De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GERICHT EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GERICHT EN GENADE

10 minuten leestijd

Komt dan en laat ons te zamen richten, zegt de HEERE. Jesaja 1 vers 18.

In Zijn groote barmhartigheid treedt de Heere onbarmhartig tegen het ontrouwe volk des verbonds op. Het thema van geheel het boek van Jesaja : de Heere is een heilig en rechtvaardig God, vinden we hier wel klaar in het licht gesteld. De Allerhoogste, wiens oogen naar waarheid zien, verdoezelt niets en vergeet niets ; zonder mededoogen legt Hij de vinger bij de wondeplekken in Israëls nationale-en geestelijke leven. Onverbloemd stelt Jesaja in groote getrouwheid aan zijn Zender de gruwelen van het volk voor oogen; het oordeel Gods gaat zich samentrekken boven een onbekeerlijk volk en wee den mensch, die geen dak boven zijn hoofd heeft, als de storm Gods losbreekt.
Het moet wel ver gekomen zijn met Israël, als tot de oversten des volks gezegd wordt: Hoort des Heeren woord, gij oversten van Sodom. Het is wel diep vernederend, als de Heere het volk des verbonds op één lijn gaat stellen met Sodom. Is de uitbrekende zonde dan zoo groot en de dienst des Allerhoogsten zoo vreeselijk verbasterd, dat Israël in één adem genoemd moet worden met die plaats, waar eens de vlammen der hel zijn uitgebroken ? Brengt Israël dan zijn offers niet meer en wordt dan de sabbat niet meer waargenomen ? Neen, dat niet. De altaren rooken van de offers en de nieuwe maanden worden waargenomen en de handen worden uitgebreid tot het gebed. Van buiten lijkt het zoo goed in orde. Maar God zucht over dat alles en de klacht des Heeren is een bange aanklacht. Zat van de brandoffers en moede van Israels feesten, zegt de Heere: Houdt er mee op. Dat komt, omdat de godsdienst van de groote massa een dienen van God is zonder hart; er is geen geest in, omdat de Geest des Heeren van hen verre is. Zij volgen de voorschriften wel, maar hunne harten zijn van den Heere vervreemd. Er is geen liefde tot God, die . het volk drijft; van alles kan er mee door. De verdrukte wordt niet geholpen, de weduwe geen recht gedaan ; de stad was eens vervuld van gerechtigheid, en nu, de rechters heulen met de dieven, een stad vol van doodslagers. Het uiterlijk dienen van den Heere houdt Gods oordeel niet tegen, Houdt maar op, Israël, met het getier van uw liederen. Houdt maar op met uw gebeden, want uw handen zijn vol bloed.
Ach, tot menigeen zal de Heere in onzen tijd moeten spreken als tot het oude Bondsvolk.
Gij leeft niet als de groote massa in onze dagen, voor wie één uur in de voorhoven des Heeren erger is dan duizend in de tenten der goddeloosheid ; gij gaat op naar Gods huis, waar de Heere u iets te zeggen heeft, een boodschap van leven en van dood.
Gij leeft niet als de groote massa in onze dagen, die nauwelijks meer weet wat bidden is, die veel meer spreekt van mijn kracht en van mijn arm en van de kracht van mijn organisatie, dan dat zij staat in de deemoed voor God.
Gij leeft niet als de groote massa van onzen tijd, voor wie de sabbath een dag is van groote onrust, die de dag des Heeren houden voor den dag van den mensch bij uitnemendheid. En dat is wèl.
En toch — luister eens naar die klacht van Hem, die de dingen tot de grond door heeft en de menschen tot de bodem van hun hart peilt. God klaagt over een offerend, een feestvierend, een biddend volk. Ik mag het niet hooren! Omdat het hart niet recht is, omdat men de zonde niet wil afbreken door gerechtigheid. De Heere heeft zulke scherpe pijlen op Zijn boog. Een mensch moet van de doode vorm tot den levenden God bekeerd worden.
En let nu wel:
Het bidden moet niet afgeschaft, maar 't moet anders worden; geen gebed, waarbij het gaat om onszelven en waar ons ik in het middelpunt staat.
En het kerkgaan moet niet afgeschaft, maar het moet anders worden. Gij moet er bij zijn; het moet er om gaan, te hooren, wat de Heere voor een verloren zondaar zijn wil.
En de feesten en sabbathen moeten niet afgeschaft, maar gij moet ze vieren den Heere, met een geheiligd hart u verlustigende in de werken des Allerhoogsten.
Het goud is verdonkerd; het volk is wel erg gezonken, dat het Sodom gelijk is. De zonde van Sodom was vleeschelijk en de aarde wierp vanwege de gruwel der ongerechtigheid de bewoners uit. De zonde van Jeruzalem is geestelijk, en de Heere roeit uit wie van Hem afhoereeren en Hem de trotsche nek toekeeren. Als dan ook de Heere zich kort en goed van dit volk ontdeed, dan zoude het volkomen verdiend zijn. Nooit zal één zondaar, over wie de golven van Gods oordeel heengaan, kunnen zeggen, dat er in God onrecht is.
En zie, nu leest ge in onzen tekst niet: Gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt, maar met een dringende noodiging komt de Heere : Komt dan. Hier verschijnt een gewillig God voor een onwilligen zondaar. Instede van te komen met het vonnis van uitbanning uit, noodigt de Heere tot Zijn gemeenschap. Inplaats van te dooden met de roede Zijns monds en de adem Zijner lippen, trekt de Heere met koorden van liefde en beloften van genade.
Maar de mensch in zijn zondeleven, hoe zal hij klaar zijn om in Gods gemeenschap het uit te houden ? Omdat de mensch zondaar is, is de noodiging een door merg en been heendringende oproep om met God te richten. God dagvaardt den mensch. En als gij dat door Woord en Geest leert verstaan, dan wordt het een bange tijd in uw leven, want het is vreeselijk, in de handen des Heeren te vallen. Door Gods Woord en Geest in het rechthuis des Heeren gebracht en in de beklaagdenbank gezet. Die plaats nemen we niet gaarne in; daartegen verzetten we ons, zoolang als we het uithouden kunnen. Zelf als beschuldiger optreden, dat zal gaan. Wat een wereld critiek is er niet in het hart, en soms komt het over de lippen, waarin we openlijk of bedektelijk den Heere beschuldigen.
Komt en laat ons samen richten. Hebt ge die roep wel eens zoó onweerstaanbaar vernomen, dat ge u aan het geweld van Woord en 'Geest niet kondet onttrekken ? Ge gevoeldet u zoo voor Gods aangezicht gebracht, dat de kerkbank beklaagdenbank werd. Hebt ge niet gevoeld, hoe de Heere Zijn zware hand legde op uwe schouders en gij. stondt aangezicht tot aangezicht tegenover uw Schepper, die uw leven een doel stelde. Uitstel van gericht werd niet gegund. Uitvluchten konden niet baten, want aan den zondaar wordt dan bekend gemaakt alles wat hij gedaan heeft. Ach, wat zal ik, arme, klagen; Wien zal ik om bijstand vragen? Hoe meer ik in het licht van Gods Woord getrokken wordt, hoe donkerder wordt het van binnen. De schuldvraag wordt sterker, naarmate God in het leven van een mensch inkomt. Hier wordt geen rust geschonken, hier wordt de onrust geboren. In het gericht Gods, daar regent het aanklachten. Gods requisitoir spaart mij niet. Het valt tegen, met God te doen te krijgen. In Job's leven is wel een tijd geweest, dat hij meende het tegen God te kunnen uithouden in het gericht. In bange aanvechting van den Booze meent hij tot God te kunnen naderen als een Vorst, maar als aan den donkeren hemel van Jobs leven het onweder van Gods Majesteit hem verschijnt, dan verfoeit Job zich en heeft berouw in stof en asch.
In het gericht geeft gij Gods Woord gelijk en al dieper doet Gods Geest u het 'hoofd buigen. De zonde had zulk een machtige bekoring, en nu, wat vrucht hebt ge over de dingen, waarover ge u nu schaamt, want het einde daarvan is de dood. Dat Woord overdrijft niet. Zij hebben den Heere verlaten, zij hebben den Heilige Israels gelasterd. De Heere heeft kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Hem overtreden (vers 3 en 4). Daarin is mijn leven getypeerd. Vele vonden zoekt de mensch, maar de een ha de ander wordt uit de handen geslagen. Steeds klaarder ontdekt Gods Geest, dat ge tegen een heilig God hebt gezondigd; een klaar inzicht ontvangt ge van uw leven. De Heere heeft zich niet onbetuigd gelaten ; van uw jeugd af aan stond Hij voor u. maar zie, de dood was u, onbekeerde zondaar, dierbaarder dan het leven. Al mijn verborgen motieven worden blootgelegd; mijn binnenste voor God blootgelegd. Hoe kan ik God in de oogen zien; het bloedstijgt naar het aangezicht. Hoeveel komt God aan den door Hem geschapen mensch tekort. Wie zal die rekening vereffenen ? Wat kunt ge stellen tegenover de duizenden zegeningen die van dag tot dag u van God toekwamen ? Wat de menschen van u weten voor zonde en kwaad, dat is niet veel; wat ge zelf weet, dat is heel wat meer, maar de Heere weet alles.
Komt toch en laat ons samen richten, zegt de Heere. O, dag van toorn. Niet slechts één uwer wandaden, hoe zwaar die ook weegt; niet slechts een enkel jaar van uw leven, hoe ver ook van God doorgebracht, komt in de weegschaal Gods, maar uw hart. Bij uw hart kunnen de menschen niet bij om dat te toetsen en te doorgronden, maar de Heere heeft de toegang tot de binnenkameren uwer ziel. Alle bedekking wordt dan weggerukt. Diepe smart doorvlijmt u ; ge hebt nooit geweten, dat het zoo boos en bitter is tegen den Heere te zondigen. Wat een beschuldigers komen daar in de rechtzaal Gods. Een mensch belijdt niet spoedig zijn booze daan, maar voor God staande leert de mensch door Gods Geest de dood te aanvaarden en God rechtvaardig te achten. Daar wordt hij gewillig gemaakt om van vrije genade te leven.
Wat een bange ure in uw leven, als ge met God te doen krijgt. Weg dan uw rust; weg ook uw eigengerechtigheid en toch — welk een zalige ure, de ure van het gericht. In de ure van het gericht leer ik mijn Rechter om genade te smeeken. De dood blijkt een deur ten leven te zijn. De ure des stervens de dageraad van het nieuwe leven. Hoort het uit het vervolg : Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.
Gaat dat dan maar zoo ? Neen, de Heere gaat in den weg van de rechtvaardiging van den zondaar geen zwart wit noemen. Eens zat in de bank der beklaagden Christus, en Hij heeft daar willen zitten; in het gericht Gods kwam alles op Hem neer. Toen stiet en wierp God, vergramd Zijn Gezalfde neer. Daar bracht God het offer van Zijn Zoon. Daar droeg de Zoon het oordeel; in het gericht Gods werd Hij verdoemd, opdat een zondaar in het gericht Gods zoude vrij gesproken worden. Daarom en daarom alleen, om dien Christus wordt de ure des gerichts een gezegende, een zalige ure, om nooit te vergeten. In die ure des gerichts waar alle hope ontvalt, wordt Hij alles voor u. Een volkomen Zaligmaker wordt u geschonken en een volkomen zaligheid wordt u toegepast.
Hebt ge er wel eens over nagedacht, wat ge toch moet met uw zonde ? Er is zooveel kwaad dat roept om straf en zie gij zijt in ongerechtigheid geboren. Ge hebt er wel eens last van, want uw geweten zwijgt niet, maar getuigt tegen u. De tijd kort op, ge kunt de zonde niet ongedaan maken en uw leven niet overdoen. De zaak, die ge met God hebt moet hier aan deze zijde van het graf in orde komen. Daar is een onfeilbaar geneesmiddel tegen de doodelijke kwaal, waaraan ge lijdt, doch slechts één. Zoekt dan den Heere terwijl Hij te vinden is en roept Hem aan terwijl Hij nabij is.
Zalige ure, de ure des gerichts ; daar leer ik in geloof een volkomen Zaligmaker, een gewilligen Goël, een Zondeverzoener en Levensvernieuwer omhelzen.
R. (D.).
Bt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

GERICHT EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's