De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Natuurlijk Bouma nummer één, een stevig rentenier, al ging hij over 't algemeen door voor iemand, die zeer zuinig was. Dan boer Bottema van „'t Rietdak", een zeer welvarend man, wien het niets zou hinderen als hij een briefje van duizend gulden voor het goede doel gaf. Dan bakker Deelstra, die een welbeklante zaak had en er warmpjes inzat, zooals de menschen zeiden. Och, en dan was er nog wel deze en gene, die zeer waarschijnlijk mee zou werken. Zoo had hij gedacht en daarbij zichzelf ook niet weggecijferd. Hij zou evenmin achterblijven, als het aan 't offeren toekwam. Daarvoor was hij ook rijk gezegend en de menschen wisten wel, dat hij goede zaken deed. Leek het bloot toeval, dat men hem vandaag telkens zoo vreemd aankeek, alsof er iets bijzonders aan hem te zien was ; dat hij door allen wellicht straks aan het hoofd van de nieuwe beweging zou worden geplaatst ?
Thans schrok hij van zichzelf. Was hij bezig een partij te vormen ? Ging het dan om een partij ? Of ging het eenig en alleen om het Koninkrijk Gods en het heil van de onsterfelijke zielen ? Neen, dominé Lauwers bevredigde hem niet en gaf hem voor zijn geestelijk leven niet alles, wat hij verlangde. Hij bleef zoo bij uitwendigheden en aan den buitenkant der dingen, zonder de diepte der Verlossing te peilen, omdat hij de diepte der verlorenheid blijkbaar niet kende. Maar, was dit nu de weg om te komen tot een oplossing naar den wille Gods ?
Wat had het hem wel geërgerd, dat, geheel in strijd met de prediking van Christus, degenen die zich naar Hem noemden zoo verdeeld waren en om allerlei oorzaken uiteen gingen, terwijl de ernst des tijds meer dan ooit het gebed van den Heiland tot de bede van de gansche gemeente moest maken, dat allen, die van Christus zijn, één mochten wezen. En hoe was hij thans bezig in het voetspoor van velen uiteen te halen, wat toch zoo noodig één moest zijn. Had hij werkelijk alles gedaan, wat gedaan moest worden om den Naam des Heeren te verheerlijken, óók door de éénheid der belijders te zoeken en te behouden, zonder daarbij óók maar iets aan de Waarheid tekort te doen. Was de Satan bezig in de vergadering van Gods kinderen te komen, om daar onder een vromen schijn onheil te brengen, zooals hij het deed in de dagen van Job ?
Opnieuw begon het onrustig in Murk te worden, maar nu op een andere wijze en om een andere oorzaak. Het angstzweet scheen hem uit te breken. De kamer werd hem te eng. Vluchtig wierp hij een blik op de klok. Zes uur weer de wijzer bijna. Buiten werd het donker. Koud en guur gierde de herfstwind langs de woning. Nu en dan kletterden groote, kille regendroppelen tegen de ruiten. Allesbehalve uitlokkend weer. Een oogenblik stond hij besluiteloos midden in de kamer. Toen sprak hij :
„’k Moet er nog op uit”.
„Nu nog ? In dit weer ? En je hebt geen eten gehad en ziet zoo vermoeid ? "
„'t Doet er niet toe ; 'k moet nog naar „Lucht en Veld".
„Lucht en Veld" ? En dat bij avond ? Ben je daar dan vandaag niet geweest, of is daar iets niet in orde ? " vroeg vrouw Kalma verwonderd.
„Neen, 't is daar niet in orde, en ik ben mede schuldig. Daarom moet ik nog vóór den nacht daarheen".
„Dus geen ziekte of iets van dien aard ? "
„Erger dan dat. Scheuring en verdeeldheid, en dat óók al weer naar aanleiding van die gebeurtenis hier, waardoor naar 't schijnt al de geesten in beroering zijn gekomen".
„In elk geval eerst iets gebruiken", sprak de zorgzame huismoeder, en begon in allerijl het water aan de kook te brengen en een boterham klaar te maken.
„Zou je niet verstandig doen met even een wagen te leenen en den hit daarvoor te spannen ? " vroeg zij. „'t Is niet goed voor je, zoo'n verre loop na een dag van arbeid".
„En dan morgen de menschen vertellen, dat manke Murk laat op den avond nog per rijtuig naar „Lucht en Veld" is gereden, om dan daar weer alles achter te zoeken ! Neen, ik moet stil verdwijnen, als 't kan zonder de spiedende oogen van buurvrouw Klaske of van wie ook, achter mij aan te hebben, om alzoo ongemerkt mijn boodschap te doen".
„Zou het laat worden ? ”
„’k Hoop van niet, doch in elk geval neem ik den sleutel mee ; je behoeft niet te wachten”.
Maar dit wist hij wel beter, 't Was haar gewoonte niet ter ruste te gaan, zoolang nog een der huisgenooten ontbrak, en meestal werd zoo'n rustige avond gebruikt tot het verrichten van veel naaiwerk en ook, om eens heerlijk zich te verdiepen in de wegen Gods bij de lezing van het Woord of een stichtelijk boek. Zóó werd zij ongemerkt dieper ingeleid in de wegen des Heeren, hetgeen soms in haar woorden zoo duidelijk tot openbaring kwam, zooals Murk telkens tot zijn verrassing kon opmerken, 't Ging bij haar als met een vrucht, die in 't verborgen groeit, tot de volle rijpheid verkregen is en zich dan naar buiten openbaart, om ten zegen te zijn.
Toen de torenklok half zeven sloeg en in de onmiddellijke nabijheid alle deuren en vensters gesloten waren en geen nrensch zich op straat bewoog, trad Murk stil naar buiten, om ongemerkt in de richting van „Lucht en Veld" te vertrekken.
„Neem mijn parapluie maar mee", had vrouw Kalma nog gezegd, maar daar had hij niet van willen weten. Nog nooit had hij met een regenscherm geloopen. 't Meeste water liep immers langs hem heen en de dikke duffel, welken hij bij zulke gelegenheden droeg, voorkwam wel het doordringen van koude en vocht. Alleen werd de jas wat hooger dicht geknoopt, toen hij buiten kwam en de regen hem in 't gelaat sloeg. Geen mensch ontmoette hij. Heel de natuur scheen wel uitgestorven. Alleen het vee stond in troepjes bij de hekken of aan den slootkant bijeen, om daar eenige dekking en beschutting te zoeken voor de kou.
Als het zóó bleef, zou het niet lang meer duren of de stallen moesten opgezocht. 't Land werd vertrapt en 't melkverlies was te groot om de koeien nog langer buiten te laten.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's