De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Ik ben de Wijnstok en gij de ranken. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht. Want zonder Mij kunt gij niets doen. Johannes 15 vers 5.

DE WIJNSTOK EN DE RANKEN
Waarde lezers! Met opzet stelden wij het tekstwoord, waarover wij een oogenblik willen nadenken, zóó, dat u onmiddellijk in het oog valt, dat wij deze beteekenisvolle uitspraak van den Heere Jezus in drie deelen kunnen splitsen, die elk op zichzelf van bijzondere waarde zijn.
Allereerst dat: Ik ben de Wijnstok en gij de ranken. Christus sprak dit tot Zijne discipelen en in hen zeker ook tot Zijne Kerk. Nu zullen wij niet breed nagaan, of Hij dit bedoelde voor Zijn volk, de ware geloovigen alleen, of dat dit ook beteekenis zou hebben voor de uitwendige openbaring van de Christelijke Kerk. Het gaat hier om de kern van de zaak.
Zeker, er zijn in de uitwendige openbaring daarvan ranken, die slechts uiterlijke leden van Christus' Kerk zijn. Die, zooals men wel heeft opgemerkt, leven voor een tijd uit het uitwendige van de gemeenschap van Christus. Die leven uit de schors en niet uit de sappen, welke opstijgen uit den wortel. Het kan een mensch voor de eeuwigheid niet baten, of hij al uitwendig tot de Kerk van Christus heeft behoord. Ook al heeft hij dan voor het uitwendige zelfs geijverd en veel dingen gedaan voor de kerkelijke gemeenschap, welke op zichzelve heel goed en zeer prijzenswaardig zijn. Men kan o zoo druk zijn voor de Kerk en voor de Waarheid, tot verbreiding en verdediging daarvan, voor het zuiver houden van alles, en met dit al toch nog een doode rank zijn, die geen vrucht draagt en straks afgekapt en als nutteloos in het vuur, het helsche vuur, geworpen wordt. Wij zeggen dit niet om den waren ijver daardoor te smaden en het echte vuur te blusschen, maar opdat wij steeds voor oogen zullen houden, hoe nauw het er op aan komt, dat wij ons zelf onderzoeken tot welke ranken wij behooren. Dat het gevaar niet denkbeeldig is, dat velen slechts uiterlijk aan Christus' Kerk verbonden zijn, kunnen wij b.v. al leeren uit Matth. 7 vs. 21—23 : „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt : Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen" enz. Wij kunnen ons zelf bedriegen. Lees maar verder in Matth. 7. En denk daarbij ook aan de „dwaze maagden", die met de „wijze" den bruidegom tegemoet gingen. Dat mogen wij in onze kringen wel bedenken, waar wij op willen komen voor het herstel van onze diep gezonken Kerk, die wij ondanks alles toch bezien, als door den Heere Zelve in onze landen geplant.
De ranken, die waarlijk uit den wortel van den wijnstok, Christus, leven, dat zijn de ware Christenen, Gods kinderen, die Hem door een waar geloof zijn ingeplant, dat alleen is een gewrocht van den Heiligen Geest. Het gaat er nu niet om, hoe dat gebeurd is, en zij daartoe gekomen zijn, maar zeker is het, dat wij nooit ware, levende, vruchtdragende ranken, echte Christenen, oprechte geloovigen kunnen zijn, dan door waarachtige wedergeboorte des harten en vernieuwing des levens. Dan eerst zullen wij waarlijk bij aanvang en voortgang leven uit Christus. Maar dan zullen wij ook nauwe verbintenis aan Hem kennen. Is het dan niet dadelijk een welbewust en een vast verzekerd leven uit Hem, dan zal toch het hart Hem begeeren en de ziel uitgaan naar Hem en Zijn verdiensten. O, hoe gelukkig, voor wie dat zekerheid worden mocht! Maar daar zal ook van harte worden ingestemd met wat Petrus betuigde : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar, en wat Johannes schreef : wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dan wenschen wij maar meest van Hem te hooren en te vernemen en stemmen wij in met Paulus' woord: Maar Christus is alles en in allen. Hij en Zijn werk, Zijn verdienste alleen en geheel, de eenige grond van gansch ons betrouwen. Dan wenschen wij niets anders te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Om Hem kan zulk een mensch zichzelf vergeten en hoe langer hoe meer op den achtergrond geraken. Mag Zijn naam maar heerlijkheid en eere ontvangen en Hij maar uitblinken in de schoonheid en den rijkdom van Zijn Middelaarsvolheid en heerlijkheid. En door Hem nu ook de verbintenis aan het heerlijk Goddelijk Wezen.
Dan hebben wij daarop een levende betrekking en aan dat Wezen een zalige verbintenis verkregen. Dan kunnen wij — althans bij oogenblikken o zoo sterk — niet buiten den Heere leven en niet buiten Hem werken. Dan hebben wij Hem noodig en Hem ook in alles op 't oog.
Kent gij dat, lezers? Zonder dat heeft uw christendom geen waarde en is het niet van het echte gehalte, mist het de hemelsche keur.
Bij wien daarvan iets. wordt gekend, wordt ook dat volgende verstaan, althans ter harte genomen : die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht.
Maar hoe moeten wij dit verstaan ? Is er dan gevaar, dat ook nog de ware ranken van den wijnstok afvallen, afgesneden worden ? Kunnen dan echte Christenen, ware geloovigen, nog van Christus afvallen ? Neen, lezers, dat niet! Er bestaat geen afval der heiligen! Dat belijden wij wel, als goed Gereformeerde menschen, met de belijdenis onzer Vaderen, zoo kernachtig weergegeven in de Vijf artikelen tegen de Remonstranten. Dat houden wij staande tegenover oude en nieuwe, heele en halve Remonstranten ook van onzen tijd. Dat zoeken wij te weren als dat, ook op verkapte wijze, in onze kringen zou trachten binnen te dringen. En toch staat daar dat gewichtig woord van Christus : die in Mij blijft en Ik in hem. Daar is toch een mogelijkheid om uit Hem te geraken. O, neen, niet absoluut, niet voor goed, niet voor altijd, maar voor een tijd, kort of lang. Neen, Christus snijdt de band niet door, ook al zeggen de Zijnen en doen zij alsof zij Hem niet kennen. Al zijn zij Hem ontrouw, Hij blijft getrouw. Hij. kan zichzelven niet verloochenen. Zijn trouw wordt nooit te niet gedaan. Ja, dat is een heerlijke troostgrond voor gekneusde harten, die er onder lijden en die het door droeve ervaring maar al te wel verstaan, dat zij uit Hem, dat is uit Zijn zalige gemeenschap konden geraken. Dan heeft het harte rouw, dat zij Hem zoo smadelijk konden vergeten en buiten Zijne gemeenschap konden leven, dagen zonder getal. Dat niet in Hem blijven en Hij niet in hen, dat wordt dan droeve werkelijkheid, als de ziel, die eerst zoo gezet was op die zalige omgang met dien dierbaren Borg en Zaligmaker, langzamerhand — men weet niet, wanneer het eigenlijk begon en hoe het kon — wel minder noodig heeft, zelfs wel op eigen gelegenheid kan gaan en niet meer door Zijn hand zoo sterk begeerd geleid te worden. Maar daar begint het afzwerven van Hem en het omzwerven buiten Hem. Daar wordt weer opgezocht, wat men te voren verlaten had. Neergeworpen afgoden worden heimelijk weer overeind gezet en stillekens wierook daaraan gewijd. Zonden, die uitgedreven waren — niet enkel maar schenen — krijgen weer nieuw leven en worden steelsgewijs weer aangehangen. Er wordt niet meer zulk een tegenstand daartegen geboden, daar komt een soort wapenstilstand in den goeden strijd des geloofs, waar het toch eigenlijk moet zijn een altijd sterken wederstand zoeken te doen — in afhankelijkheid van den alleen bekwaammakenden Heiligen Geest. Men raakt aan het verflauwen en aan het verkwijnen. Den Heiligen Geest worden smarten aangedaan, straks uitgebluscht. Christus en Belial kunnen niet samengaan, het vleesch begeert tegen den Geest, het zondige tegen het geestelijke en dat tot schade van het laatste. En nu wil Christus de Zijnen getrouw waarschuwen, opdat zij Hem niet verlaten en vergeten. Daarom dringt Hij er op aan, dat zij immer Zijn gemeenschap zouden noodig hebben en die gedurig zouden zoeken. O, aan zichzelf overgelaten, worden zij zoo gemakkelijk een prooi der vijanden, die er immer op uit zijn om die heerlijke verhouding, die er is tusschen Christus en Zijn liefhebbers, te verstoren.
In Zijn gemeenschap, dicht bij Hem en met Hem levende en raadplegende. Hem in alles te blijven noodig hebben is de onmisbare voorwaarde om veel vrucht te dragen. Veel vrucht. Zeker, ook' uitwendige vrucht, in het benaarstigen van alles, wat Hij heeft ingesteld, dat zelfs uitkomt in het liefde en barmhartigheid bewijzen aan de minste van Zijne broederen. Nooit mag het uiterlijke verwaarloosd worden omdat het gevaar bestaat, dat er velen zijn, die hun Christendom maar in het uiterlijke zoeken. Doch vooral zal dit uitkomen in echte geestelijke vrucht, die gevonden wordt in dat waarlijk liefhebben van den Heere en het uit Hem hoe langs hoe meer te leven, uit Zijn schatten te verkrijgen om tot Zijne eere die ook uit te dragen, met den drang des harten in „de vrucht der lippen, die Zijnen Naam belijden". Dat is eeuwigheidsvrucht, levensvrucht. Dat zal eenmaal eeuwig het heerlijk werk zijn, het dragen van altijd nieuwe vrucht, dat zij des Heeren eer en heerlijkheid zullen zoeken en werken. Dat wil Hij, dat de Zijnen ook hier zullen doen. Dat is vrucht dragen tot Zijn heerlijkheid, maar ook tot hunne zaligheid. Daardoor worden zij ook als uit de vruchten van hun geloof verzekerd. Wie van hen zou niet, als zij er recht bij mogen staan, begeer en zooveel vrucht te dragen ? Nu, dat zullen zij, indien zij veel zoeken om in Zijne gemeenschap gevoelig en bevindelijk te mogen deelen. Wij vreezen, dat bij velen van hen dit in onzen tijd zoo veelszins wordt gemist. Daarom lijkt ook van velen het geestelijk leven toch zoo arm en zoo schraal. Het leven is er nog wel, maar 't komt niet krachtig en levendig uit. Zal het dit weer zijn, dan moet gezocht, geworsteld worden om in die gemeenschap weer te deelen.
Lezer, is dat misschien ook voor u zoo noodig, dat gij meer, beter, ernstiger acht geeft op dit woord van Christus : die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht ?
Dat wij dan acht geven op dat laatste deel van onzen tekst: want zonder Mij kunt gij niets doen.
Neen, dat is niet gezegd om de traagheid, de lusteloosheid, de vadsigheid van het logge vleesch in het gevlei te komen!
Christus leert het den Zijnen niet om daardoor maar de teugels slap te laten hangen en maar te laten gaan wat gaat, er kome dan van wat wil. O, neen. Hij roept het hun toe : richt weder op de trage handen en de slappe knieën en stelt de struikelende enkelen vast. Laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld wordt, ziende op den oversten leidsman en voleinder des geloofs."
Dat is geen woord om voedsel te geven aan de geestelijke luiheid om zich achter de onmacht te verschuilen, waar het ik kan niet zoo gemakkelijk op den voorgrond wordt gezet, waar eigenlijk het ik wil niet eerlijk zou moeten worden beleden.
Maar dat. „zonder Mij kunt gij niets doen" spreekt Hij, opdat de Zijnen het in het dragen van veel, zelfs van eeuwige vrucht nooit zouden verwachten van zichzelf of van eigen kracht, wijsheid, bekwaamheid en wat al meer.
Hij zegt dit niet, opdat zij maar een verontschuldiging zouden hebben — zooals zoo menigeen, die zich op zijn onmacht beroept, als er geen levensvrucht openbaar komt — doch opdat zij zoeken zouden en begeeren om al hun vrucht uit Hem te verkrijgen. Hij zegt niet, dat het, omdat zij het niet vermogen uit zichzelf, gansch onmogelijk zoude zijn dat zij vrucht dragen, maar juist omdat het uit Hem kan en ook geschiedt. Zóó wordt het verstaan, telkens meer, steeds inniger : Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwak­heid volbracht. Dat is de les om te mogen erkennen : „als ik zwak ben, dan ben ik machtig; ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft". O, ziet dat in Paulus, die zeker wel overtuigd was van eigen zwakheid en onmacht, zoodat hij verklaarde: „wij zijn niet bekwaam om iets te denken uit onszelve", maar die toch ook tegelijk ervaren mocht, dat hij overvloedig had gearbeid meer dan anderen. Toch schrijft hij niets zichzelf toe, want hij zegt: „doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is".
Lezer, hoe staat het met u ? Zijt gij nog altijd bezig den dood vruchten te dragen door de zonde, die in u is en heerscht ? Dan zijt gij bezig om den eeuwigen dood over u uit te werken. Verschuilt u toch niet achter uw onmacht, want Christus is machtig. En dat geldt bijzonder voor allen die tot het dragen van levensvrucht gesteld zijn, opdat zij den Heere zouden verheerlijken. Onderzoek uzelf, in afhankelijkheid van den ontdekkenden Geest des Heeren, wat hiervan tot u gesproken is.
Drijve de Heere al Zijn volk veel tot Hem uit, opdat zij buiten Hem niet leven kunnen.
Lage-Vuursche.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's