De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE BELIJDENIS EN HET AMBT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BELIJDENIS EN HET AMBT

7 minuten leestijd

In Hervormd Zondagsblad voor de Prov. Friesland staat een artikelenreeks, waarop we gaarne achtslaan. Waarom ? Omdat de twee reorganisatie-ontwerpen, van 1929 en 1938, met elkaar vergeleken worden. En de schrijver, S. te W. (ds. Spijkerboer te Woudsend ? ) kiest dan vóór het Ontwerp 1929 boven het Ontwerp 1938. Wat ons natuurlijk nogal interesseert, temeer, waar wij persoonlijk bij dat Ontwerp van 1929 nogal nauw betrokken zijn geweest. Zoo heel slecht was dat misschien ook niet, al heeft de Synode het naar de prullenmand verwezen. Het kon nog wel eens een grondslag worden voor verder werken in deze richting.
S. te W. schrijft dan (in het 3de vervolgartikel) o.a. over de willekeurigheid, die er nu onder ons heerscht. Ieder doet wat goed is in eigen oogen, links en rechts. Is de doleantie een miskenning geweest van het ambt, om het zelf daarna eigenwillig te gaan eeren, wat niet geleid heeft tot Kerkherstel, maar tot Kerkverscheuring, deze ambtsmiskenning leeft ook veelszins onder degenen, die Kuyper niet volgden en in onze Hervormde Kerk bleven. Men werpt zichzelf op als verdediger van de Waarheid, en eigenwillig gaat men te werk om zich van het ambtsgezag los te maken en te doen wat men zelf verkiest te doen. En liever, dan dat de Kerk zal gaan spreken, wil men dat verhinderen, om zelf te kunnen blijven doen, waarin men zelf behagen schept. Van „de vrijheid" — dat geen vrijheid is, maar bandeloosheid — wil men gaarne partij trekken. En ieder doet — zonder de Kerk — wat goed is in eigen oogen. Er wordt een oordeel geveld over het ambt, over de bediening des Woords, over de S icramenten, zooals men zelf dat beleeft, en men voelt zich gedekt door „de vrijheid".
Omdat er geen gezag is, doet ieder wat hem (of haar) behaagt, en de meest onbarmhartige oordeelvellingen volgen op elkaar, dan hier en dan daar. „Onder de bestuursorganisatie is het mogelijk, het ambt straffeloos te misbruiken. En van deze zonde is het ook weer op zichzelf zondige gevolg, dat het ambt in discrediet verkeert".
En dan schrijft S. te W. : „Thans echter zien wij de reactie. Onze tijd slaat over tot het tegendeel (van „ambtsmiskenning"). Op de ambtsmiskenning is de ambtsverheerlijking gevolgd. Het rapport 1938 wilde het ambt niet slechts losmaken uit de knel der bestuursorganisatie, maar méér dan dat. Het geeft daaraan ook een macht, die boven de bevoegdheid uitgaat. De grens wordt vervaagd, die door belijdenis en Gods Woord aan het ambt is gesteld. Voor een gezond kerkelijk leven echter blijft het dringende voorwaarde, dat ambt en belijdenis wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. Nooit mogen deze beide van elkaar worden losgemaakt. Geschiedt dat toch, dan moet dit tot schade zijn".
Deze beschouwing aanvaarden wij gaarne. We willen gaarne hooren van eerbied voor de Kerk, voor het ambt, voor de sacramenten. En als er in kringen, waarin men dat voorheen veel te weinig deed, bezield met den geest van „vrije vroomheid" en „vrome vrijheid", dan verheugt ons dat. Laat er bij al dat subjectivisme en individualisme, maar wat meer gevoel komen voor de gemeenschap en voor het objectieve. Maar — als men nu gaat spreken over de Kerk, het ambt, de liturgie, de sacramenten enz. enz., dan moet die Kerk en dan moet het ambt vragen : wat wil Gods Woord, wat wil de belijdenis der Kerk ? Dat begrip Kerk is maar geen eigengemaakt begrip en het begrip ambt is maar niet iets van " eigen vinding en structuur ! Dat zou men wel willen, vooral in onze dagen van vragen naar gezag, leiding, dictatuur en in tijden van hoog-kerkelijke sympathieën. Maar men heeft niet het recht om de Kerk, het ambt, de liturgie, de sacramenten te vormen naar eigen smaak. Al deze dingen en al deze begrippen zijn gebonden aan het Woord en de belijdenis. En als ze niet in dienst staan, als nederige dienstmaagden, van het Woord en de belijdenis, dan is het er absoluut naast. En inplaats dat het tot een zegen zal zijn, zal het tot een vloek worden.
Vandaar dat het vooral nu wel gebeuren kan, dat twee spreken over Kerk, ambt, sacrament, enz. terwijl ze niet dan hetzelfde bedoelen !
S. te W. schrijft terecht : Nooit mag dat van elkaar losgemaakt worden ; geschiedt dit toch, dan moet dit tot schade zijn.
En hij gaat dan verder, twee mogelijkheden naast elkaar stellend : „Wordt de belijdenis van het ambt gescheiden, dan treedt er verstarring in. De belijdenis — als uiting van wat er in de Kerk leeft — is dan uit haar verband gerukt en tot een zelfstandige grootheid gemaakt. Het leven raakt dan in formuleeringen verstikt."
Dat is één geval, één zijde belicht. Nu krijgen we het andere geval : „In het omgekeerde geval echter — d.i. als het ambt van de belijdenis wordt losgemaakt — dreigt karakterverloochening."
S. te W. bedoelt, dat het karakter van de belijdenis, het karakter van de Kerk enz. wordt aangetast.
Want dan „stelt men zich sceptisch tegenover de uitspraken, die de Kerk ééns in de beslissende oogenblikken heeft gedaan ; zij is dan in wezen zich zelf niet meer."
Het is van belang — aldus S. te W. — dit op te merken „nu éénzijdig de nadruk wordt verlegd naar het ambt. Wat niet geldt van het Ontwerp 1929, maar wel van het Ontwerp 1938 ; daar wordt de waarde van de belijdenis miskend". „De scheef getrokken verhouding tusschen belijdenis en ambt komt bij dit laatste Ontwerp duidelijk tot uiting in het Regl. voor kerkelijk opzicht en tucht enz."
S. te W. gaat dan speciaal belichten Art. 7 van dat Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht, waar staat „zoodanige afwijking van de belijdenis der Kerk, dat daarvoor haar karakter als Kerk van Christus in gevaar wordt gebracht."
Over dat karakter van de Kerk gaat het. En dan blijkt dat belijdenis en karakter der Kerk niet samenvallen. En dat moet. Het karakter der Kerk is niet dit of dat, maar het karakter der Kerk is haar belijdenis. Natuurlijk !
„Dit artikel komt hierop neer", aldus S. te W., „dat aan de kerkelijke vergaderingen een subjectieve maatstaf ter karakterbepaling in handen wordt gegeven." Afwijkende meeningen worden aan het oordeel der ambtsdragers onderworpen, aan wat zij van de belijdenis denken, en niet aan de belijdenis zelve, met beroep op Gods Woord.
„Dat is heel anders", aldus S. te W., „dan in het Ontwerp 1929. Daar werd gesproken over ernstigen strijd met Gods Woord, de belijdenis der Kerk en de formulieren, en over de vraag of een beroep op Gods Woord gegrond moet worden beschouwd".
„Het gaat hier om de vraag, of de belijdenis nog als geldend wordt beschouwd".
„Zal de Kerk", zoo besluit S. z'n 3de vervolgartikel, „bij haar oordeel de belijdenis tot uitgangspunt nemen ? Maar een andere maatstaf is er zelfs niet. Is de belijdenis niet bindend meer, dan wordt aan het ambt een macht gegeven, die het nooit heeft gekend en tot willekeur leiden moet. Het dienend karakter van het ambt gaat verloren, als het tegenover de belijdenis op een voetstuk van meerderwaardigheid wordt geplaatst". „De onderlinge betrekking moet zijn, dat belijdenis en ambt onlosmakelijk aan elkaar verbonden, gemeenschappelijk van Gods Woord afhankelijk zijn."
Ons dunkt, dat men goed zal doen op deze welwillende, maar tegelijk duidelijke en besliste critiek, acht te geven.
We moeten niet door ambtsverheerlijking krijgen een karakterverloochening van Kerk en belijdenis !
In de Kerk heeft de kerkelijke belijdenis zeggenschap en die haar willen dienen op de rechte wijze, in gebondenheid aan Gods Woord (het beginsel der belijdenis zelve) kunnen de Kerk tot groote zegening zijn.
't Gaat om de Kerk, in de belijdenis ons geteekend, opdat zij meer en meer zij, worde en blijve, een belijdende Kerk, die haar belijdenis liefheeft en uitleven wil naar alle kanten, om te staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE BELIJDENIS EN HET AMBT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's