De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

EEN PUZZLE.

4 minuten leestijd

Zooals wij de vorige week lieten uitkomen, gaat de actie van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk en van de Vereeniging van Kerkvoogdijen niet tegen de doodehandsbelasting! op zichzelf, maar tegen de bepaling in de Wet, waarbij de kerkelijke goederen worden belast.
De doodehandsbelastinig kan gerust gehandhaafd blijven, als de Kerken waar hun goederen maar van het betalen van belasting worden vrijgesteld.De vraag, die zich nu op dit oogenblik voordoet, is deze : hoe komen de goederen der Kerken onder de gegeven omstandigheden vrij?
De Regeering vraagt aan de Staten-Generaal toch niet anders, dan de heffing van een aantal Voor een beperkten tijd geheven belastingen, waaronder ook de doodehandsbelasting, voor een paar jaren te verlengen.
Zij komt niet met een wetsontwerp om in de vrijstellingen van belasting van de doiode hand verandering te brengen. De vraag van de Regeering gaat, wat de doodehandsbelasting betreft, uitsluitend om over de 2 millioen gulden, die de belasting opbrengt, voor het dienstjaar 1939 en volgende jaren te mogen blijven beschikken.
Een financieele regeling dus.
De Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Nederlandsche Hervormde Kerk slaat intusschen een anderen weg in. Dit blijkt uit de motie, welke aan alle vergaderingen, die van de Vereeniging uitgaan, wordt voorgelegd — de eerste vergadering werd te Rotterdam gehouden. —
De motie luidt :
„Kerkvoogdijen en Kerkeradem der Ned. Hervormde Gemeenten in de Provincie Zuid-Holland, heden in grooten getale in een vergadering te Rotterdam bijeen en aangehoord hebbende de ernstige principieele en financieele bezwaren, die er bestaan tegen de verlenging der wet op de Doodéhandsbelasting 1934, voor zoover de goederen van de Ned. Hervormde Kerk betreffende, besluiten Uwe Excellentie zeer dringend te verzoeken de indiening van een. wetsontwerp nader in overweging te nemen, althans de kerkelijke goederen vrij te stellen".
Uit het slot der motie ziet men dus, dat aan de Regeering gevraagd wordt, óf om „de indiening van een wetsontwerp in overweging te nemen", óf om „althans de kerkelijke goederen vrij te stellen", wat ook niet anders te verkrijgen is, dan door wijziging der Wet.
In dien geest spreekt zich ook het adres uit, dat door de Vereeniging van Kerkvoogdijen aan de Tweede Kamer is toegezonden geworden.
Het heet in dat adres :
„dat de wetgever vrijstelling der Kerken van de belasting alsnog in de Wet opneme, wanneer zij straks opnieuw in behandeling zal komen".
Ook hier dus weer een verwijzing naar het in te dienen wetsontwerp tot wijziging van de bestaande Wet, regelende de doodéhandsbelasting.
Doch de Regeering dient geen wetsontwerp, zooals begeerd wordt, in.
Zij bepaalt zich, gelijk wij hierboven reeds schreven, uitsluitend tot een financieele regeling.
En al zou de Regeering in stede van 2 millioen gulden, met 3 ton minder — de opbrengst van de belasting door de Kerken — zich tevreden stellen, dan nog zouden de Kerken niet van het betalen van belasting zijn vrij te stellen, omdat de Wet de Kerken nu eenmaal onder de belasting brengt.
Terecht kan men hier spreken van een puzzle, een moeilijkheid, die niet gemakkelijk is te ontwarren.
Want wel wordt door de Regeering voorgesteld : „In artikel 31, derde lid, der Wet op de belasting van de Doode Hand 1934 wordt in de plaats van „1938" gelezen 1941", waarvan de bedoeling is om de Wet met 3 jaren te verlengen, maar of de Voorzitter der Kamer bereid izal zijn om toe te laten, dat behalve de Regeeringswijziging nog andere artikelen der Wet in bespreking worden gebracht, is niet aannemelijk.
Natuurlijk kan men, wat de Regeering voorstelt, verwerpen, doch dan onthoudt men de Regeering de geheele 2 millioen, wat ook niet in de bedoeling der eventueele tegenstemmers zal liggen.
Dat de Regeering bereid zal zijn, de Wet op de belasting van de Doode Hand op de helling te brengen, gelooven we evenmin, omdat daarvoor niet alleen de tijd ontbreekt, maar ook omdat het dan bij de wijziging van de Wet, uitsluitend om de kerkelijke goederen van de belasting vrij te stellen, niet zal blijven. Immers zijn er weer andere groepen in de Kamer, die weer andere desiderata hebben.
Wij zijn benieuwd, hoe de Regeering de puzzle zal oplossen. In ieder geval zullen de Kerken van het betalen van doodéhandsbelasting moeten worden vrijgesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's