De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

11 minuten leestijd

Israël en Christus.
Zoo heeft de Heere gewild, dat het volk Israël zijn oog zou richten op Christus. En hoezeer ook de Israëlieten afvallig waren en een wederhoorig kroost, de gedachtenis aan de belofte, dat God door Zijn Gezalfde verlossing zou brengen, is niet uitgewischt. Eerst in den Christus zou het verbond der genade bestendig zijn. Zelfs de gewone man in Israël, het volk, is daarmede bekend geweest. De verwachting Israels in de toekomst van den Verlosser leefde. Hoe anders, zoo besluit Calvijn, konden de kinderen zelfs het Hosanna aanheffen bij den intocht des Heeren te Jeruzalem ? (Matth. 21 vers 9).
Omdat de weg der verlossing in den Middelaar was voorgenomen bij God, kon de Heere Jezus Christus Zijn discipelen bevelen in Hem te gelooven, opdat zij in God gelooven mochten. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. (Joh. 14 vs 1). Calvijn wijst daarin op den grond en de noodzakelijkheid van het geloof in den Christus, zoodat het buiten Hem geen kracht heeft.
Het is wel waar, zegt, hij, dat het geloof opklimt tot God den Vader. Het geloof steunt op God den Vader. Wat komt er echter van dat geloof terecht hetwelk zich onmiddellijk op God richt. Wij zien het in de wereld, dat het verdwijnt. Het verkrijgt echter zijn vastigheid, wanneer de Middelaar tusschentreedt, die het fundament des geloofs is.
Bovendien is Gods heerlijkheid te hoog voor sterfelijke menschen, die als wormen op de aarde kruipen. Zij kunnen daarin niet doordringen. Daarom neemt Calvijn ook slechts onder voorbehoud het algemeene zeggen over, dat God het voorwerp is, waarop het geloof ziet. Immers God is de Onzienlijke en boven deze wereld Verhevene. Het voorbehoud bestaat dan daarin, dat er een verklaring moet worden toegevoegd, waarover men het ook eens behoort te zijn. Immers wordt Christus genoemd het beeld van den Onzienlijken God. Zoo kunnen wij dien God niet kennen zonder dat Hij ons in Christus voor oogen komt. (Coloss. 1 vs. 15).
Zoo is dan de eerste trap tot de godsvrucht, te belijden, dat God ons een Vader is, die ons beschermt, regeert en koestert en in Zijn Koninkrijk vergadert, waaruit openbaar wordt, dat de zaligmakende kennis Gods zonder Christus niet kan bestaan.
Het is van groot belang, ook in onze dagen eens kennis te nemen van de leer. zooals die door Calvijn wordt geleerd.
Men maakt zich druk over kerk en belijdenis en, helaas, niet zelden op een wijze, die den indruk moet wekken, dat men eigenlijk niet eens nauwkeurig met de belijdenis op de hoogte is.
Zoo komt het ook voor, dat men de leer van Calvijn verwerpt, terwijl men eigenlijk nimmer de moeite heeft genomen om die te onderzoeken en te leeren kennen. Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. (1 Joh. 2 vs. 23). Wanneer men daarvan.doordrongen wordt, zal worden gevoeld, van hoe groote waarde de kennis van den Zoon is, zoodat wij zonder Hem God niet tot een Vader kunnen hebben.
De Zoon is maar niet een afschijnsel van God, als ware Hij eigenlijk wat minder en geringer dan God, maar Hij is God, in Wien en door Wien God alleen door ons gekend kan worden.
Daaruit volgt, dat een godsdienst zonder Christus geen kracht Gods tot zaligheid zijn kan en dat allen, die afkeerig zijn van den Christus der Schriften, door Calvijn met de Turken worden vergeleken, die wel betuigen, dat God den hemel en de aarde heeft geschapen, maar nochtans een afgod in de plaats van den waren God oprichten.
Als Calvijn er op wijst, dat wij zonder den Middelaar geen waarachtige Godskennis kunnen hebben, veroordeelt deze leer ook allen, die meenen, dat de mensch met zijn eigen verstand tot de kennis van God zou kunnen doordringen.
Zoo zijn er nog altoos in de wereld en in de kerk, die den Christus wel voor een bijzonder mensch, voor een profeet houden, doch Hem de majesteit en de heerlijkheid ontzeggen, welke Hij zich zelf toeschrijft : Ik en de Vader zijn één.
Allen, die zich bezighouden met de geestelijke en met de kerkelijke zaken, mochten wel in de eerste plaats zich inspannen om de leer der reformatoren klaar te verstaan en ijverig kennis te nemen van het licht, dat zij over het religieuse leven deden opgaan. En om de zuiverheid van zijn blik in de religie der Schriften, èn om de klaarheid van zijn theologie èn om den invloed, uitgeoefend op het leven van kerk en volk in de landen, die van hem wilden onderricht zijn, kan men slechts tot schade van zichzelf en van anderen voorbijgaan aan de geschriften van Calvijn.
Wij wijzen daarop nadrukkelijk degenen, wier belangstelling uitgaat naar de hedendaagsche nieuwigheden, die op het gebied van kerk en theologie kunnen worden gehoord. Nieuwigheden, die worden aange­prezen, alsof zij den waren zin der reformatorische leer hadden gegrepen en wortelden in den bodem der reformatie. Velen hebben zooveel gedronken uit de bron van de moderne Duitsche theologie, dat zij den smaak van de echte theologie kwijt zijn en zich deze nieuwigheden voor echte waar in de hand laten stoppen.
Het is een ellende te midden van alle verwarring, dat er zooveel gebazeld wordt over den Christus, over Zijn leer en over Zijn kerk, terwijl men behoorde gehoorzaamheid aan Zijn Woord te bewijzen.
Christus, het einde der Wet.
Waartoe werd de Wet gegeven ?
Niet, opdat zij van Christus zou afvoeren, maar opdat zij een verlangen naar Christus zou ontsteken in de harten. Hoe is dat mogelijk? Hoe kan de wet afvoeren van Christus ? Volgde men maar meer getrouw de Wet. Bracht men maar de gehoorzaamheid, welke men schuldig is. Hoeveel ellende en verwarring zou de wereld bespaard worden, indien zij de Wet tot richtsnoer van haar handeling maakte ?
Ja, ja, zoo hebben de Joden ook gedacht. Wie denkt niet aan het beeld van den Pharizeër, die een tuin om de Wet plaatst, d.w.z. : Hij omringt de Wet met een gansche reeks van menschelijke geboden, die om der wille van de Wet niet mochten worden overtreden. Het was een voorzorg. De man, die daarop acht gaf, zou zelfs aan de Wet niet raken.
„Gijlieden verdient de dille en de komijn !" Ziet, hoe groote nauwgezetheid! De Wet eischt de tienden van alles, als het deel der priesteren en levieten. Van de tien mud tarwe, die gewonnen worden, één mud naar den tempel. De Pharizeër laat er zich op voorstaan, dat hij ook de tienden van een handjevol specerij uit een hoekje van den tuin afzondert.
Zoo ging de religie op in Wetsbetrachting. Zou de betrachting der Wet dus verwerpelijk zijn ? Wel neen : Gij moet het een doen en het andere niet nalaten. De apostel Paulus teekent ons echter klaar de ijdelheid van het ideaal van den Pharizeër. (Philipp. 3).
Het bedoelde een gerechtigheid voort te brengen, die voor God zou kunnen bestaan, alsof de gevallen mensch in staat ware uit de werken der Wet gerechtvaardigd te worden. En indien dat zoo ware, zou de Christus overbodig zijn. Men zou geen Middelaar noodig hebben, want men kon zijn eigen zaligheid werken. Welnu, daarom legt Calvijn er den nadruk op, dat God Zijn Wet niet heeft gegeven, opdat zij het verkoren volk van Christus zou afleiden, maar integendeel, een opvoeder tot Christus zou zijn.
Wat verstaat Calvijn hier onder de Wet?
Niet alleen de tien geboden, maar de gansche inrichting van den godsdienst, welken God door de hand van Mozes gaf. Deze dienst beteekende dus ook niet een nieuwigheid, alsof de zegen Abrahams te niet werd gedaan en een nieuw verbond werd opgericht.
Den geheelen dienst der Wet noemt Calvijn een bespottelijke zaak, indien deze op zichzelf gewaardeerd wordt. Het zou een ijdele gedachte zijn, te meenen, dat de menschen zich met God verzoenen door het vette der beesten te offeren, alsof zij door besprenging met bloed en water de onreinheid zouden kunnen afwasschen.
Neen, deze dingen krijgen eerst beteekenis, wanneer zij als schaduwen der waarheid worden genomen. Aan Mozes werd dan ook bevolen, dat hij den tabernakel en wat daarbij behoorde, zou maken naar het exempel, dat hem op den berg getoond was. (Ex. 25 vs. 40).
Indien den Joden in den uiterlijken godsdienst niet iets geestelijks ware voorgesteld, zouden zij dien vergeefs hebben waargenomen en evenals de heidenen zich met ijdelheden hebben opgehouden.
Zij, die dan ook in de godzaligheid niet geoefend zijn, hooren met afkeer van sommige plechtigheden, die in den Oud-Testamentischen dienst waren voorgeschreven. Zij hebben daarvoor verachting en noemen het kinderspel, omdat zij alleen op het uiterlijke letten en den waren zin niet verstaan.
De dienst der schaduwen bedoelde echter de menschen op te trekken tot de geestelijke dingen. God is een geestelijk Wezen. Daarom kan Hem alleen een geestelijke dienst behagen.
Met recht kan Calvijn op deze dingen wijzen, omdat hij in goed gezelschap verkeert. Immers de profeten hebben herhaaldelijk het volk vermaand en van onverstand beschuldigd, wanneer het de meening koesterde, alsof de offeranden bij God aanzien en beteekenis zouden hebben.
Daarmede hebben zij niet te kort gedaan aan de Wet, maar zij hebben die uitgelegd en getracht de oogen van het volk te openen voor den geestelijken zin, waarvan het afdoolde, n.l. de aanneming tot kinderen. Zij zouden Gode wezen tot een priesterlijk koninkrijk. Daartoe moest een betere verzoening komen dan die, welke uit het bloed der beesten ontstaan kon.
Het was toch onmogelijk, dat de kinderen van Adam, die allen door een erfelijke onreinheid zijn bevangen, zulk een goed als het koninkrijk Gods zouden kunnen deelachtig worden, indien het niet van buiten kwam.
Welk recht had het Oud-Testamentische priesterdom, indien de priesters niet in een heilig Hoofd geheiligd waren geweest ? Zoo is dan de volheid der genade, die de Joden onder de Wet hebben gesmaakt, in Christus toegebracht: Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Priesterdom (1 Petrus 2 vs. 9).
Calvijn maakt zijn lezers er opmerkzaam op, dat Petrus de woorden omzet: priesterlijk koninkrijk wordt koninklijk priesterdom. Hij ziet daarin, dat Petrus wil uitdrukken, dat de Israëlieten door Christus meer verkregen hebben dan de Vaderen.
Hoe ver de groote reformator de beteekenis der Wet uitstrekt, blijkt daaruit, dat hij ook het koningschap in Israël, dat ten laatste in het huis van David is opgericht, tot de Wet gerekend wil hebben.
Het koningschap Israels behoort dus onder den dienst des Ouden Verbonds of den dienst van Mozes.
Zoo vergelijkt Calvijn den ganschen dienst bij twee spiegels : t.w. de nakomelingen van David en de Levieten, waarin Christus voor de oogen des volks is gesteld.
Voor God kunnen zondaren zoo min koningen als priesters zijn, omdat zij slaven zijn van zonde en dood. Uit dien hoofde zijn de Joden onder de Wet als onder het opzicht van tuchtmeesters geplaatst, totdat het Zaad zou komen, om Wiens wil de belofte hun was gegeven. Zij. waren als kinderen, die de volle wetenschap der hemelsche dingen nog niet konden verdragen. (Gal. 3 VS. 24).
Inmiddels werden zij geleid tot Christus aan de hand der ceremoniën en door de onderwijzing der profeten. Zoo heeft Jesaja gesproken van de eenige offerande. (Jes. 53 VS. 5 ; vgl. Daniël 9 vs. 26, 27). Psalm 110 gewaagt van den Hoogepriester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.
Voorts verwijst Calvijn naar den brief aan de Hebreen, die uitvoerig over deze dingen handelt.
Ook aangaande de Tien Geboden heeft men op Paulus' vermaning te letten, dat het einde der Wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. (Rom. 10 VS. 4). In 2 Cor. 3 vs. 6 schrijft hij, dat Christus is de Geest, die de letter der Wet levend maakt, waarom hij Christus noemt de vervulling der Wet. Verder leert Paulus in Gal. 3 vs. 19, dat de Wet is gegeven om der overtredingen wil om den mensch te overtuigen van zijn oordeel en te verootmoedigen.
Paulus zet de Wet wel eens op zich zelf. Hij deed dat in den strijd tegen de nomisten, die leerden, dat de mensch de gerechtigheid verdient uit de werken der Wet. Men mag daaruit echter niet de conclusie trekken, dat hij de Wet losmaakt van het Verbond der genade, waarmede zij is bekleed. Dit kan trouwens uit bovenaangehaalde plaatsen, waarin de Wet en Christus verbonden zijn, worden verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's