MEDITATIE
WONDERLIJK
Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tof rechtvaardigheid. Romeinen 4 vers 5.
Vol van tegenstrijdigheden schijnt de Schrift te zijn voor den oppervlakkigen, natuurlijken mensch. Nu eens wekt zij den mensch op, met alle kracht om te werken, te werken zijns zelfs zaligheid met vreezen en beven. Dan weer, gelijk in den hierboven gestelden tekst, vinden wij op de meest volstrekte wijze aan het werk alle waarde ontzegd. Elders weer hooren we, dat Abraham de vader der geloovigen, uit de werken is gerechtvaardigd, als hij Izaak, zijnen zoon, geofferd heeft op het altaar, en weer op een andere plaats, dat in den dag der dagen het oordeel vallen zal „naar de werken".
Deze en meerdere schijnbare tegenstrijdigheden nopen sommigen er toe om dien Bijbel als een onbegrijpelijk, raadselachtig boek terzijde te leggen. Of, indien men aan het gezag van dit Woord nog niet dadelijk durft tornen, komt men er toe om in de practijk aan de beteekenis van het geloof tekort te doen, of aan die van de werken, en daardoor aan geen van beide recht te laten wedervaren.
De lijdelijke mensch kan dan niet ontkennen, dat de wekstem : „Werkt niet om de spijze, die vergaat, maar om de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven!", in allerlei toonaard, de gansche Schrift door gehoord wordt, zoo vaak de roepstem tot bekeering weerklinkt.
Maar hij oordeelt, dat het toch maar op het waarachtig, zaligmakend geloof aankomt, en dat dit een gave Gods is, en hij daarom maar 't beste doet met dien eisch te laten rusten en af te wachten, dat, of liever, of dat geloof hem misschien ook geschonken zal worden. Men kan er om vragen, maar meer kan een mensch er toch niet aan doen. Hij acht het gelukkige menschen, wien het geschonken wordt. Maar de jaloerschheid is niet zoó groot, dat zij hem uitdrijft tot den troon der genade. Het is de begeerte van den luiaard, die hem dooden zal.
Daarentegen acht de werkheilige de leer van vrije genade, en daarmede ook die van de rechtvaardiging door het geloof alleen, zonder de werken der wet, een gevaarlijke leer, die goddelooze en zorgelooze menschen maakt. Hij zoekt zijn zekerheid geheel of voor een deel dan toch in eigen werkzaamheden en weet feitelijk met een tekst, als hierboven is afgedrukt, geen weg, tenzij hij er ongelukkigerwijze in slaagt van het geloof toch nog weer een goed werk te maken.
Hij maakt de genade ijdel.
Voor den ongerechtigen man, die zijn aardschgezinde gedachten wil vasthouden, is de prediking der bekeering aanstootelijk — het kruis is immers den levenslustigen Griek een dwaasheid. Maar even ergerlijk is den man, die zich door zijn eigen gerechtigheid een Jacobsladder ten hemel wil oprichten, de verkondiging van de vrijspraak van goddeloozen — den Jood kan het Evangelie slechts een ergernis zijn.
Het is dan ook de ergernis des kruises, die ons tegenklinkt uit dit wonderlijke woord, dat God den goddelooze voor rechtvaardig verklaart.
Geen godsdienstig mensch zou dit woord hebben willen of ook maar durven neer-• schrijven. Het schijnt zelfs wel in lijnrechte tegenspraak met datgene, wat we in het Spreukenboek lezen, dat „wie den goddelooze rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, den Heere een gruwel is".
Dit woord, zoo min als het gansche Evangelie van den Zaligmaker van zondaren, zou, indien het niet in het geopenbaarde Woord Gods stond, ooit als goddelijke wijsheid aanvaard zijn.
Ja, in den grond der zaak doen wij dit ook niet van nature, hoe christelijk en hoe vroom wij ook schijnen mogen en hoezeer het ook.met den mond beaamd wordt.
Als niet-werkende, ja, als goddelooze gerechtvaardigd worden!
Werken, en daardoor verdienen; vroom zijn, deugdzaam zijn, christelijk leven, godsdienstig zijn en daarom gerechtvaardigd worden, dat wil er bij ons in. Misschien met het werk van Christus als aanvulling, maar dan toch in elk geval zoó, dat hetgeen bij ons gevonden wordt, de reden is, waarom het werk van Christus ons wordt toegerekend.
Maar het is. in ons tekstwoord juist andersom. Het is niet: gij hebt dit en dat goede gedaan, — daarom Het is : gij hebt dit en dat kwade gedaan, gij hebt met gedachten, woorden en werken tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd — en nochtans.......
Aanstootelijk woord !
Want het breekt al onze Farizeesche scheidsmuren tusschen mensch en mensch af ; tusschen hoog-en laaggeplaatsten, braven en slechten, godsdienstigen en onverschilligen.
God rechtvaardigt alleen goddeloozen.
Hoe kan dat ?
Hebben . wij tegenover zulk een woord niet op te komen voor de Wet des Heeren,
voor alle wetten van zedelijkheid en recht? En het antwoord moet luiden, dat juist onze tekst het daarvoor opneemt.
Paulus spreekt in dit woord niet tegen, wat hij enkele verzen tevoren gezegd heeft: „Doen wij dan de Wet te niet door het geloof ? Dat zij verre, maar wij bevestigen de Wet!"
Zoolang wij met die Wet en haren eisch, die in zich sluit den eisch der bekeering, geen ernst hebben leeren maken, gevoelen wij meestal wel iets van de klem der Wet, maar wij trachten haar tevreden te stellen, doen ons best, voorzoover wij gelegen tijd hebben, in het gunstigste geval op de wijze van den rijken jongeling, met een : Wat moet ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe ?
Maar als de volstrekte eisch gehoord wordt, gaan we terug. Tenzij die Wet ons niet loslaat; haar diepte peilloos, haar omvang zeer wijd blijkt, haar geestelijk karakter onze gerechtigheid waardeloos verklaart ; tenzij, dank zij Gods genade, die Wet ons voortdrijft met meedoogenloozen ernst, ontdekkend al onze zondigheid, al onze onbekwaamheid, ja onzen onwil om, met verloochening van al het onze, Gode alleen te leven, naar Zijnen wü; tenzij die Wet ons toont, dat er geen dag, geen uur is, waarin wij aan dat zuivere, heilige, volkomene gebod des Heeren voldoen en wij daardoor neergeworpen worden van de hoogte van onzen eigendunk in de diepte van schuldbesef en schaamte.
Geen enkele reden blijft er dan in ons over, waarom de Heere een welgevallen in ons zou hebben.
Integendeel.
Het vonnis Zijner gerechtigheid moet gebillijkt. Zijn recht erkend worden. Zooals de psalmist belijdt:
„k Erken mijn schud, die U tot straf bewoog, Uw doen is rein. Uw vonnis gansch rechtvaardig”.
Alleen, een wonder kan hier uitkomst verleenen.En dat wonder is het, dat den vermoeide en belaste, den verootmoedigde en verslagene hier gewezen wordt in dit raadselachtige woord, dat God den goddelooze rechtvaardigt.
Dat is wonderlijk, gelijk alles aan dat kruis, waardoor Sion nochtans door recht verlost wordt, wonderlijk is.
Het is wonderlijk, gelijk de Naam van Hem, Die genoemd wordt: de Heere onze gerechtigheid, zelf „Wonderlijk" is.
Voor wien het Evangelie nog nooit een „wonder" werd, zooals het wel eens uitgedrukt wordt, „een eeuwig wonder"; voor hem heeft het zijn diepen, zin, zijn rijken, troostvollen inhoud, zijn onwankelbare vastheid nog niet gekregen.
Dit woord van den apostel Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt, is een woord van rijken troost, maar die alleen ontvangen kan worden m een hart, dat naast diepe verootmoediging, óok heilige verwondering kent.
En dan zal ook openbaar worden, dat deze leer geen zorgelooze en goddelooze menschen maakt, omdat het onmogelijk is, dat, wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid!
Juist in dezen weg wordt het recht der Wet vervuld in hen, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.
Dit is hetgeen God in de Hervorming weer, klaarder dan ooit, deed verstaan aan Zijn Kerk en daarin lag het geheim van baar kracht. God volbracht Zijne kracht in hare zwakheid. Hij make ook in dezen tijd velen arm, opdat zij rijk mogen worden in Hem en instemmen met den profeet : „Heere ! Gij zijt mijn God ; U zal ik
verhoogen; Uwen Naam zal ik loven, want Gij hebt wonderen gedaan; Uwe raadslagen van verre zijn waarheid en Vastigheid".
Dirksland
C. van der Wal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's