De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

De buitengewone omstandigheden

4 minuten leestijd

Wanneer men dagelijks de bladen leest en daarnaast zijn oor aan den volksmond te luisteren legt, om te vernemen, hoe er gedacht wordt over den gang van zaken in het staatkundig en maatschappelijk leven van ons volk, weet men niet, waarover men zich verwonderen en verbazen moet, óf over de onkunde, die bij zekere groepen der bevolking tot openbaring komt, óf over de oppervlakkigheid, waarmede die kringen de groote vraagstukken, die aan de orde zijn, bezien.
Zoo b.v., om maar éen vraagstuk te noemen, het probleem der Rijksfinanciën.
Hoeveel stuurlui aan den wal er wel zijn en hoeveel voormannen van politieke partijen er zich voordoen, die, ieder op zijn eigen wijze, het financieel beleid der Regeering afkeuren en verwerpen, valt niet te zeggen.
Het zijn er, waarschijnlijk niet weinigen.
En onder deze zijn er zelfs, die durven spreken van een wanbeleid van het Kabinet.
Waaruit dan zulk wanbeleid spreekt ?
Hieruit, dat in de laatste jaren de Rijksbegrooting met een groot tekort sluit.
De tering — zoo zegt men — wordt niet naar de nering gezet.
Dientengevolge gaat Nederland den ondergang tegemoet.
Maar wat er moet gebeuren en hoe het Regeeringsbeleid zou moeten worden gevoerd om de Rijksbegrooting sluitend te krijgen, daarover laat men zich niet uit, daarover rept men met geen woord.
Wat men wél verneemt, zijn niet anders dan holle klanken, groote woorden, die er op gericht zijn om op de onwetende, onkundige schare indruk te maken.
Natuurlijk — en daarover valt te spreken — kan, ja moet er op de uitgaven van het Rijk bezuinigd worden, maar of uit de besparingen, die dan zouden verkregen worden, het gat in de begrooting te dichten is, is verre van aannemelijk.
Daarenboven wordt door velen ernstig geklaagd over de schade, welke de laatste wijziging in de 'Onderwijswet, die van de verhooging van de leerlingenschaal, aan het onderwijs en de vorming van de jeugd wordt toegebracht.
Er loopen nog duizenden kinderen, schipperskinderen, in Nederland rond, die van alle onderwijs zijn verstoken.
De nood van vele ouden van dagen vraagt naar veler oordeel dringend voorziening.
Wij zouden zoo kunnen voortgaan met aan te toonen in welke dingen, al dringt de eene behoefte sterker op den voorgrond dan de andere, nog dient te worden voorzien.
Wat wij hier aanvoerden, lijkt ons intusschen voldoende om te doen uitkomen, dat het in den tegenwoordigen tijd onder de buitengewone omstandigheden, niet zoo eenvoudig en gemakkelijk is om de staatshuishouding zoo in te richten en zoo te doen loopen, dat er geen tekorten meer zijn en een ieder in tevreden stemming kan leven.
Nu zijn het juist die buitengewone omstandigheden, die de moeilijkheden veroorzaken. Bestonden ze niet, dan zou het met den toestand der Rijksfinanciën er geheel anders voorstaan.
Maar op deze buitengewone omstandigheden wijzen de bedillers van het Regeerings-beleid niet, want dat zou in hun kraam niet te pas komen.
Het is toch van algemeene bekendheid, dat de twee groote slokoppen van de Overheidsgelden op 'het oogenblik zijn de werkloosheid en de defensie.
Wat de werkloosheid betreft, werd in 1935 door Rijk en gemeenten ruim 141 millioen voor werkloosheidszorg uitgegeven, in 1936 bedroeg dat cijfer ruim 149 millioen en in 1937, het jaar, dat een belangrijke daling der werkloosheid te zien gaf, was het bedrag nog 142 millioen gulden. Waarbij dan nog ieder jaar enkele tientallen millioenen komen voor armenzorg.
Met de defensie staat het niet anders. Voor het dienstjaar 1937 was ten behoeve van de weermacht noodig 85 millioen ; voor het jaar 1938 moesten de uitgaven verhoogd worden tot 110 millioen, terwijl voor het jaar 1939 de uitgaven voor leger en vloot geraamd worden op 134 millioen gulden. Dit betreffen dan de uitgaven van den gewonen dienst. Doch ook de kapitaaldienst van de defensiebegrooting vraagt zijn millioenen. Zoo waren er voor laatstgenoemden dienst in 1938 nog eens ruim 41 millioen en in 1939 (de raming) nog eens 98 millioen gulden noodig.
Het duizelt haast, wanneer men van al deze cijfers, zoowel van de gelden die ten behoeve van de werkloosheid als van die welke ten dienste van de defensie moeten worden beschikbaar gesteld, kennis neemt.
Zeiden wij te veel, toen wij hierboven opmerkten, dat, wanneer de buitengewone omstandigheden ten aanzien van de werkloosheid en van de defensie niet bestonden, de Rijksfinanciën een heel ander beeld zouden toonen ?
Dan waren er geen tekorten, doch overschotten. En daarom doet men aan de waarheid tekort, als men de Regeering verwijt, dat zij de tering niet naar de nering zet en haar toedicht, dat zij allerlei kunstmiddelen gebruikt om het levenspeil te handhaven.
Is — zoo zouden wij willen vragen — dan de steunuitkeering, die de werkloozen genieten, te hoog, en wordt er te veel voor 's lands weerbaarheid uitgegeven ?
Zoo ja, laat men het dan zeggen en niet over deze dingen zwijgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's