der Christelijke leer hebben". (Institutie, uitgave dr. A. Sizoo, Deel III, blz. 528).

HET CHRISTENDOM IN DEN BAN!
In Duitschland is zich nog steeds een groote verandering aan het voltrekken inzake onze levens-en wereldbeschouwing. Dat is onlangs nog weer openbaar geworden in een beschouwing van een zenuwarts, dr. Karl Hannemann te München, die een veroordeeling schreef over dr. Sigismund Freud, ook in ons land door z'n (gevaarlijke) psychologische studiën bekend. Freud is een Jood. En daarom alleen deugt er niets van hetgeen hij leert. Maar in het vonnis over Freud met z'n psycho-analytische school, waarbij de gevoelens des menschen altijd in verband gebracht worden met z'n sexueele driften, komt tegelijk uit, dat men in Duitschland leeft uit een allerwonderlijkste levensbeschouwing. Voor het verkeerde van Freud Wordt waarlijk niet iets beters, eer 't tegendeel, in de plaats gegeven. Een van de eerste bezwaren tegen Freud is dit (we hebben een artikel van dr. P. Prins, Geref. pred. te Deventer, pas gepromoveerd op een proefschrift : „Het Geweten", voor ons, zie Calvinistisch Weekblad van 10 Juni '38) „dat hij te zeer een geleerde is, die met heel zijn instelling tegenover de problemen uitgaat van de vermoeidheidsstemming, die het Westen kenmerkt". Zooiets als de Boeddhist ook doet in Indië en dan komt met z'n eigen „verlossings-godsdienst". Zooals het Christendom in Europa ook doet, en den menschen dan een eigen „verlossings-godsdienst" voorpraat. „Alleen tijden van wereldmoe-verval kunnen zulke leeringen als van het Boeddhisme en van het Christendom en van Freud indrinken", meent de Duitsche geleerde Hannemann.
„Achter de jammerlijke ideeën van Freud schuilt eigenlijk hetzelfde onvergeeflijke vermoeidheidsverschijnsel, dat óók in het Christendom te bespeuren is". „Men meent" (die „men" is dan óók de christen !) „dat een of andere vertoornde god de diepste oorzaak is van allerlei lichamelijk en geestelijk ziekteverschijnsel". „Zóó meenden ook allerlei volkeren der oudheid". En dat is voor den echten Duitscher onverdragelijk, dat men komt aandragen (ook het Christendom) met allerlei duistere verhalen van den oertijd, van negers en allerlei primitieve natuurvolken, die op zoo laag beschavingspeil stonden. „Ook de Joden stonden volgens Exodus 9 op hetzelfde standpunt. Hun bijgeloof had den waan, dat hun god Jahwe den weerspannigen Farao met veepest en allerlei andere plagen bestrafte".
Somber pessimisme komt aandragen met toornende goden. Daar ligt de verklaring van de godsdiensten, zoowel van den godsdienst van Boeddha, als van den Joodschen godsdienst, alsook van het Christendom!
En „Freud heeft zich nooit kunnen losmaken van dezen somberen kijk op den mensch ; hij heeft het oude erfgoed der Joden krachtens zijn bloed en ras nooit kunnen kwijt raken". „Ook de tweeheid van lichaam en ziel is een van de ongelukkige resten, die Freud zijn bijgebleven uit dit Jodenboek (n.l. de Heilige Schrift)".
Over de veroordeeling van Freud en zijn psycho-analyse treuren wij niet. Maar de redenen waarom men het in Duitschland, blijkens de beweringen van dr. Hannemann van München doet, doen ons klaar zien, dat de beweegredenen haat tegen den godsdienst zijn, haat tegen het Christendom, dat spreekt van zonde en oordeel, dat spreekt van de verlossing in Christus voor een arme wereld !
De wereld is niet arm, zegt men. De menschheid .— althans het echte Duitsche volk niet — is niet vol zonde en ellende : heeft geen verlossing noodig ; wil van geen Verlosser weten. Het Duitsche volk zal zich zelf wel helpen !
Men wil in Duitschland niet weten van „de Joodsch-Christelijke leer van de gebrokenheid", zooals het Oude Testament en zooals ook het Nieuwe Testament dat leert. Weg met die verderfelijke leeringen, die opkomen uit het hart van een moedeloos, krachteloos menschengeslacht.
„Men wil niets weten van de lamlendige gedachten van zonde en schuld voor eenigen God". „Een van nature goede mensch ; een mensch van Nordisch bloed, is uit en van zich zelf goed, als zijn bloed maar niet vermengd wordt met dat van andere rassen ; en wanneer zijn denkleven maar niet wordt vergiftigd door ideeën, als voorkomen in het Jodendom en in het Christendom". Wat de Duitscher noodig heeft, dat is de „wetmatige ontwikkeling van de rhythmische levensverschijnselen" bij den van nature goede mensch met Noorsch bloed in de aderen — waarvoor het Nationaal-Socialisme zorgen wil.
Men ziet : 't vonnis, dat over Freud wordt uitgesproken (en daarom is het ons hier te doen) treft tegelijk allen, die Christelijk denken.
Dr. Prins eindigt zijn artikel, waaruit wij enkele citaten gaven, met deze woorden, die wij geheel onderschrijven :
„Indertijd, toen het Nationaal-Socialisme nog in zijn eerste opkomst was, sprak ik mijn groote bezorgdheid uit in mijn boek „Hitlerregiem en religie" en wees reeds op deze zelfde gedachten. Van meerdere zijden werd me toen gevraagd : is 't nu heusch zoo erg ? Allen, die toen die vraag stelden, wordt in overweging gegeven te lezen het in dit opzicht droevig instructieve artikel van dr. Hannemann : „Deutsche oder Jüdische Psychotherapie", Münehener Medizinische Wochenschrift, 6 Mai 1938, pag. & 57 v. v. — waar rechtstreeks in de lijn van Alfred Rosenbergs: Der Mythus des 20-en Jahrhunderts wordt doorgeredeneerd.
Nu blijkt het zonneklaar, dat niet alleen een enkele Jood, die het wat al te bont heeft gemaakt, wordt in den ban gedaan, maar ook ieder, die de waarachtigheid van het Woord Gods belijdt en dat het ergste heidendom in Duitschland officieel van Staatswege wordt beschermd en op den troon wordt gezet !"
O zeker — het Nationaal-Socialisme heeft óók een godsdienst
Maar men moet niet vragen : welke godsdienst is dat.
Het is de godsdienst van den gaven, braven Duitscher met zuiver Noorsch bloed, die zich zelf helpen kan en zal — als het zuivere Noorsche bloed maar niet vermengd — en bedorven wordt — door Joodsch bloed ; ook niet door het bloed van den laffen, zwakken christen, die spreekt van zonde en oordeel, die spreekt van genade en verlossing — die spreekt van Jezus Christus en het Evangelie des Kruises.
Zulke pessimistische, moedelooze zwakkelingen gaan zich allerlei dwaasheden in het hoofd halen, en daarvan is het Nationaal-Socialisme niet gediend.
Weg er mee !
„Der Mythus des 20-en Jahrhunderts"
Verboden moet het worden, in de scholen, in de jeugdbeweging, in de litteratuur. Als iets aparts voor het gezin en voor een uur catechismusonderwijs kan en mag het nog.
Maar dat is ook alles. Zoo lang 't duurt.... *

WIE MOET OUDERLING WORDEN ?
Door een artikel in „De Wekker" van ds. Kremer kwamen we tot de vraag : Wie moet er ouderling worden? Of anders gezegd: welke eischen moet men aan het ouderlingschap stellen ? Of weer anders : aan welke eischen moet iemand voldoen, die door de gemeente geroepen wordt tot het ambt van ouderling ?
Er zou hier heel veel over te schrijven zijn (en het zou z'n groot nut kunnen hebben !), maar wij willen alleen nu maar een paar opmerkingen maken.
Allereerst deze: het is heelemaal niet Gereformeerd, dat de Kerkeraad zich zelf aanvult, zonder dat de Gemeente er in gekend wordt. Natuurlijk niet. En straks zal de gekozene ook moeten uitspreken : zich bewust te zijn van de Gemeente te zijn verkoren en mitsdien van God geroepen. Daarom hebben onze Gereformeerde Vaderen altijd zooveel mogelijk er naar gestreefd, dat de ouderlingen en diakenen (de ambtsdragers) onder leiding van het ambt (den Kerkeraad) door de gemeenteleden gekozen of althans aangewezen werden, begeerende, dat er in den dienst van het Hoofd der Gemeente mannen zouden staan in het ambt, die de Gemeente wèl regeeren zullen en de leden der Gemeente zullen onderrichten en leiden naar den Woorde Gods, zelf trouwe voorstanders zijnde van den Kerkedienst en in eere houdend de heilige Sacramenten.
In de Wezelsche Artikelen (de eerste Kerkorde die voor onze Gereformeerde Kerk opgesteld is, als „proeve van bewerking" bedoeld), vinden we in Hoofdst. IV allerlei hieromtrent voorgeschreven. Artikel 1 zegt : „Nu volgt het ambt of de dienst der Oudsten of Opzieners (ordo Seniorum sive presbyterorum), die door Paulus aangeduid worden met den naam van regeerders of voorgangers en daarom samen met de Dienaren des Woords den Kerkeraad uitmaken". (Senatum ecclesiasticum sive Consistorium cum Ministris Constituunt).
Artikel 2 zegt, dat huisbezoek hun voornaamste werk is, vooral bij de nadering van de Avondmaalsviering. Zij zullen dan naar het huiselijk leven bij de leden der Gemeente een onderzoek instellen, vooral ook naar de huiselijke godsdienstoefeningen ; en zij zullen zacht, maar toch ernstig tot standvastigheid vermanen of ook tot lijdzaamheid sterken. Zij zullen ook niet vergeten allen en een iegelijk te vermanen, dat zij hun kinderen ter catechisatie zullen zenden.
Artikel 3 zegt, dat de ouderlingen bij al hun doen en laten indachtig moeten zijn, dat zij niet alleen voor de Kerk, maar ook voor God Zelf rekenschap, zullen moeten afleggen van de zielen, die aan hunne zorgen zijn toebetrouwd.
Artikel 6 zegt : De vereischten voor de ouderlingen zijn, naar het woord van Paulus, een onbestraffelijk leven, zuivere godsdienst, uitstekende godzaligheid en geestelijke wijsheid, waarbij het buitengewoon van nut zal zijn, dat men bij deze dingen ook eenige kennis heeft van burgerlijke zaken. Maar vóór alles zullen zij afkeerig moeten zijn van alle eerzucht en haken naar roem, ja, ook alle schijn van eerzucht zal verre moeten zijn bij hen.
Artikel 8 zegt : Ook moeten de ouderlingen weten, dat het tot hun ambt behoort de zieken te bezoeken en te troosten. Hoewel deze zorg ook den diakenen volgens hun ambt is opgelegd. De geestelijke zorg meer voor de ouderlingen, de stoffelijke verzorging meer voor de diakenen.
Wanneer we dit alles lezen, bemerken we, dat in het Bevestigingsformulier in den zelfden zin gesproken wordt over den ouderling en de vereischten, die het ambt van ouderling stelt. Waarbij in dat Formulier deze schoone vingerwijzing gegeven wordt : „Om het welk te doen de ouderlingen schuldig zijn Gods Woord naarstiglijk te onderzoeken en zichzelven geduriglijk te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs".
Voorts leze men hetgeen geschreven staat in 1 Tim. 3 vers 1—7 en in Titus 1 vers 5—9. Daar staat o.a. : „Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen".
Maar om nu nog even terug te komen op de wijze waarop de Ouderlingen (Kerkeraadsleden) benoemd moeten worden. In het Bevestigingsformulier wordt aan den ouderling gevraagd : „of gij niet gevoelt in uwe harten, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God Zelven, tot deze heilige dienst beroepen zijt ? "
Wat beteekent nu hier „wettiglijk van Gods Gemeente geroepen te zijn ? "
Natuurlijk kan dat nooit beteekenen, dat een ouderling door den Kerkeraad benoemd wordt geheel buiten de Gemeente om. Want wel zit de Kerkeraad er om de Gemeente te leiden, te besturen, te regeeren en te verzorgen, maar niet om de Gemeente overal buiten te houden ; vooral niet buiten het beroepings- en het verkiezingswerk van herder en leeraar en ouderlingen en diakenen.
Onze Gereformeerde Vaderen hebben altijd gewild, dat de Gemeente er in gekend zal worden en dat zij zal medewerken. Omdat dit ook naar het Woord Gods is.
Hoe moet dat dan geschieden ?
Daar zijn verschillende methodes en wegen voor. Maar een van de meest gebruikelijke wegen is (volgens Gereformeerd Kerkrecht), dat de Gemeente in staat gesteld wordt bij den Kerkeraad namen in te leveren van mannen, die, naar het oordeel der Gemeente, voor het ambt geschikt en gewenscht voorkomen.
Uit die namen maakt de Kerkeraad, als er b.v. twee ouderlingen moeten benoemd worden, een dubbeltal voor elke vacature. Uit dat dubbeltal kiezen dan de gemeenteleden. Op die manier werkt de Gemeente mee onder leiding van het ambt.
Nu zijn de toestanden in onze Hervormde Kerk, zooals men weet, anders. Daar heeft men óf dat de Kerkeraad zich zelf aanvult en dus zelf de ouderlingen kiest, óf dat er een Kiescollege is, waar met meerderheid van stemmen iemand gekozen wordt.
Tusschen die twee wegen heeft men bij ons te kiezen ; en het valt, in 't algemeen gesproken, niet makkelijk om zóó maar te zeggen wat men hebben moet : Kerkeraad óf Kiescollege. Dat hangt bij ons (en de eene Gemeente is de andere niet) van allerlei omstandigheden af.
Maar niemand kan er toch eigenlijk vrede mee hebben, dat de Gemeente geheel buiten de benoeming van kerkeraadsleden staat. Dat is niet naar het Woord en niet overeenkomstig de Gereformeerde Kerkorde. Hoewel het om practische redenen toch dikwijls gebeurt, omdat in onze Hervormde Kerk de practijk eigenlijk nooit buiten beschouwing kan blijven. Het voornaamste is echter, of er mannen in den Kerkeraad zitten als ouderlingen en diakenen, die met den Dienaar des Woords, naar lust en begeerte de Gemeente wenschen te dienen in het ambt, God vreezende en liefhebbers zijnde van den dienst des Woords, den dienst der Sacramenten en der gebeden ; liefhebbers zijnde van de Waarheid en de Waarheid betrachtende in liefde. Dan kan de Gemeente worden opgebouwd tot zegen voor jongeren en ouderen !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's