De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

God geeft wat Hij gebiedt. Hij gebiedt, wat Hij wil.
De nuttigheid der geboden is groot, indien men aan het vrije goeddunken zooveel toestaat, dat aan de genade Gods nog meer eere wordt toegebracht.
Veeltijds vermaant de Heilige Schrift, dat wij ons tot God zullen bekeeren, maar de profeet roept: bekeert mij, zoo zal ik bekeerd zijn. (Jer. 31 : 18). God gebiedt, dat wij de voorhuid van ons hart zullen besnijden, maar betuigt door Mozes, dat dit door Gods hand geschiedt.
Zoo geeft de Heere door Zijn genade, wat Hij gebiedt, zoodat Zijne geboden door genade worden volbracht.

Calvijn onderscheidt drieërlei geboden :
1°. die geboden, die tot bekeering vermanen ;
2°. zulke geboden, welke gebieden God te eeren, Zijn wil te dienen, Zijn rechten te onderhouden en Zijn leer na te volgen.
3°. de geboden, die aandringen op volharding in de genade.
Hij toont ook voor de 2e en 3e groep aan, dat zij alleen door de kracht der genade worden volbracht.
Hoeveel bewijzen Calvijn aanbrengt uit de Heilige Schrift, hij weet zeer wel, dat de tegensprekers niet zwijgen. Steeds zijn er, die niettemin trachten te zoeken in Gods Woord om hun eigen standje op te houden. Kunnen zij dus de gansche eer niet aan zich brengen, als waren zij zelf bij machte de gehoorzaamheid te brengen, die God van ons vordert, dan pogen zij toch een soort van middenweg te vinden. God wat en de mensch wat. De mensch doet iets en God ondersteunt hem, alsof er een zekere saamwerking tusschen God en mensch bestond.
Zulk een dwaasheid komt voort uit een oppervlakkig gevoelen, omdat het ons zoo voorkomt, dat wij handelen als zelfstandige wezens. Men begrijpt niet, dat ook de geringste zelfstandigheid, indien wij daarover beschikten, een zekere mate van onafhankelijkheid zou stellen. Hoe gering die ook ware, die onafhankelijkheid zou in ieder geval meebrengen, dat zij verklaring vond in een beginsel, dat op zich zelf bestaat en wij niet tegen, dat het ons zoo voorkomt. Het gevoelen wordt ook versterkt, omdat wij ons schuldig en verantwoordelijk weten voor onze daden. Dit laatste cijferen wij in het geheel niet weg. Het is juist het wonder in de schepping naar Gods beeld en gelijkenis, dat wij als redelijke-zedelijke wezens van God onder­ scheiden zijn, tegenover Hem staan in een betrekking van zelfonderscheiding, en verantwoordelijk gesteld worden voor ons doen en laten, ofschoon wij zonder Hem niets vermogen.
Wanneer iemand een open oog krijgt voor de waarheid en zichzelf schouwt in het licht van de scheppende en onderhoudende daad Gods, wordt het echter klaar en duidelijk, dat de mensch uit den adem Gods leeft en tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kan. In dat licht blijft er van een onafhankelijkheid van den mensch niets meer over.
Dezelfde ontdekking leidt echter ook tot de erkentenis van de vrijmacht Gods om den mensch te scheppen, zooals Hij wil en met hem te handelen naar het welbehagen
Zijner souvereine macht.
De mensch laat zich echter door redeneeringen niet overtuigen. Want wanneer wij wijzen op de volstrekte afhankelijkheid, zoodat geen ding geschiedt bij geval en de Heere alles werkt, het willen en het volbrengen, komt men weer aandragen met het argument, dat wij dan stokken en blokken zijn.
Dit argument is wederom in strijd met het zooeven aangevoerde, als zou hij zekere zelfstandigheid hebben.
Op die wijze komt men voortdurend met zich zelf in strijd.
Daarom baten al zulke redeneeringen niet. Zij bewijzen alleen, dat de mensch voor vragen staat, welke hij met zijn verstand niet doorgronden kan.
Wanneer men Gode de eere schijnt te geven, dat Hij de alleen werkzame kracht en wijsheid is, dan vervalt men lichtelijk in de strikken van hoogmoed en goddeloosheid om het menschelijke als iets goddelijks te zien, zoodat de mensch voor een zichtbare verschijning van het goddelijke wordt gehouden.
Komt daartegen verzet en wil men zulk een afgoderij bestrijden, dan poogt men God op te sluiten in een boven deze aarde verheven wereld, alsof deze ondermaansche natuur een leventje op eigen hand kan voeren.
In het eene geval vermengt men het goddelijke Wezen met de laagste orde van Zijn schepping, terwijl men in het andere geval Zijn rijk verscheurt, als ware het gedeeld tusschen God en den mensch.
Vindt men dat zulk een scheiding toch eigenlijk onbetamelijk is, dat neemt men zijn toevlucht tot de gedachte van een accoord of contract tusschen God en den mensch, als om een zekere saamwerking mogelijk te maken naar de wijze God wat en de mensch wat. Reeds bij het heidendom vindt men dergelijke opvattingen. De heiden wil zijn goden wel eer bewijzen en zijn offers plengen op het altaar zijner vereering, mits zijn god dan ook de gewenschte hulp in zijn ondernemingen betoont. Het komt zelfs voor dat hij ontstemd wordt en zijn goden straft of verwerpt, indien zij hem niet dienen overeenkomstig zijn verwachting.
Sommigen, wien zulk een contractverhouding wel aanstaat, trachten voor die opvatting steun te ontleenen aan de beloften, die zoo menigwerf in de Heilige Schrift worden gevonden.
Zoekt het goede, en niet het booze, opdat gij leeft. (Amos 5 : 14, 15). Indien gij willig zijt en hoort, zult gij het goede van dit land eten. Maar, indien gij weigert en weerspannig zijt, zoo zult gij door het zwaard verteerd worden, want de mond des Heeren heeft het gesproken. (Jes. 1 : 19). Indien gij uw gruwelen wegdoet van voor Mijn aangezicht, zult gij niet uitgedreven worden. Indien gij hoort de stemme uws Gods en doet en houdt al Zijn geboden, zoo zal u de Heere hooger maken dan alle volken op den aardbodem. (Jer. 4:1; Deut. 28 : 1 ; Levit. 26 : 3).
Men redeneert dan als volgt. Indien het nu zoo is, dat God alleen alle dingen werkt — indien wij niet vermogen te doen wat Hij gebiedt — indien het alleen Zijn genade is, die de gehoorzaamheid werkt, is het toch ongerijmd, als God zoo spreekt. Dan heeft het den schijn, alsof God met den mensch den spot drijft.
Dat kan zoo niet zijn, dus moet de mensch wel over het vermogen beschikken om den eisch te volbrengen en zoo de goederen der beloften te winnen.
Wij hebben reeds kunnen opmerken, dat Calvijn deze argumenten verwerpt en hoe hij de zaak recht voorstelt.
Hij ziet deze dingen in het licht van Gods onderwijzing. Het gebod leert den mensch den eisch van Gods gerechtigheid en des menschen onvermogen kennen, opdat hij worde uitgedreven de goddelijke barmhartigheid aan te roepen.
De beloften zijn als een andere wijze van des Heeren leiding, waardoor Hij Zijn volk leert de geboden lief te krijgen.
Wie kan het voorts onbetamelijk vinden, dat de Heere beloont, die Hem dienen, en straft degenen, die Zijn Woord wederstaan ?
Alzoo geeft de Schrift een goddelijk onderwijs omtrent de verhoudingen, waaronder wij bestaan, en laat haar licht schijnen over het zedelijk bewustzijn, zoodat wij leeren verstaan de orde van het geestelijk en zedelijk leven, zooals God die gekend wil hebben.
Dit geeft echter geen grond voor de drogreden, dat de Heere den mensch een vrije macht verleent om naar een accoord al of niet te handelen, noch ook om Hem te beschuldigen, als dreef Hij den spot met ons.
Er is nog een groep van Schriftwoorden, die worden aangevoerd om het ongerijmde aan te toonen van de opvatting, dat de Heere door Zijn genade de gehoorzaamheid werkt, waartoe Hij beveelt.
Het zijn die plaatsen, waar de Heere straft, omdat zij niet gehoord hebben. (Num. 14 vers 43 ; Jerem. 7 vers 13 en 14; 32 vers 23).
Het behoeft niet veel omhaal om de redeneering in herinnering te brengen. Als God zegt: gij hebt niet gehoord en daarom heb Ik u dus voor Mijn aangezicht verworpen, is het toch een onrechtvaardige zaak, als wij gestraft worden om het kwaad, dat wij niet hebben kunnen vermijden.
Anderszins moet men aannemen, dat wij wel anders hadden kunnen handelen.
Calvijn ontmoet deze tegenstrevers met een vraag : Kunt gij bewijzen, dat gij onschuldig zijt ? En zoo niet, is het dan zonder oorzaak, als God u verwijt, dat gij de vrucht Zijner goedertierenheid niet hebt gevoeld en kunt gij loochenen, dat uw booze wil oorzaak werd van uw wederspannigheid ?
Men ziet, dat Calvijn zich niet laat verstrikken door redeneeringen. Hij grijpt den mensch onmiddellijk in zijn geweten. Daarin ligt de kracht van zijn betoog. De werkelijkheid en nog eens de werkelijkheid van het leven is zijn uitgangspunt en deze beschouwt hij in het licht, dat God daarover in Zijn Woord doet opgaan.
De menschen praten maar al te zeer buiten de werkelijkheid om, zich verliezende in allerlei ideologieën, die ons op een dwaalspoor te brengen.
De waarheid is, dat ons geweten medegetuigt omtrent al die dingen, welke Calvijn aan het daglicht brengt.
Dat is het wat wij noodig hebben, ook in den tegenwoordigen tijd, om verlost te worden uit het warnet van menschelijke redeneeringen.
Indien een mensch moet toegeven dat zijn geweten hem beschuldigd", wat zoekt hij de schuld bij God ? Zoo wij niet kunnen weerspreken, dat wij geen lust hebben in den dienst van den God der Schriften, wat zoeken wij dan nog uitwegen en vonden om de schuld van ons te werpen ?
Ook in onze dagen kan men vernemen, hoe men den Heilige Israels beschuldigt van wreedheid en wraak, omdat Hij den mensch niet bedient, zooals deze wil bediend zijn.
Wat al bezwaren ontmoet men niet tegen Hem, die zich in Zijn Woord openbaart, en tegen Zijn Christus. Het schijnt, dat de moderne wereld in de laatste jaren een weinig nader komt tot het religieuse leven. Er zijn inderdaad symptomen van verandering. Wie zich herinnert, hoe men vóór 25 jaar geleden stond tegenover godsdienstige aangelegenheden, tegenover de Heilige Schrift en tegenover hen, die haar als Gods Woord omhelsden, kan het niet ontgaan, dat de dingen zich hebben gewijzigd.
De verschrikkingen van den oorlog hebben de menschheid diep aangegrepen en de laatste gebeurtenissen op het terrein der internationale politiek hebben doen zien, dat men geen ding zoozeer vreest als een herhaling van een zoodanige catastrophe. Het idealisme van een vorige eeuw is beschaamd en de schoone verwachtingen, welke men koesterde voor de moderne wereld, zijn in rook opgegaan.
Men hoort menschen over God en over den Bijbel spreken, die zoozeer vervreemd waren, dat zij door opvoeding en omgang onder de menschen zelfs de allergrootste hoofdzaken van de Heilige Schrift niet geleerd hadden.
Wij zijn geen kenners 'der harten en men wachte zich er voor, dat alles botweg te veroordeelen, doch evenzeer zij men bedachtzaam en voorzichtig in het tegendeel, opdat men niet voor zuiver goud aanzie, wat slechts een verguldsel der menschelijke zwakheid is.
Daar is in de religieuse reactie van den modernen tijd een groote dosis humanisme, dat onder een anderen vorm de oude idealen koestert en zulks met een glans van Christelijkheid versiert, maar in gebreke blijft den gloed van de waarachtige Godsvrucht te vertoonen. En men krijgt niet zelden den indruk, als men hoort en leest, wat er in deze bewegingen leeft, dat men na de teleurstellingen van het verleden. God in zijn leven een plaats wil toekennen, alsof men naar vrij goed­ dunken over Hem beschikken kan.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's