WAT CALVIJN ONS LEERT
De verdedigers van den vrijen wil afgeweerd.
Het is thans genoegzaam gebleken, dat Calvijn niet de vrijheid, maar de dienstbaarheid van den menschelijken wil of wel van het menschelijk goeddunken heeft geleerd en wij mogen er wel bij zeggen : dapper heeft verdedigd.
In zijn dagen werd een felle strijd gevoerd over de wilsvrijheid of gebondenheid, waarin de reformatoren, ook Luther, werden betrokken.
Daaruit kan men dus verklaren, dat Calvijn zulk een breede verhandeling wijdt aan het onderwerp.
Nadat hij de zaak van verschillenden kant heeft bekeken komt hij tot de verdediging van zijn standpunt tegen de tegenwerpingen der tegenstanders.
Deze zijn tweeërlei: ongerijmdheden worden tegen het standpunt ingebracht en men bevecht het met schriftuurplaatsen.
Indien, zegt men, de zonde geschiedt uit noodzakelijkheid, is zij niet langer zonde, en indien zij willig wordt bedreven, kan men de zonde vermijden.
Dit laatste stemt Calvijn onmiddellijk toe. Indien de zonde willig geschiedt, kan zij vermeden worden.
Het eerste spreekt hij tegen : Ik ontken, zoo zegt hij, dat de zonde te minder moet worden toegerekend, omdat zij uit noodzakelijkheid geschiedt.
Hij kan dat haast niet volhouden, zou men zeggen. Zonde uit noodzakelijkheid en toch de mensch schuldig. Het lijkt werkelijk ongerijmd.
Doch Calvijn komt weer met het argument, dat wij reeds vroeger hebben vernomen. Indien iemand met God wil twisten en zijn oordeel ontgaan door dit voorwendsel, n.l. dat hij geen vermogen heeft gehad om anders te doen, die moet maar eens bedenken, dat de mensch niet uit de schepping, maar uit de verdorvenheid der natuur een slaaf der zonde is geworden en niet anders dan kwaad kan willen.
Is dat nu heusch afdoende ?
Het is in ieder geval waar, dat de mensch is, zooals hij is, uit zijn verdorven natuur. Verdorvenheid onzer natuur bestaat juist daarin, dat wij niet anders dan verkeerd willen.
Niemand zal het toch voor een eigenschap van de goede natuur houden. Daarom zegt Calvijn het is niet uit de schepping, maar uit de verdorven natuur.
Zoo komt hij van zelf tot het eerste argument.
Immers de onmacht onzer verdorvenheid vindt haar oorsprong in Adams val. Vrijwillig gaf Adam zich in de hand van den duivel. De eerste mensch week van zijn Schepper. Daaruit ontstond het gebrek, dat over allen kwam, waaraan allen deel hebben.
Kon dus Adam vrijwillig ten kwade of ten goede, de gevallen Adam niet meer. Dit neemt echter de schuld en het oordeel niet weg. Zijn staat wordt daardoor slechts ellendiger, omdat hij niet anders kan dan een dienstknecht der zonde zijn.
Wie nog niet tevreden is, zal de vraag stellen, of dan de vrije wil in den staat der rechtheid een vrije verkiezing is. Terecht meent Calvijn, dat hij genoegzaam heeft aangetoond, dat ook een daad van vrijen wil zeer wel geschiedt, ofschoon zij niet onder vrije, verkiezing staat.
Toch wordt voortdurend bezwaar gemaakt tegen deze leer. Als deugden en ondeugden niet uit vrije willekeur voortkomen, is het onbetamelijk, dat de mensch wordt beloond en gestraft.
Deze stelling is van den wijsgeer Aristoteles en door verschillende theologen overgenomen. Zij wil zeggen, als de mensch geen vrijen wil heeft, hoe spreekt men dan nog van loon en straf ? Het is ongerijmd den mensch verdiensten of straf toe te schrijven, indien de deugden en ondeugden niet uit zijn vrije goeddunken voortkomen.
Boven is reeds gebleken, wat Calvijn hierop antwoordt. Hij heeft toch aangetoond, dat de Heilige Schrift de verdiensten ziet als genadegaven Gods op de deugden, die zij werkt, alsof het de onze waren. De genade is niet uit de verdiensten, maar de verdiensten zijn uit de genade.
Maar de straffen Gods dan ?
In dit verband zegt Calvijn er niet veel meer van. Hij wijst in het voorbijgaan op Augustinus, die opmerkt, dat God ons niet straft met de verdiende straffen, maar ons met onverdiende genade tegenkomt.
Dat is ook zoo, maar zal men tevreden zijn, als wij over Gods gerechtigheid evenzoo redeneeren, als over Zijn genade. Zijn gerechtigheid bezoekt des menschen ondeugd ?
Zonder twijfel wordt dit door de Heilige Schrift geleerd en wie de zonde als zijn zonde ontdekt, zal daartegen geen bezwaar maken. Doch, hoe zal men den mensch overtuigen, die bereid is Gode de zonde toe te schrijven, omdat tegen Zijn wil geen schepsel zich roeren en bewegen kan.
Evenals vroeger vestigen wij de aandacht op God= souvereinitelt. Als God den mensch als een zedelijk wezen heeft geschapen, zoodat hij onderscheid zal leeren tusschen goed en kwaad, gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, genade en gerechtigheid, wie zal dan tegen den souvereinen God opstaan, omdat Hij den mensch zoo heeft gemaakt en met hem ook handelt als met een zedelijk wezen ?
Nu de andere zijde. Indien onze wil de macht niet heeft om goed of kwaad te verkiezen, zouden alle menschen eenzelfde natuur, hetzij goed of kwaad deelachtig moeten zijn. (Chrysostomus). Het is echter duidelijk volgens deze meening, dat de menschelijke natuur veranderlijk is, zoodat zij her-en derwaarts kan.
Hoe is het mogelijk, vraagt Calvijn, dat zulke groote mannen zoo vreemd redeneeren. Het is hun niet in den zin gekomen, dat de verkiezing Gods zulk een verschil tusschen de menschen maakt.
Men ziet, dat ook Calvijn een beroep doet op het souvereine welbehagen Gods, waarop zoo straks door ons werd gewezen.
Zal men elkander vermanen ?
Dat is een belangrijke vraag. Want men gevoelt den grond, waaruit zoo wordt gesproken. Als de mensch dan toch zoo is, gelijk hij is, en niet anders zijn kan, wat baat het dan, dat men hem opwekt. Het is immers toch niet in de macht van den zondaar om gehoorzaamheid te brengen.
Wederom beroept Calvijn zich op Augustinus, die over deze zaak geschreven heeft.
Het meest geslaagde antwoord besluit hij wel daarin, dat God zijn Wet niet afmeet naar de macht van den mensch, maar dat Hij beveelt, wat recht en billijk is en aan Zijn uitverkorenen uit genade de macht geeft om te volbrengen.
Een en andermaal werd dit reeds uit de Heilige Schrift bevestigd. Christus zegt, dat wij zonder Hem niets vermogen, maar niettemin bestraft Hij degenen, die kwaad doen en vermaant tot naarstigheid in goede werken.
De Apostel Paulus treedt overal op tegen de ongerechtigheid met bestraffing en vermaning, hoewel hij weet, dat het niet is desgenen, die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. (Rom. 9 vs. 16).
Waartoe dienen dan deze vermaningen ?
Het helpt immers toch niets, of men den mensch al vermaant, wanneer hij daarbij de kracht niet ontvangt om te gehoorzamen.
Ten eerste wijst Calvijn op het getuigenis, dat er in is. De vermaningen zullen tot getuigenis zijn, wanneer men voor de vierschaar Gods komt. En ook in dit leven werken vermaningen als een getuigenis op de consciëntie. Het geweten kan niet zeggen, dat zij kwaad zijn.
Vermaningen doen dus altoos wat en hebben een innerlijke kracht van overtuiging, ook al vinden zij geen gehoorzaamheid.
De voornaamste vrucht der vermaningen moet echter worden gezocht bij den geloovige. De Heere werkt alles in hen door Zijn geest en werpt het instrument des Woords niet uit Zijn hand, doch gebruikt het niet zonder kracht en nuttigheid. De gansche kracht der geloovigen ligt in Gods genade, zooals ook de profeet getuigt : . Ik zal hun een nieuw hart geven, opdat ze daarin wandelen.
Nog vraagt men verder : „Maar waarom dan zoo ? Waarom heeft Gods Geest die vermaningen noodig en wordt dat aan Zijn bestiering niet overgelaten ? Waarom worden zij door vermaningen aangespoord, terwijl zij zich toch niet harder kunnen bewegen dan de Heilige Geest toestaat ? Waarom worden zij gestraft, wanneer zij van den weg afgeweken zijn, terwijl ze door de zwakheid des vleesches vallen ? "
Men kan het antwoord reeds zelf vinden. O, mensch, wie zijt gij, dat gij God de wet wilt voorschrijven ! Als God zoo wil werken, hebben wij toch geen recht om het bestel Gods af te keuren.
God werkt op tweeërlei wijs in Zijn uitverkorenen : Uitwendig door het Woord en inwendig door Zijn Geest. Door Zijn Geest maakt Hij hen tot nieuwe schepselen, verlicht Hij het verstand, en buigt het harte tot gerechtigheid.
Door Zijn Woord wekt Hij het hart op om zulk een vernieuwing te begeeren, te
zoeken en te verkrijgen. Wanneer God dus hetzelfde Woord den verworpenen doet toekomen, aan wien Hij den drang van Zijn Geest onthoudt, dan ook doet het nog zijn werk, omdat zij in de consciëntie worden geprikkeld en de fieere hun alle onschuld beneemt in den dag des oordeels.
Andermaal wijst Calvijn op den Christus, die de vermaning niet nalaat, al zegt Hij toch, dat niemand tot Hem komt, tenzij de Vader hem trekke.
Zoo werkt dan het Woord altoos iets uit, en de onderwijzing des Woords is een reuke des doods ten doode of een reuke des levens ten leven. 2 Cor. 2:16.
Nog vele getuigenissen meer worden door de tegensprekers aan de Heilige Schrift ontleend, zooals Calvijn pittig opmerkt, opdat zij hem overvallen zouden met veelheid van woorden, terwijl zij zulks niet vermogen te doen met het gewicht.
Tot de juiste plaats en verhouding teruggebracht, zoo zegt Calvijn, zal het niet moeilijk zijn deze argumenten te weerleggen.
Het zwaartepunt schijnt in de geboden te liggen. Immers, indien God gebiedt godvruchtig, gehoorzaam, kuisch, zachtmoedig te zijn en verbiedt onkuischheid, roof, hoovaardij etc, dan spot Hij toch eigenlijk maar een beetje met den mensch, als deze niet vermag het een of het ander te doen, of Hij eischt dingen, die in onze macht zijn.
Reiken niet de krachten van den mensch evenver als de geboden van de Wet Gods ?
Het lijkt wel zoo, zegt Calvijn, maar het is toch grof onverstand van de Wet. Het zou toch beteekenen, dat de geboden der Wet worden afgemeten naar onze kracht.
Dat leert de Heilige Schrift toch anders. De Wet is gegeven om der overtredingen wil. Door de Wet is de kennis der zonde. De Wet is ingekomen, opdat de zonde overvloediger worde. (Rom. 3 : 20 ; 7:7; Galaten 3 : 19 ; Rom. 5 : 20).
Deze plaatsen kunnen waarlijk niet worden aangehaald om dat standpunt te verdedigen. Integendeel, de Wet komt hier hoog boven ons bereik uit om ons van dat onvermogen te overtuigen.
Indien de Heilige Schrift niet anders leerde dan dat de Wet een regel des levens is, waarnaar wij ons leven hebben te reguleeren, dan zou Calvijn het met bovenstaande redeneering eens zijn n.l. dat de Wet is naar onze kracht.
Doch zoo eenvoudig is het niet.
Waartoe dan de beloften der Wet ? Als de Wet was naar onze krachten zouden de beloften overbodig zijn. Dan toch zouden wij onze krachten aan de Wet kunnen beproeven en de vrucht was zeker. Maar thans wijzen de beloften der Wet er op, dat God ook de vrucht schenkt. In elk opzicht hebben wij Gods genade noodig.
Zijn wij dan stokken en blokken ? Is het, alsof God zijn Wet aan stukken steen gebiedt ?
Dat kan niemand zeggen, want de consciëntie zelf bewijst, dat de mensch geen stok of steen is. Dit geldt zoo min van den goddelooze, die zich verhardt tegen het onderwijs der Wet in, als ook van den verkorene, die zijn onmacht ontdekt en tot de genade Gods zijn toevlucht neemt.
God beveelt, wat wij niet vermogen, opdat wij zouden leeren, wat wij van Hem begeeren mogen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's