De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

ZWINGLI OVER DEN DIENAAR DES WOORDS

6 minuten leestijd

Op 26 Maart 1524 schreef Zwingli over dit onderwerp het volgende :
Toen Simeon het kindeke Jezus in zijn armen hield, zei hij tot Maria : „Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teeken, dat wedersproken zal worden, opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden, en ook een zwaard zal door uws zelfs ziel gaan". Ieder predikant moet er dus op rekenen, dat sommigen, na door hem gewijd te zijn, beter bij hem vandaan gaan, en dat anderen er na dien slechter aan toe zijn ; ook moet hij er op voorbereid zijn, dat hij steeds door de ongeloovigen zal worden tegengesproken. Want de vleeschelijke mensch aanvaardt het Woord van God niet, wijl dit geestelijk is, maar hij bestrijdt het uit alle macht. Daarom is een predikant onophoudelijk blootgesteld aan de achtervolgingen van zijn tegenstanders. Zijn vader, moeder en familie, kunnen er van overtuigd zijn, dat de spot en de verachting der wereld zijn deel zullen wezen ; en wanneer zijn verwanten zich hierom ongerust en verdrietig gevoelen, dan zal er, evenals bij Maria het geval was, een zwaard door hun ziel gaan. Maar wie waarlijk predikant is, zal zijn vader en moeder verlaten, en volharden in het werk Gods, evenals Christus, zijn Meester, dat gedaan heeft, toen Hij Zijn moeder, die Hem met angst zocht, antwoordde : „Waarom zoekt ge mij ? Wist ge niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders ? "
Eveneens mag een getrouw predikant zich door niets en niemand laten afbrengen van de taak, die hem is toebetrouwd ; hij moet zich het woord herinneren, dat de Meester gesproken heeft tot Zijn discipelen, toen Hij hen wegzond, om het Evangelie alom te : verkondigen, zeggende: „Wie zijn vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig ; en wie zijn zoon of dochter lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig".
De goede predikant mag niet luisteren naar zijn ouders, wanneer deze het Woord Gods willen veranderen naar eigen gevoelen ; maar hij moet weten, dat Jezus Zelf op de bruiloft te Kana tot Zijn moeder gezegd heeft : „Vrouwe, wat heb. Ik met u te doen ? " Om deze reden moet een predikant standvastig en beslist zijn, wanneer het er op aankomt, de schapen te leiden in de grazige weide van het Woord Gods. Nimmer mag hij zich laten beïnvloeden door de vooroordeelen en critiek der menschen : ook niet door zijn eigen ouders ! Christus waarschuwt Zijn discipelen door te zeggen, dat Hij niet gekomen is om vrede te brengen, maar het zwaard ; en ook merkt Hij op, dat twist en tegenspraak tijdens de verkondiging van het Evangelie niet zullen ontbreken. Slechts tegen dezen prijs kan de predikant zijn zelfstandigheid volkomen bewaren. Een zeer voorname voorwaarde voor het ambt van predikant is aangegeven door Jezus Christus in deze woorden: „Zoo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en name zijn kruis op en volge Mij".
Zonder twijfel heeft dit voorschrift betrekking op alle christenen, maar het geldt wel in bizonderen zin voor den predikant, die zijn leven zal verliezen, wanneer hij het wil behouden, en die het behouden zal, wanneer hij het zal willen verliezen.
De mensch wil altijd door zichzelf iets presteeren ; een predikant moet echter van deze pretentie afzien, en alleen doen, wat God beveelt ; alleen het Woord Gods moet voor hem Tegel en richtsnoer zijn in leer en wandel. Dagelijks moet hij bedacht zijn op het kruis, dat hij ootmoedig torsen moet ; dagelijks zullen tegenwerpingen en onvermijdelijke vermoeienissen zijn deel wezen. En naarmate het Woord Gods voortgang maakt, zuiden de tegenstanders den kop opsteken ; vooral de grooten der aarde en de aristocratie doen dat in dezen tijd. De getrouwe predikant gaat echter voort met het dragen van zijn kruis, in de stellige zekerheid, dat de hemelsche Vader, Die het hem heeft opgelegd, hem zal voeren in de eeuwige glorie, nadat het werk en de moeite hier beneden zullen voorbij zijn.
Na aller egoïsme te hebben afgelegd, leidt de predikant, vol des Heiligen Geestes, de kudde in de weide, waar hij zelf gevoed is, te weten in de kennis en het geloof Gods. Hij zal zijn onderwijs door zijn leven niet naar beneden halen ; maar zijn levenswandel zal in overeenstemming zijn met hetgeen hij verkondigt. In alle ootmoed en oprechtheid zal hij wandelen in de tegenwoordigheid des Heeren, en steeds Jezus Christus als zijn goddelijk voorbeeld volgen. Zelfs wanneer de predikant om de eere Gods den dood moest ondergaan, dan weet hij, dat niemand om Gods wil dat zal doorstaan, indien bij niet Gods eigendom is. Waar de echte liefde Gods in het hart woont, daar kan niets ter wereld een mensch daarvan scheiden. De liefde Gods is het wapen, waarmede men de vijanden Gods moet overwinnen, gelijk de heilige Paulus bevestigt: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere".
De liefde is voor den predikant het allernoodzakelijkst ; zij is de maatstaf voor al zijn herderlijke werkzaamheden ; evenals de timmerman, al heeft hij nog zulke goede oogen, niet zonder 't schietlood kan, zoo is de liefde voor den predikant onontbeerlijk. Al onze moed, vaardigheid, kennis, welsprekendheid en geloof, leiden in ons ambt tot niets, wanneer wij de liefde niet hebben, die al deze zaken moet inspireeren en bepalen. (1 Cor. 13).
Uit het beeld, dat 1 Cor. 13 van de liefde geeft, ziet ge wel, dat zij voor den trouwen predikant strikt noodig is, wil hij zijn schapen wijs, goed en zacht behandelen, en zijn manier van doen ondergeschikt maken aan de verschillende karakters van zijn schapen, al naar de, Geest Gods hem ingeeft. Kortom : waar liefde gevonden wordt, daar loopt Gods zaak voorspoedig en groeit de roem Gods ; want wanneer er bij den mensch geen liefde aanwezig is, dan vervalt hij in hoogmoed. Gaat, om deze liefde te leeren, tot God. Niemand komt tot Christus, als hij niet eerst getrokken is door den Vader ; en de Vader trekt degenen, die ootmoedig tot Hem komen. Laat de predikant dus God smeeken, dat Hij hem omhelze met het vuur Zijner liefde. Want : „God is liefde, en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem". (1 Joh. 4 vers 16).
D.
d. Zwart

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's