KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET MODERNISME EN NOORD-HOLLAND
De Vrijzinnige Hervormden zijn druk in de weer. Ze weten, dat er wat gaande is in de Hervormde Kerk. Dat is wel gebleken in de reorganisatie-beweging. En nu gaan de Modernen krijgsraad houden. Ze gaan een strijdplan in elkaar zetten. Ze willen op verovering uitgaan. Ze willen hun positie versterken en verstevigen. Dat is hun recht, zooals het ieders recht is om zich te verdedigen, om eigen zaak te bepleiten en voor eigen rechten op te komen. Alleen maar, moet hier toch wel onderscheiden worden, dat het gaat om de rechten van hen, die in de Hervormde Kerk met de hoofdpunten van de Hervormde belijdenis, vervat in den Catechismus, vervat in het Doopsformulier, vervat in het Formulier tot bediening van des Heeren .Heilig Avondmaal — om dit nu alleen maar te noemen — in strijd zijn. Zij belijden Jezus Christus niet als God en Heiland. Dat verklaren ze zelf nog tot op heden bij monde van dr. Hille Ris Lambers en ds. D. Bakker, zooals we pas nog konden lezen.
Maar dat laten we nu eens even rusten. We willen het nu hebben over de actie van de Vrijzinnige Hervormden in Noord-Holland.
Onder leiding van dr. Van der Poel, Ned. Herv. pred. te Den Helder (waar de rechtzinnigen, die volle rechten in de Hervormde Kerk hebben, nu al jarenlang moeten samenkomen in afzondering, niet in de Hervormde Kerk, maar in de Herv. Evangelisatie !) is te Alkmaar Maandag 24 October een buitengewone algemeene vergadering gehouden van Vrijzinnige Hervormden in Noord-Holland, waar ds. B. J. Aris, voorganger van de afd. der Vrijz. Hervormden te Amsterdam, een strijdplan heeft ontwikkeld om Noord-Holland weer terug te winnen als terrein voor de Modernen. Want het staat er niet zoo mooi voor in Noord-Holland !
„Een werkplan voor Noord-Holland" was de titel. Uit het zeer uitvoerige verslag van deze belangrijke vergadering, zooals we dat vonden in de N. Rott. Ct., nemen we hier een en ander over, omdat het ook ónze zaak geldt ; of liever : omdat het de Hervormde Kerk raakt ; waarom we er graag onze aandacht aan schenken. Ook al om oorzake, dat „een gewaarschuwd man voor twee geldt". Ds. Aris zei dan ongeveer 't volgende :
„De waarheid gebiedt ons, om den toestand niet te gemakkelijk te zien. In N. Holland is een gestadige afbrokkeling te constateeren. Wij houden 't op deze manier niet. Spreker gelooft niet, dat wij N.-Holland uiteindelijk zullen redden. De tegenkrachten zijn te sterk. Hiermede is niet bedoeld de orthodoxie. Ook deze zal 't niet houden. Noord-Holland is nog bezaaid met kerkgebouwen. Maar wij zouden ze niet meer kunnen bouwen. Daarvoor is onze offervaardigheid te gering. De "kerk „staat niet meer midden in 't dorp". Kathedralen, vóór 30 jaar nog met 300 kerkgangers bezet, bevatten er nu geen tientallen meer. De N.-Hollandsche gemeenten waren al vernield voor 't modernisme kwam, aldus de bekende N.-Holl. schrijver ds. Heinis. Dat is niet geheel waar. Maar wel is de N.-Hollander alleen vatbaar voor dat geloof, dat in 't leven kan worden toegepast. Vandaar, dat de practische N.-Hollander wel voelt, dat de invloed van de kerk is weggezogen naar andere groote gebouwen (bioscoop, vergaderzalen, enz.), 't Zedelijk leven van N.-Holland staat hoog". Vervolgens werd gezegd :
„De beginselen, b.v. waarheid en recht, heeft de N.-Hollander uit de kerk geput. Maar vooral door den oorlog is dat rechtvaardigheidsgevoel gekwetst. En zoo verliet men de kerk. Ook 't bezit van de kerken, 't kwanselen met de bezittingen heeft velen van de kerk vervreemd. Men heeft die beginselen ergens anders gezocht. Maar niet altijd gevonden. Maatschappelijke en politieke organisaties heeft men in de plaats van de kerk gesteld. Of men heeft zich in zichzelf opgesloten. Critisch, nuchter, hardnekkig heeft de N.-Hollander nog wel zijn hooge moraal vastgehouden, maar men loopt de kerk voorbij. De onkerkeiijken zijn nog lang geen ongeloovigen. In hun leven zit nog meer van de kerk, dan men zelf beseft. Men wordt door de kerk niet meer geboeid. En de organisatie van de kerk houdt hen niet meer vast. Dakloos en kerkloos zwerven zij rond. De radio echter grijpt hen meer. Hoevele N.-Hollanders behooren tot de onzichtbare gemeente van de radio. Zullen wij dezen weer kunnen binden aan de kerk ? Op korten termijn zullen we ons tot hen moeten richten. De kinderen van deze menschen b.v. komen niet meer ter catechisatie, 't Gevaar bestaat, dat met dit geslacht het geslacht uitsterft dat nog te winnen is. Een volgend geslacht zou absoluut verloren kunnen zijn".
Er dreigt dus direct gevaar. En daarom ging ds. Aris verder met te zeggen :
„Ons werkplan hebbe in de allereerste plaats, vooral voor 't platteland, een zendingskarakter. In de steden gaat 't nog wel, althans volgens de statistiek van onze provinciale vereeniging. Op 't platteland heeft zich een achteruitgang in leden en afdeelingen voltrokken. In de steden is dat anders. Amsterdam en Haarlem tellen 45 % van de leden der geheele provinciale organisatie.
't Directe gevaar ligt op het platteland. De classis Alkmaar heeft 45 vrijzinnige predikantsplaatsen, waar 17 predikanten werken. In de classis Hoorn zijn deze getallen 46 en 14. Er zijn zelfs nog bezette gemeenten, waar de godsdienstoefening niet kan doorgaan uit gebrek aan belangstelling. Dit legt wel een druk op de.ambitie om weer aan 't werk te gaan. 't Eenige geneesmiddel is de organisatie van de eenlingen, die nog op hun post zijn gebleven. Wij hebben noodig groote provinciale bijeenkomsten, waar deze menschen verlost worden van hun minderwaardigheidsbesef. Men diene te weten, dat men niet alleen is! Bijeenkomsten moeten er zijn in gewone zalen, in een organisatie, die klinkt als een klok, met een spel en meer aantrekkelijke dingen. Men moet er graag willen komen. De vraag is of dit gemakkelijk gaat of moeilijk, mag geen vraag zijn. Wij zelf en de anderen hebben 't noodig !" Het aantal vacatures is dus buitengewoon hoog ! En waar predikanten zijn, komen de menschen al niet zoo bijster trouw in de kerk (we zeggen het nu maar op z'n zachtst), maar als de gemeente vacant is (jaren achtereen) is het heelemaal ellendig en treurig gesteld. En daarom wil men de toestand ernstig onder de oogen zien en zich beraden wat er nu gedaan moet worden om tot verandering en verbetering te komen. Daaromtrent zei ds. Aris dan verder :
„De besturen moeten actiever worden. In de eerste plaats moet het provinciaal bestuur anders worden toegerust, opdat ieder bestuurslid een taak heeft en een specialen werkkring vertegenwoordigt. Iedere classis is nu vertegenwoordigd in het bestuur. Welnu: ieder dezer vertegenwoordigers dient verantwoordelijk te zijn voor het organisatiewerk in zijn classis. Deze vertegenwoordigers moeten vrijheid van beweging hebben. Naast deze classis-afgevaardigden moeten zitting hebben afgevaardigden van jeugdbeweging, vrouwenfederatie, vrijzinnige Zondagscholen en V.P.R.O. Aan dit bestuur moest worden toegevoegd een dagelijksch bestuur, dat alleen ten doel heeft een band tusschen het werk van al die anderen te leggen.
Dan zouden in de gemeenten kerkeraden en kerkvoogdijen meer moeten worden geactiveerd. Ouderlingen en diakenen in vacante gemeenten moeten er zélf op uit trekken. Een kerkeraadslid kan, als particulier lid van de gemeente, zooveel invloed hebben.
De nadruk in dezen zendingsarbeid zal moeten zijn een spreken van mensch tot mensch. Niet in de eerste plaats moet dus de kerk op den voorgrond worden geschoven. De vereenzaamden moeten elkaar zoeken, om samen een nieuwe gemeenschap op te bouwen. Er moeten lidmatensamenkomsten worden gehouden. En daar zullen vooral de jongeren niet voorbij moeten worden gegaan. Verantwoordelijkheidsgevoel moet worden aangesterkt. Ieder moet zijn taak krijgen. Meer samenwerking moet er zijn tusschen de provinciale vereeniging en de federatie van vrouwenclubs. Zoo kan in menige gemeente beter contact worden gevonden, als er een vrouwenvereeniging is. Waar het kerkelijk leven kwijnt, zal men toch dóór moeten gaan met kerkelijk leven, ondanks alles. Men moet dat trachten te versterken door b.v. het oprichten van een koor. En ook moet er door de pers (Kerk en Wereld en Ons Godsdienstig Leven) meer worden verspreid. Cursussen b.v. over den Bijbel moeten worden gegeven. In onze provinciale vereeniging moet een drang ontstaan om niet alleen een strijdvereeniging te zijn. De orthodoxie is in de eerste tien jaren nog niet gevaarlijk. Dus : strijd niet in de eerste plaats. Onze energie moet gericht zijn op het godsdienstige directe leven. Daarvan moeten de fundamenten worden versterkt".
Ds. Aris besloot zijn rede met deze woorden :
„Het voorgestelde werkplan is niet dat van een bedrijfsleider. Het is meer, dat we als Nehemia nu staan op de puinhoopen, maar met de bedoeling om die puinhoopen op te ruimen en met geestdrift, in alle bescheidenheid, aan wederopbouw te beginnen".
Wij komen op deze rede van ds. Aris, alsook op de uitgebreide gedachtenwisseling, nog wel terug.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's