KERKELIJKE RONDSCHOUW
MOE VAN HET UITRUSTEN
In „Briefjes uit Vriendschap" van den emeritus-predikant Nobel, dien wij vroeger in z'n kracht gekend hebben, als propagandist voor de Vrijz. Hervormde beginselen, lazen we een opwekkend woord aan alle Vrijzinnige gemeenteleden om nu aan 't werk te gaan in 't belang van de Kerk en van de Vrijzinnige pers. Dan gebruikt ds. Nobel die typische uitdrukking : Iaat ons nu allen, moe van hel uitrusten, aanpakken.
Wij willen dat woord hier overnemen. Wij allen hebben nu maanden achter elkaar rust gehad. Maar nu is er de Novembermaand, die ons roept tot „aanpakken". Met December begint onze nieuwe jaargang.
Willen we nu allen de propaganda voor „De Waarheidsvriend" eens ter hand nemen en probeeren één of meer nieuwe abonné's te werven voor ons Bondsorgaan ?
Wij zullen voor iedere poging om het aantal lezers en abonné's op te voeren, ten hoogste dankbaar zijn.
We rekenen natuurlijk allereerst op de hulp van onze Afdeelingsbesturen en de medewerking van al de leden. Laat men eens probeeren, deze of gene te winnen als lezer en abonné. Men kan te Maassluis proefnummers aanvragen.
Ook waar geen Afdeeling is, maar „losse" leden van den Gereformeerden Bond wonen, of lezers van „De Waarheidsvriend" zijn, kan en wil. deze of gene wellicht óók wat doen. Geef ons blad eens bij menschen, waarvan men eenige gedachte heeft, dat zij misschien óók wel abonné zouden kunnen en willen worden. Een enkel persoonlijk woord kan van zoo'n grooten invloed zijn.
Wij zouden 't heerlijk vinden, indien door veler medewerking „De Waarheidsvriend" mocht worden vooruit geholpen in lezersaantal.
Wie wil mee-aanpakken ? Maassluis wacht op aanvragen.
KORT HISTORISCH OVERZICHT
inzake de Kerkelijke Goederen enz.
De „geestelijke-en kerkelijke goederen" stammen voor een groot deel uit den tijd van de Roomsche Kerk. Ze zijn veelal ontstaan uit giften en schenkingen van Roomschen voor Roomsche doeleinden.
Die kerkelijke goederen en fondsen waren „stichtingen", met een bepaalde bestemming. Die „stichtingen", welke we moeten zoeken in de „plaatselijke" gemeente (vóór 1816 sprak men niet van het algemeen genootschap, maar toestonden alleen de plaatselijke gemeenten, die in Synode enz. samenkwamen), hadden een „vroome" bestemming, en heetten dan ook stichtingen ad pios usus ; stichtingen dus voor „vroom gebruik".
Nu was niet de Kerk of de pastorie of de kosterij de eigenaar. Het eigendom, was aan de stichting zelve ; al is 't waar, dat de stichting een bepaalde bestemming had. Doch eigendom en bestemming mag men niet verwarren, 't zijn twee verschillende dingen, en de eigendom was aan de stichting, terwijl dan die goederen beheerd moesten worden met 't oog op die bepaalde kerkelijke of geestelijke bestemming, 't zij voor de Kerk, voor de pastorie of de kosterie. Zoo kwamen de baten van „de stichting" of „het fonds", dat door giften en schenkingen was gevormd, ten voordeele van de Kerk, de pastorie enz., maar waren niet het eigendom van de Kerk van de pastorie, enz.
„De meest juiste verklaring der historisch vaststaande feiten op dit gebied moet dan ook geacht worden" — zegt mr. De Bie in de Inleiding van zijn boekje over het Algemeen Reglement op het Beheer (4de druk. Drukkerij Stichting Hoenderloo, 1938) „dat de stichtingen zelve eigenaressen waren der tot haar behoorende
goederen ; zij vormden eigen vermogenscomplexen". (blz. 8)
Zoo'n stichting of „Kerkfabriek" moest beheerd worden, 't welk veelal geschiedde door „Kerkmeesters". Die hadden niet het eigendom, maar het beheer ; 't was niet hun eigendom, maar zij hadden de taak het goed van „de stichting" te beheeren, onder toezicht van allerlei instanties ; „maar zonder eenige inmenging van den Kerkeraad als zoodanig, en steeds onder de Overheid als Opperkerkmeester". Dit laatste — aldus mr. De Bie — „vindt z'n verklaring in het canonieke recht, waar de geestelijke Overheid het oppertoezicht ook over de kerkelijke en geestelijke goederen uitoefende. Toen die geestelijke Overheid bij de Kerkhervorming wèg viel, trad de wereldlijke Overheid in hare plaats. Zij besliste, dat de Gereformeerde religie de ware Christelijke was, en dat dus de geestelijke en kerkelijke goederen, stichtingen met bepaalde „vrome bestemming" zijnde, aan dien waren godsdienst zouden worden toegewijd". „Het verbod der Overheid tot uitoefening der Roomsche religie sloot de kerkgebouwen voor de Roomschen, maar de erkenning van de Gereformeerde religie als de ware Christelijke godsdienst, opende meteen voor de belijders daarvan, de deuren dier heiligdommen" (blz. 9). „Evenzoo konden de pastorieën alleen aan Gereformeerde leeraars worden gegeven, kosterie-goederen alleen aan kosters der Gereformeerde Kerken ten goede komen".
„Dit alles geschiedde, niet omdat de Kerken het zoo wilden, neen, maar op autoriteit der wereldlijke Overheid. Zij was de voedsterheer der Kerk, en zij hield als Christelijke Overheid een soms zeer diep ingrijpend toezicht op het beheeren van die goederen en op het gebruik daarvan". In Utrecht b.v. hadden de beheerders „voor vervreemding of bezwaring van kerkegoederen machtiging van den Raad der stad Utrecht noödig". Hoe ging het nu verder ?
Er kwam door de veranderde houding van de Overheid ten opzichte van de Kerk, groote verandering inzake het beheer en de behartiging van de kerkelijke goederen en fondsen. „In verschillende provincies werden door de Staten „geestelijke Kantoren" gevestigd, onder wier beheer die geestelijke goederen werden gesteld, wier richtig beheer anders niet voldoende was verzekerd. Zoo stelden de Staten van Holland in lö77 „het geestelijk Kantoor van Delft" in, onder welks beheer de inkomsten der pastorieën ten platten lande werden gesteld. Dat Kantoor voorzag dan — met subsidie van Overheidswege — in de predikantstractementen, en óók wel in andere kerkelijke uitgaven".
Dit was geen onteigening, waarbij de eigendom der goederen aan de Staten kwam, neen, de verschillende Stichtingen werden tot ééne Stichting vereenigd, met dezelfde bestemming. Ook na de Reformatie hieven in 't algemeen stichtingen met bepaalde vrome bestemming gehandhaafd, ook voor nieuw gefundeerde goederen.
Maar dan komen er op 't eind van de 18e eeuw wéér groote veranderingen.
5 Aug. 1766 viel het besluit der Nationale Vergadering, dat de Gereformeerde leer niet meer van Overheidswege als de waarheid erkend werd. En waar de kerkelijke goederen voor het groote meerendeel „stichtingen ad pios usus" waren, werden ze beheerd door Kerkmeesters, los van de bestuursorganen en onder toezicht van de wereldlijke Overheid ; voorzoover deze ook het beheer niet.... geheel aan zich had getrokken ! Maar de nieuwe tijd veroorzaakte dat er allerlei nieuwe plannen kwamen om deze zaak aangaande de kerkelijke goederen opnieuw te regelen.
Toen de gedachte eener heerschende of bevoorrechte Kerk losgelaten en verworpen werd, wilde men soms radicaal ingrijpen in de kwestie van de kerkelijke goederen, en wilde men al de goederen der Kerk vervallen verklaren en ten algemeene nutte bestemmen (voor : onderwijs, armenzorg, enz.). Maar zóó ver is het niet gekomen. Slechts de goederen, tot dien tijd door de „geestelijke Kantoren" geadministreerd, werden nationaal verklaard. Maar dan : onder verplichting voor den Staat om de tractementen te blijven uitkeeren.
Vele plaatselijke kerkegoederen (die dus niet geadministreerd werden door de „geestelijke Kantoren") werden dikwijls ter beschikking gesteld van de plaatselijke, burgerlijke Overheid, die dan schikkingen kon treffen ten opzichte van de verschillende Kerkgenootschappen.
„Zij moesten verdeeld worden, en was dit niet mogelijk, dan moest in iedere plaats het Kerkgenootschap met het grootste aantal leden de vóórkeur hebben, en de overige Kerkgenootschappen kregen dan een uitkeering in geld en deden daartegenover afstand van al hunne aanspraken op die goederen". De kerkelijke goederen werden als aanhangsels der kerkgebouwen beschouwd en de pastoriegoederen als aanhangsels der pastorieën. Die de kerk kreeg, kreeg ook de kerkelijke goederen, die de pastorie kreeg, kreeg óók de pastoriegoederen. Men kan begrijpen, dat die „onderlinge" schikkingen heel wat voeten in de aarde hadden.
De Staatsregeling van 1801 bepaalde : „Ieder Kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer eeuw door hetzelve werd bezeten". (Art. 13).
„Dat het woord „Kerkgenootschap" hier plaatselijke gemeente beteekent, staat historisch reeds hierdoor vast" — aldus mr. De Bie — „dat er van een algemeen genootschap (vóór 1816) nog geen sprake was en de regeling bedoelde het bestaande te consolideeren".
[In Overijssel b. v. werden verscheidene kerkgebouwen door Koning Lode wijk aan de Hervormden onttrokken en ter beschikking van den Roomschen eeredienst — vroeger door de Overheid afgeschaft — gesteld, maar hoewel de Koning dit nog op ruime schaal had willen toepassen, de politieke gebeurtenissen van 1810 en 1811 maakten dit onmogelijk].
„Het herboren Vaderland van 1813 vond de kerkelijke goederen onder het beheer der plaatselijke gemeenten, maar het toezicht, dat onder de Republiek de wereldlijke Overheid had uitgeoefend, was sinds 1795 weggevallen.
Hierin school uiteraard een ernstig gevaar en Koning Willem I greep in".
En zoo komen we, na de jaren van vóór de Reformatie, tot de tweede periode, die van 1816—1869, de tijd van het gecentraliseerde Staatstoezicht.
HET BEGINSEL VAN DE REFORMATIE.
Voor ons staat vast, dat de geschiedenis de verwerkelijking is van Gods raad. Zijn gedachten worden er in uitgewerkt. Zijn welbehagen wordt er in volvoerd. De geschiedenis is maar niet een reeks van toevallige gebeurtenissen, waarbij het noodlot regeert, met al die zwarte donkerheid en duisternis van het noodlot. Ook is het niet het determinisme, dat heerschappij voert, dat harde, strenge, onwrikbare determinisme, waarbij 't eene rad zich beweegt omdat het andere rad ingrijpt, zooals bij de machine, met de ijzeren wet der noodzakelijkheid om te draaien.
Neen, de Heere regeert. Wat we óók zien in de geschiedenis van de Hervorming.
Er was niets dan de Roomsche Kerk, met de heerschappij van den Paus, van de traditie, van de Roomsche dwaling. Alle specifieke Roomsche leerstukken waren overeenkomstig de pauselijke voorschriften. Alle ceremoniën en practijken naar den regel der Kerk. Alles was één, door die pauselijke macht.
Toen kwam God, om het Woord terug te brengen. Zijn Woord, Zijn Evangelie. En het Protestantisme is het terugkeeren tot Gods Woord en Waarheid, om daarvan getuigenis te geven en belijdenis te doen. Leer en leven naar Gods Woord !
Er kwam een verbreken van het pauselijk juk, dat op de Kerk en op de Staten en regeeringen zoo zwaar, zoo loodzwaar drukte. En er kwam vrijheid, om God vrij te dienen naar Zijn Woord.
Nooit heeft de Hervorming bedoeld vrij te maken van het pauselijk juk en dan vrijheid, te geven om verder alles naar eigen willekeur te doen ! Natuurlijk niet ! De Hervormers zijn opgekomen voor het Woord. Ze hebben gevochten tegen al die leugenachtige dingen van de Roomsche Kerk, die dwingend werden opgelegd. Van die dwang, van dat juk wilden ze worden bevrijd. Gods eer en der zielen zaligheid was in het geding ! En ze wilden terugkeeren tot Gods Waarheid. In het beschreven Woord van God, in de Schriften, vonden ze Gods wil en Gods weg. Daar was het Evangelie tot zaligheid. En daarom wilden zij hun hals buigen onder dat juk van Gods Woord en achter Christus aan wandelen, niets anders wetende, dan het Evangelie Gods tot zaligheid geopenbaard een iegelijk die gelooft.
Van het ééne beginsel kwamen zij tot het andere beginsel, van den eenen weg tot den anderen weg, van 't eene juk tot het andere — en het was hun niet zwaar !
De Hervormers wilden niets weten van. willekeur ; niets van eigenwillige godsdienst ; maar alleen van Gods Woord en Gods Waarheid. Naar dien regel wilden zij wandelen !
De Hervorming heeft nooit willen wezen de baanbreekster voor de willekeur van het geweten, de moeder van het ongeloof. Laat de eigenwijze, eigengerechtige mensch aan zichzelf over, en ge krijgt de allerdwaaste en allerzondigste dingen, al is 't dikwijls dat de leugen en dwaalleer en zonde en ongerechtigheid zich hult in een kleed van een engel des lichts !
Als Rome dus zegt, dat uit de Reformatie de Revolutie is voortgekomen, dan spreken we dat ten sterkste tegen.
Als het Modernisme zegt, dat de Reformatie de baanbreekster is geweest voor de opperhoogheid van het geweten, dan ontkennen we dat.
Als het Rationalisme zegt, dat de Reformatie vrijgemaakt heeft van de traditie der Roomsche Kerk, om het verstand nu te bekleeden met de hoogste autoriteit, dan spreken we dat tegen.
Niets daarvan.
De Hervorming heeft teruggebracht Gods Woord en geleerd, dat we naar dat Woord hebben te wandelen en te handelen. Wij hebben te gelooven alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, waarvan het middelpunt is Jezus Christus en dien gekruisigd.
Groen van Prinsterer heeft zoo mooi gezegd, dat de Reformatie ons gebracht heeft onder de souvereiniteit Gods en niet onder de souvereiniteit van den mensch ; bij de onfeilbaarheid der Openbaring en niet bij de oppermacht des verstands ; bij de objectieve geloofseenheid en niet bij de verscheidenheid der subjectieve gevoelens. Dat de Reformatie dus van een tegenovergesteld beginsel uitgaat dan de Revolutie. Waarom wij tegen de Revolutie ook altijd moeten zetten het Evangelie, als echte zonen van de Reformatie, als echte Protestanten.
Wij zien op Paulus. Sinds die door den Heiligen Geest onder de volkeren is gebracht om 't Evangelie te verkondigen, is de wereld veranderd. De valsche goden zijn van hun voetstuk geworpen en de eenig ware God is gepredikt, in Jezus Christus. De eigenwillige godsdienst is vervangen door het Christendom. Gods Woord, de Christus Gods, heeft de groote omwenteling gebracht.
En toen Rome de Kerk van Christus onder het juk van den paus gebracht had en de Kerk van Christus bijna stierf onder de veelheid van menschelijke inzettingen, is de Heere opgewaakt over Zijn Kerk en heeft haar uit het diensthuis uitgeleid, om haar te brengen tot de vrijheid van de kinderen Gods, om God vrij te mogen dienen naar Zijn Woord, Dat is geschied na een lange, bange worsteling en tijden van velerlei voorbereiding. Maar het is geschied !
Agricola, Reuchlin, Erasmus, zijn door God gebruikt, maar door hen is de verlossing uit het diensthuis niet gekomen. De Renaissance is de wedergeboorte der volkeren niet geworden. Het Humanisme heeft het bevrijdende woord niet gesproken. God heeft alles gebruikt tot voorbereiding. Hij was bezig de knellende banden van leugen en bijgeloof te breken. Maar de vrijmaking, de verlossing, kwam nog niet. De Renaissance heeft de classieke beschaving in Europa weer in eere gebracht. Taalstudie kwam er weer, en zooveel meer. Melanchton en Calvijn hebben er van geleerd en genoten. Maar de fijnzinnige humanist Erasmus is niet de hervormer geworden. Wel fulmineeren tegen het domme Roomsche bijgeloof. Ook de bijbel wel geopend als voorwerp van taalstudie. Maar God had nog iets anders en beters met Zijn Kerk en met de volkeren voor. En kon van de Renaissance gezegd worden : „Er was een enthousiasme voor de heidensche oudheid, dat zich niet beperkte tot kunst en schoonheid, maar zich uitstrekte tot geheel de litteratuur, tot de geschiedenis, tot de politiek, ja, tot de zeden" — de Reformatie heeft nog iets anders gebracht. Iets, dat solieder, dat hechter, dat heerlijker, dat heiliger, dat gelukkiger is. Men mag Luther genoemd hebben „dat beest met diepe oogen en wondere speculaties", zooals de pauselijke gezant, kardinaal Cajetanus, deed. God heeft in hem iemand anders gegeven dan Erasmus was.
Hij kwam met het Woord Gods. Alles wat hij leerde was ontleend aan het Woord Gods. Hij vroeg zijn rechters, alles te onderzoeken en te vergelijken met het Woord Gods. Alles wat met dat Woord Gods in strijd was, wilde hij terugtrekken. Maar — als 't geen hij geschreven en gesproken en gedaan had naar het Woord Gods was, dan weigerde hij ook maar iets terug te nemen.
En als een man Gods, vol des Heiligen Geestes, staat hij daar voor zijn rechters. Daar gaat zijn hand omhoog. Daar verheft hij zijn stem. Hoort ! „Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen".
Luther met den Bijbel. Luther met het Woord Gods.
Als een rots te midden van de kokende golven !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's