WAT CALVIJN ONS LEERT
De Wet der zeden.
De Wet is een onderwijzing in de volmaakte gerechtigheid. Daaruit volgt, dat de volle gehoorzaamheid jegens de Wet de volkomen gerechtigheid voor God is, waardoor de mensch rechtvaardig gerekend wordt voor de hemelsche vierschaar.
Daarin ziet Calvijn ook den grond, dat Mozes bij de afkondiging der Wet hemel en aarde tot getuigen roept, als hij den Israëlieten het leven en den dood, het goede en het kwade voorgesteld had.
Men mag dan ook niet ontkennen, dat de gehoorzaamheid der Wet vergolden wordt met de eeuwige zaligheid, zooals de Heere beloofd heeft.
Het is dus noodig, dat wij onderzoeken, of wij die gehoorzaamheid volbrengen. Anders toch kan men niet vertrouwen, dat men zulk een belooning ontvangen zal.
Het is duidelijk, dat in de onderhouding der Wet een loon der zaligheid is gegeven. Wat baat ons echter die wetenschap, indien wij niet weten, of wij op dien weg de eeuwige zaligheid kunnen bereiken ?
Dit nu noemt Calvijn de zwakheid der Wet, n.l. dat zulk een onderhouding bij niemand onzer wordt gevonden. Daarom zijn wij van de belofte uitgesloten en onder den vloek der Wet gekomen.
De leer der Wet gaat ver boven het menschelijk vermogen uit. Hij kan de belofte zien, maar de vrucht ontbreekt.
Wat blijft er dus over, dan alleen, dat wij onze rampzaligheid leeren kennen, omdat de hoop der zaligheid is afgesneden en wij weten, dat de dood over ons is gekomen.
Niemand is er geweest onder de heiligen, die den eisch der liefde Gods met het gansche hart, met gansch zijn verstand, met geheel zijn ziel en met al zijn kracht volbracht heeft.
In stede van beloften, dreigen de vloek en het oordeel der Wet en deze treffen niet dezen en genen mensch, maar alle menschen. Zoo wordt ons de dood in plaats van het leven voor oogen gesteld.
Worden wij dan door den Heere bespot ?
De hope der zaligheid wordt ons voorgehouden, wij worden daartoe vermaand terwijl intusschen de toegang wordt afgesloten.
Het schijnt dus wel, dat de beloften der Wet niet veel zin meer hebben.
En toch zijn de beloften niet vergeefs gegeven.
De beloften zijn aan een voorwaarde verbonden, die wij niet kunnen volbrengen, n.l. de vervulling der gerechtigheid. Zij zijn echter niet vergeefs gedaan, als de Heere door de genade, welke ons in het Evangelie wordt geopenbaard, ons uit onverdiende goedheid de beloften schenken wil zonder aanzien onzer werken, indien wij die in het geloof mogen omhelzen.
Calvijn merkt daarbij op, dat God ook de onvolkomen werken der Wet niet verwerpt, maar alzoo vergeeft, dat de vrucht der beloften wordt genoten, alsof wij de voorwaarden hadden volbracht.
Over de onmogelijkheid van de onderhouding der Wet.
Onmogelijk is, zoo gaat Calvijn verder, wat er niet is geweest en niet zijn zal, omdat de ordinantie Gods daartegen is.
Niemand is er geweest onder de heiligen, die den eisch der liefde Gods met het gansche hart, met gansch zijn verstand, met geheel zijn ziel en met al zijn kracht volbracht heeft.
Verder is er niemand geweest zonder booze begeerlijkheid.
Het een zoowel als het ander valt niet tegen te spreken.
En zoo zal er ook niemand gevonden worden, die zulk een gehoorzaamheid en reinheid brengen zal.
Dat leert niet alleen de ervaring, maar de Heilige Schrift geeft daaromtrent een klaar getuigenis.
Daar is geen rechtvaardig mensch op de aarde, die niet zondigt. (1 Kon. 8 vers 46). Voor Uw aangezicht zal geen levend mensch rechtvaardig zijn. (Psalm 143 vs.
2). Lees het boek Job, en men zal hetzelfde vinden. Paulus zegt: Het vleesch begeert tegen den geest en de geest tegen het vleesch.
Allen, die onder de Wet zijn, staan onder den vloek der Wet. Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen. (Gal. 3 vers 10; Deut. 27 vs. 26).
Over de dwaling der Pelagianen werd reeds eerder gehandeld. Zij redeneeren zoo : Wanneer wij zeggen, dat God meer gebiedt dan de geloovigen door Zijn genade kunnen volbrengen, doen wij Hem ongelijk.
Augustinus brengt daartegen in, dat God den sterfelijken mensch wel tot een reinheid als der engelen had kunnen brengen, maar dat Hij het nooit gedaan heeft en ook niet doen zal, gelijk Hij in de Heilige Schrift getuigt.
Hem treft geen blaam, die zegt, dat niet geschieden kan, hetgeen de Heilige Schrift verklaart, dat niet geschieden zal.
Dat is wel zoo, zegt Calvijn, maar hij voegt daarbij, dat de Pelagianen op een onbetamelijke wijze Gods macht tegen Zijn waarheid in het geding brengen.
Voorts, wat bij de menschen onmogelijk is, bij God zijn alle dingen mogelijk. (Matth. 19, 25 en 26).
Nog een woord van Augustinus. Wij hebben God niet lief, gelijk wij schuldig zijn. Zullen wij God op een volkomen wijze liefhebben, dan moeten wij Zijn goedheid op een volkomen wijze kennen. Wij zien echter door een spiegel in een duistere rede, waaruit volgt, dat onze liefde onvolmaakt is.
Het gebruik der Wet.
Het gebruik der Wet is drieërlei:
Ie. Zij stelt ons de gerechtigheid voor oogen, die Gode alleen aangenaam is, opdat zij een ieder vermane, van zijn ongerechtigheid, overtuige en veroordeele.
Wie door de Wet wordt onderwezen, legt den hoogmoed af, waardoor hij werd verblind.
Zoo lang iemand naar zijn eigen oordeel te werk gaat, houdt hij geveinsdheid voor gerechtigheid en wordt opgeblazen.
Zoodra hij wordt gemeten naar den maatstaf der Wet, moet hij zijn ingebeelde gerechtigheid loslaten.
Het kwaad ligt zoó diep verborgen, dat wij het zelf niet zien, tenzij het wordt ontdekt voor ons oog. Denk aan het woord van Paulus: Indien de Wet niet gezegd had : Gij zult niet begeeren, zou ik de begeerlijkheid niet gekend hebben. (Rom. 7 vers 7).
Zoo komt dan de kennis der zonde door de Wet. (Rom. 3 vers 20). De Wet is ingekomen, opdat de zonde overvloedig zou worden. (Rom. 5 vs. 20). Zij is de bediening des doods! (2 Cor. 3 vers 7). Zij werkt toorn en doodt den mensch. (Rom. 4 vers 15).
In deze ontdekking wordt het gevoel der zonde gewekt, het geweten geslagen, de ongerechtigheid neemt toe, waarbij nog komt de weerspannigheid tegen den Wetgever. De Wet beschuldigt en verdoemt, hoewel zij ter zahgheid is gegeven.
Deze uitspraak is niet tot smaad en nadeel der Wet, want het moet toch duidelijk zijn, dat wij onze ongerechtigheid helderder zien naarmate wij de gerechtigheid Gods klaarder waarnemen.
En aangezien het loon der gerechtigheid toevalt, moet het ook duidelijk wezen, dat de ondergang het deel der ongerechtigheid is.
Hoeveel te rijker schittert dan de genade Gods, die zonder de hulp der Wet, Zijn weldadigheid overvloedig maakt.
Het onderwijs der Wet geschiedt echter niet, opdat wij in wanhoop omkomen en door mismoedigheid bezwijken zouden. De verworpene verkeert in een toestand van hardnekkigheid, waardoor hij alzoo wordt terneder geslagen, maar den kinderen Gods dient de onderwijzing der Wet tot een ander doel, n.l. dat zij hun toevlucht tot God nemen en de gerechtigheid omhelzen, die daar in Christus is voor allen, die haar met een waarachtig geloof aannemen.
In de Wet verschijnt God als een Rechter, maar in Christus schittert de rijkdom Zijner genade en barmhartigheid over ellendige en onwaardige zondaren.
In de tweede plaats dient de Wet om de menschen door vrees voor de straf m te toomen, wanneer zij deze hooren.
Zij worden niet door bewogenheid van gemoed gedreven, maar als door een teugel van uitwendige werken der boosheid terug gehouden, zoodat zij in het binnenste besloten blijven.
Daarom zijn zij niet beter of rechtvaardiger voor God, want de ware vreeze Gods woont niet bij hen. De innerlijke tegenstand tegen de Wet wordt steeds grooter, doch zij worden door schaamte en vrees weerhouden, maar zij haten de Wet en den Wetgever en zouden Hem wel willen ombrengen, indien zij slechts konden.
Zulk een onwillige onderwerping moge wat meer bedekt of open zijn, doch zij kenmerkt allen, die niet wedergeboren zijn.
Toch is deze gedwongen gerechtigheid noodig voor de gewone samenleving, opdat niet alle dingen door oproer overhoop worden geworpen. Dit toch zou geschieden, indien een iegelijk deed, v/at hij wilde.
Zij is ook nuttig voor Gods kinderen, zoolang zij door de roeping des Geestes in de heiligmaking nog niet geoefend zijn, opdat de dwaasheid des vleesches worde beteugeld.
De nuttigheid komt ook daarin uit, dat zij niet als nieuwelingen staan voor een vreemde zaak, wanneer zij tot de tucht der Wet geroepen worden, omdat zij eenigermate gewoon zijn geworden 'aan het juk der gerechtigheid. Vgl. 1 Tim. 1 vers 9 : De Wet is den rechtvaardigen niet gezet, maar den ongerechtigen, den halsstarrigen, den onheiligen en den zondaren, opdat zij niet op hol slaan.
Op dit dubbel gebruik der Wet is van toepassing het woord, dat zij den Joden een opvoeder geweest is tot Christus.
Daar zijn n.l. twee soorten van menschen, die zij door haar onderwijzing tot Christus leidt: t.w. zoodanigen, die al te hoog bij zich zelf staan en door de Wet vernederd en bekwaam gemaakt worden om de genade van Christus te ontvangen. Zij moeten leeren zoeken, wat zij in zich zelf niet vinden, hoewel zij gemeend hadden het te bezitten.
Anderen hebben den teugel der Wet noodig, opdat de werken des vleesches niet de overhand nemen, en alle ijver voor de gerechtigheid zou worden prijs gegeven.
Waar Gods Geest niet regeert, daar wordt de ziel overheerscht door de booze begeerten en als de Heere het niet verhinderde, zouden zij daarin wegzinken en God verachten. Zoo worden zij onder de tucht der Wet bewaard door een zekere vreeze Gods en waakzaamheid, totdat zij door den Geest wedergeboren. Hem leeren lief te hebben.
Het verdient onze volle aandacht, welke beteekenis Calvijn toeschrijft aan het gebruik der Wet in verband met de burgerlijke samenleving.
Hoezeer is dit weggezonken in het zedelijk bewustzijn der volkeren, dat Gods Wet een regel en richtsnoer is, waaraan allen in het leven van allen dag onderwerpen zijn. Onze tijd vraagt om gezag en geen wonder, want wij zijn genaderd tot een toestand, waarvan kan gezegd worden, wat van het volk Israël in de dagen der Richteren staat geschreven : Een iegelijk doet wat goed is in zijn oog.
Zoó groot is de verwarring geworden onder den invloed en doorwerking van den verlichten geest dezer eeuw, dat velen schier door wanhoop worden gedreven en onmachtig om het rechte spoor te vinden, roepen om gezag. Sommigen worden gedreven door een geest van mismoedigheid, omdat zij geen steun en houvast hebben in het leven. Een volkomen gemis aan zedelijken weerstand en geestelijke kracht kan worden waargenomen als een dreigend gevaar voor de samenleving. Het is een oordeel over een wereld, die de paden des rechts heeft verlaten en slechts plaats schijnt te maken voor geweld. Welke aardsche macht zal een teugelloos geslacht binden anders dan door geweld ? Dat is het oordeel, omdat men de genade Gods heeft veracht, welke daar is in het werk der Wet.
Zacht is het juk der Wet voor de burgerlijke gerechtigheid vergelijken bij den dwang van menschen. Waar Gods Wet een richtsnoer des levens is, daar is bescherming van vrijheid en recht. En dat niet alleen, maar daar is een grond van vertrouwen wegens de goedertierenheid Gods. De Heere waakt over Zijn recht en doet, wat Hij belooft.
Daar is een zegen en een gave van Zijn gunst in, als Zijn Wet nog genoemd wordt als norm ook voor het openbare leven, en die de goede belijdenis vasthouden, zijn geroepen daarop het oog te richten en met ijver te waken over haar betrachting. Niemand kan iets aannemen, tenzij het hem van boven gegeven wordt, maar zoovelen het verstaan, mogen zich bewust zijn van de kracht der Wet en haar goddelijk gezag en schoon zij zich zelven geen verdiensten toeschrijven, is er een loon der genade en een fundament der hope, dat er bij den Heere nog uitkomst is in duren tijd en hongersnood voor het volk, dat Zijn Naam vreest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's