MEDITATIE
HEILZAAM HONGEREN!
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Mattheüs 5 vers 6.
HEILZAAM HONGEREN!
Telkens wanneer God de Heere aan arme zondaren Zijn zegen wil schenken, put Hij daartoe redenen uit Zichzelf en doet de barmhartigheid roemen tegen welverdiende oordeelen. 't Geschiedt zonder eenige verdienste onzerzijds, enkel uit gena, wanneer de Heere tot onze ziel zegt: Ik ben uw Heil!
Wat u ook in 't oog der menschen moge verheffen en u ook aanspraak moge geven op erkenning en waardeering hunnerzijds, voor het oog des Heeren staan alle menschen als volstrekt-onwaardigen, die geen penningske bezitten om hun schuld te voldoen en wier beste werken nog verwerpelijk zijn voor God. Ook op de geringste van Gods weldaden missen wij eiken zweem van aanspraak, 't Mocht ook onder ons misschien minder gezegd en meer bedacht worden, er ware minder gemor !
Wie welverdiende zaligheid wil smaken, zal geen zaligheid smaken. Den regel dier Goddelijke zegening heeft de Heiland vertolkt, toen Hij zeide, dat slechts aan kinderkens de dingen Gods openbaar worden. En de kinderkens zijn degenen, die het niet kunnen en weten en hebben, en het eigenlijk ook niet willen, maar 't al van God leeren en daarom Zijn weldaden beantwoorden met de ootmoedige erkenning : Heere, wij zijn geringer dan deze weldadigheid en trouw; Heere, ga uit van ons, want wij zijn onwaardige zondaren!
Groot zal de teleurstelling zijn van hen, die in hun eigen ijver en inspanning goeden grond bezitten om te verwachten, dat God Zijn weldoende Vaderhand mild-zegenend over hen ontsluiten zal. Maar grooter, zoo mogelijk, zal nog de verrassing zijn van den mensch, die alles verbeurde en zich nochtans omringd ziet met onverdiende gunst.
Wij zullen niet met leege handen terugkeeren van den Troon der Genade, wanneer wij maar naderen mochten met de schuchterheid eener duive, diep-bewust hiervan, dat wij arme zondaren zijn, die heel hun weg voor God verdorven hebben en tot Hem komen zonder eenige aanspraak of verdienste, enkel maar omdat Zijn Naam Ontfermer is.
Zoo leert het ons ook bovenstaand Schriftwoord.
Door het dal van Achor, waar het dreigend-donker is, voert Gods weg naar den hemel der verlossing, naar de bergen der zaligheid. Zooals uit den schoot der nevelen de morgenzon opklimt en het tarwegraan slechts vrucht draagt als het in de aarde viel en stierf, zóó is er voor een mensch slechts ware verrijking te wachten als hij zich arm en ellendig weet. Dat is de wonderspraak in 's Heilands zaligspreken.
Tot de armen van geest, tot degenen die treuren en alles prijsgeven, gaat Zijn Woord troostend en belovend uit.
Ook in 't woord, dat wij overdenken, rijst het licht uit een nacht van benauwing en druk. Hier toch is sprake van hongeren en dorsten naar gerechtigheid; woorden, die een diep gemis teekenen, dat niet te dragen is, waarbij een mensch niet leven kan.
Honger is een scherp zwaard en dorst moet nog dieper wonden. Doch hoe zwaar ook te dragen, toch acht de Heere Jezus, dat dit hongeren en dorsten redenen zijn, waarom een mensch gelukkig mag geprezen
Immers het ziin levensteekenen, die bewijzen dat er plaats en aandacht is gekomen voor de dingen Gods; dat er een behoefte geboren werd naar de spijs, die niet vergaat, maar blijft tot in het eeuwige leven.
Want het gaat hier om hongeren en dorsten in een zeer bepaalde beteekenis; het gaat hier om een vurig verlangen, om een heilbegeerig hunkeren naar de gerechtigheid! Onder gerechtigheid hebben wij hier te verstaan het beantwoorden aan Gods eisch ; het voldoen aan Zijn Wet, en dientengevolge 't ontvangen van de vrijspraak.
Gerechtigheid brengt ons in aanraking met Gods Vierschaar, waarvoor wij allen moeten verschijnen om geoordeeld te worden. Daar valt de beslissing over het wèl of wee; het wèl houdt in, dat God geen zonde in u vindt; en dientengevolge tot u zegt: kom, beërf het eeuwige Heil. Daar is plaats voor u in Mijn huis; en het wee is de afwijzing, de uitwerping, de verstooting voor eeuwig.
Naar gerechtigheid hunkert een ziel, niet omdat vrijspraak meer eervol is dan veroordeeling. Ook niet, omdat de deugd zulk een schoon kleed is, neen, maar gerechtigheid beteekent aanneming, aanneming tot kinderen, opneming in Gods gemeenschap, verrijking met Gods gunst, die meer sterkt dan de uitgezochtste spijze. Gerechtigheid beteekent, dat Gods Vaderarmen u omvangen ; dat Zijn Vaderoog u volgt op al uw wegen met de trouw en de teederheid van gadelooze liefde en nooit-verslappend zorgen. Maar dat is toch zoo onnoemelijk rijk, dat in elk menschenhart toch wel moet branden het vuur van dit hunkerend hongeren! Dat elke menschenhand zich toch wel moet strekken naar dit Heil!
De werkelijkheid is anders. De apostel Paulus spreekt het ontzaglijke woord van den natuurlijken mensch, die niet verstaat de dingen Gods.
En onbekend maakt onbemind. In zijn onkunde en vijandschap weigert de mensch deze schoonste gave ; hij stoot Gods reddende hand moedwillig weg. Daar is niemand, die God zoekt; niemand dus, die hongert en dorst naar deze gerechtigheid.
En als er dan toch wel zijn, die dezen honger kennen en door dit dorsten worden gekweld, dan is de Mond der Waarheid bereid hen gelukkig te prijzen. Want hieruit blijkt vernieuwing en ommekeer. In die harten is Gods licht opgegaan en wederbarend Geesteswerk vaardig geworden. Als van nature elk hart van God is afgekeerd, en daar zijn menschen, die in deze afkeerige houding niet kunnen volharden, die, wat zij tevoren versmaadden, nu van harte zoeken met ingespannen krachten, dan zijn dit kenmerken van genade.
Nu laat 't hen niet meer koud; nu werd 't hun een zaak van 't hoogste belang ; nu staan zij niet langer afwijzend en vijandig, ook niet neutraal en zonder voorkeur ; neen, heel anders, nu roert in 't hart een vurig verlangen, een ernstig en volhardend vragen, een zoeken en zuchten : geef mij Jezus ! O, dat is voor Hem, die alles weet en keurt, oorzaak om zulke menschen zalig te prijzen, want God doet geen half werk. Hij, die 't oog opent en 't hart vernieuwt, de behoefte wekt, 't gemis doet kennen en den honger oproept Hij weet, dat een mensch van honger niet kan leven en daarom geeft Hij op Zijn tijd verzadiging van dien honger naar gerechtigheid, in den Heere Jezus Christus, den Heere, hunne Gerechtigheid!
Tot die hongerenden zegt Hij Ik ben het Brood des levens; Mijn vleesch is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. En wie van dit Brood eet, zal niet hongeren in der eeuwigheid.
Hij zelf is de verzadiging van dien levenden ziele-honger naar gerechtigheid en naar God. Hij heeft onze overtredingen gedragen. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden!
Weet gij, lezer, waarover een mensch gelukkig mag geprezen die den zweepslag van dezen honger kent ? Dit is geen ding van vreugde, als 't er is, maar daarna...., daarna rijpt de vreedzame vrucht. Want dit drijft hem naar Jezus heen en aan des Heilands voeten vindt hij rust; de rust der verzadiging, want Hij is Immanuël, die met God verzoent.
Deze honger waarborgt gebedsverhooring; wie zoo mag vluchten tot den Troon der Genade, met den honger naar gerechtigheid, naar Christus, naar God in 't hart, die zal de waarheid ervaren van Gods belofte : doet uw mond wijd open want Ik zal dien vervullen.
Echter, die gezond zijn, hebben den Medicijnmeester niet noodig; maar, eilieve, wie is gezond? Wie 't denkt, misleidt zichzelf ; hij loopt met een blinddoek voor zijn pogen; hij gaat op de gevaarvolle dool-paden van inbeelding ; hij pleistert de wanden van zijn levenshuis met de looze kalk van een bedriegelijke waan.
Niemand kan, om waarlijk gezond en gelukkig te zijn, buiten den hemelschen Medicijnmeester ; mocht dat maar eens tot ons doordringen en ons duidelijk voor oogen staan ! Dan krijgt het Evangelie van Gods genade groote waarde voor ons. Daar is antwoord op de bange vraag van aarzeling en zielsbenauwing : zou er ook voor mij een plaats zijn in 't Huis des Vaders ? Ja, ook voor u! Door 't Woord des Heeren ruischt de sprake der genade : al waren uwe zonden als scharlaken zoo rood. Ik maak ze wit als de wol. En als gij uzelf hebt leeren kennen als zondaar, die deed wat kwaad was in de oogen des Heeren, de Heiland is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. En dit zalig worden van zondaren is alleen mogelijk in den weg der gerechtigheid, want Sion wordt door recht verlost. Dat is de verklaring van dien honger, die een ziel zoo kwellen kan, en toch reden is, waarom de Waarachtige dien hongerende zalig spreekt. Deze honger is Gods werk en God laat niet varen wat Zijn hand begon. Hij slaat om te heelen en dompelt een ziel in zondesmart, opdat Isrels Heelmeester haar uithelpen en genezen zal. Immers Hij plaagt of bedroeft Zijn menschenkinderen niet van harte. Hoe teeder en liefdevol is de zorg des Heeren over Zijne ellendigen!
Uw hart, verslagen zondaar, bedroeve Hem niet door miskenning en aarzeling. Hij is 't waard, dat gij Hem op Zijn Woord gelooft; want Hij beschaamt nooit, die zich op Hem verlaten. Daartoe schenke Hij u genade, want „dit zal den Heere veel aangenamer zijn dan os en var die hunnen klauw verdeden"!
In den hemel zal blijdschap wezen, als gij aan Zijn voeten neerzinkt met de biddende belijdenis: ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp.
Amen.
Amsterdam
Remme
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's