De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Van het gebruik der Wet.
Het voornaamste gebruik noemt Calvijn in de derde plaats. Dit vindt zijn toepassing in de geloovigen, in wier hart Gods Geest zijn sterkte heeft opgericht, en dit nadert het dichtst tot het einde der Wet n.l. Christus.
Hoewel zij de Wet Gods in hun hart door Gods vinger hebben gegraveerd en door de leiding des Heiligen Geestes alzoo gezind zijn, dat zij willig en bereid zijn de Wet te gehoorzamen, vorderen zij op tweeerlei manier in de Wet.
Vooreerst leeren zij door de Wet dagelijks beter Gods wil kennen, wijl zij er naar streven de Wet Gods steeds beter te leeren kennen, daardoor gesterkt te worden.
Daarbij wordt ervaren, dat zij voortdurend Gods hulp noodig hebben.
Men meene niet, dat Gods kinderen deze onderwijzing kunnen missen, want er is niemand, die daarin zoozeer volleerd is, dat hij niet telkens weer nieuwe vorderingen zou kunnen maken in een zuiverder kennen van den wil Gods.
Ten andere is het niet genoeg in de kennis der Wet te vorderen, maar men behoort ook opgewekt en versterkt te worden tot gehoorzaamheid, opdat men van het glibberig pad der zonde worde weerhouden.
Ook de heiligen, die wel nauwgezet den weg der gerechtigheid betrachten, worden steeds weer verhinderd door de traagheid des vleesches. Een sterk sprekend beeld gebruikt Calvijn, als hij de Wet vergelijkt bij een geesel, welken zij noodig hebben om als een tragen ezel te worden voortgedreven.
Op dit gebruik der Wet ziet de psalmdichter, als hij de volmaaktheid van des Heeren Wet roemt, (Ps. 19 vers 8), de bevelen des Heeren zijn recht, het gebod is zuiver, verlichtende de oogen (Ps. 119). Het Woord is een lamp voor mijn voet.
(Ps. 119).
In deze psalmen wordt niet alleen van de Wet gesproken als een zaak op zich zelf, maar óok van de belofte der genade, welke daarmede samengaat. David heeft in de Wet den Middelaar aangegrepen en dus wordt de strenge en bittere Wet zoet en lieflijk.

De verwerping der Wet.
Hoe weinig nieuws er onder de zon is, kan men verstaan, als men bij Calvijn leest over degenen, die de Wet overboord werpen onder het voorwendsel, dat het een Christen niet zou betamen aan de Wet te kleven, als ware dit een bediening des doods.
Dit noemt hij een onheilig standpunt. Mozes legt zoozeer den nadruk op de onderhouding der Wet, er op wijzende, dat daarin het leven is. Het is toch duidelijk, indien de Wet een volkomen gerechtigheid voorschrijft, dat zij is een regel der gerechtigheid, en dan betaamt het niet haar te verachten, want dan is er geen regel meer. Indien men dit echter moet toegeven, ligt het voor de hand, dat men van de Wet niet mag afwijken.
Daar is bovendien slechts één regel des levens, welke eeuwig en onveranderlijk is.
Calvijn bedoelt n.l., dat er geen twee of meer regels zijn, niet b.v. een Oud-Testamentische-en een Nieuw-Testamentische levenswet. De Wet geldt niet voor de ééne bedeeling, terwijl zij voor de andere heeft afgedaan, maar zij geldt voor alle eeuwen.
Daarom zal Gods kind voortdurend bezig zijn in de Wet. (Ps. 1, 2).
4: Misschien zou iemand opschrikken, omdat wij nimmer zulk een heiligheid en gerechtigheid bereiken in dit leven, zoolang wij in den kerker des lichaams zijn.
Immers in het onderhavig gebruik is de Wet niet als een drijver, die niet ophoudt, alvorens al de gerechtigheid is vervuld, maar zij wijst op de bestemming der gerechtigheid, waarheen wij ons naar den eisch hebben uit te strekken overeenkomstig onzen schuldigen plicht en niet minder tot ons eigen voordeel.
Het leven is als een loopbaan, die geloopen wordt, en zoo wij maar de eindpaal voor oogen mogen houden en volharden tot het einde, is het goed. Klaarblijkelijk denkt Calvijn aan het beeld van den wedloop, waarop ook Paulus wijst als hij zegt: ik jaag naar het wit.
Zoo is voor Gods kind de vloek der Wet weggenomen. Zij benauwt en verschrikt de consciëntie niet meer.
Kan men nu zeggen, dat de Wet voor hen is afgeschaft? Wel te verstaan, niet in dien zin, dat zij niet meer de regel der gerechtigheid zou zijn, maar alleen ten aanzien van die verschrikking.
Calvijn stelt die vraag mede in verband met de bewering van Paulus, die van de te niet doening der Wet spreekt en deswege ook door de Joden werd aangevallen.
De Joden hebben zeker aanleiding gehad in Paulus' prediking aangaande de Wet, hoewel zij Paulus toch misverstaan hebben. Het gebeurt echter meer, dat een dwaling zijn aanleidende oorzaak vindt in de waarheid. En het is hier ook het geval.
Daarom vermaant Calvijn tot een nauwkeurig onderzoek omtrent datgene, wat werd afgeschaft en wat niet werd afgeschaft, maar blijvende is. *

De Heere Jezus betuigt: Ik ben niet gekomen om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg Ik u, totdat hemel en aarde voorbijgaan, zal geen tittel noch jota van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal geschied zijn. Zoo blijft dan de leer der Wet door Christus' komst ongeschonden, opdat zij ons zij tot leering, vermaning en bestraffing en tot bekwaammaking in alle goed werk. (Matth. 5 vs. 17).
Zoover het echter den vloek der Wet betreft, kan men weten, dat zulks niet behoort tot haar onderwijzing, maar tot de macht, welke zij heeft om de consciëntie te binden. Immers de Wet leert niet alleen, maar zij eischt ook, dat men doet, wat zij gebiedt.
Gebeurt dit niet, dan slaat zij met haar vloek.
Daarom zegt Paulus: Zoovelen als er uit de werken der Wet zijn, die zijn onder den vloek. Immers er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen. (Gal. 3 vs. 10 ; Deut. 27 vers 26).
Zij zijn n.l. onder de werken der Wet, die de rechtvaardigheid niet in de vergeving der zonde stellen, waardoor wij van den eisch der Wet worden verlost.
Daarom zegt Paulus, dat wij van de banden der Wet moeten verlost worden, zoo wij niet ellendig zullen omkomen.
Wat zijn de banden der Wet ?
De strenge en ongenadige eisch der Wet, die van het hoogste recht geen zier laat vallen en geen overtreding ongestraft laat. (Gal. 3 VS. 13). Dit zijn dus de banden der vervloeking. Om ons daarvan te bevrijden is Christus voor ons tot een vervloeking geworden.
Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Dat is ook de zin der woorden, als Paulus zegt, dat Christus onder de Wet is geweest, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, daarvan zou verlossen. Daarom spreekt hij over de aanneming tot kinderen. (Deut. 21, 23 en Gal. 4 vs. 4 en 5).
Paulus heeft daarmede echter het gezag der Wet niet aangetast. Dat blijft onveranderlijk staan en wij hebben daaraan eerbied en gehoorzaamheid te bewijzen.
Zoo laat Calvijn duidelijk zien, dat men geen beroep op Paulus' woorden kan doen, als men wil beweren, dat de Wet en haar gezag zou zijn afgeschaft. Er kan alleen sprake zijn van den vloek der Wet, welke door Christus werd weggenomen.
Van de ceremoniën.
Het voorafgaande heeft betrekking op de Wet der zeden.
Wat anders is het, wanneer men van de ceremoniën der Wet spreekt.
Ook daarbij moet men onderscheid maken tusschen de bedoeling en het gebruik. Het gebruik der ceremoniën is afgeschaft. Door de komst van Christus hebben de ceremoniën afgedaan. Maar ook dat heeft nog iets te zeggen omtrent de ceremoniën. Wanneer toch de komst van Christus de ceremoniën heeft doen vervallen, ligt daarin een bewijs voor haar bijzonder karakter. Zij zijn heilige plechtigheden, welke door ons niet mogen worden onderschat.
De ceremoniën zouden den ouden niet gebaat hebben, indien zij bloote vertooningen waren geweest. Dat zijn zij dus niet. De heiligen van het oude Verbond hebben de kracht van Christus' dood en opstanding daarin gezien.
Dat zouden wij er heden niet in kunnen zien, indien zij niet waren opgehouden. Nu echter zijn zij opgehouden door den dood en de opstanding van Christus en daaruit verstaan wij dus, dat ze ingesteld werden met een heilige bedoeling.
Uit dien hoofde leert Paulus, dat de onderhouding der Joodsche plechtigheden schade zou zijn. Zij waren schaduwen of voorbeelden van die dingen, die in Christus wezenlijk zijn. (Col. 2 vs. 17).
De schaduwen zijn als een deksel van Christus. Daarom kan de waarheid beter gekend worden door de afschaffing der ceremoniën.
Hetzelfde ziet Calvijn ook in het scheuren van het voorhangsel, omdat het levende beeld der hemelsche goederen openbaar was geworden. (Matth. 27 vs. 51).
Zoo zegt ook Christus, dat de Wet en de Profeten geweest zijn tot op Johannes. Van toen af is het Koninkrijk Gods gepredikt geworden. (Luc. 16 vs. 16).
Men begrijpe dit woord niet verkeerd. Het bedoelt niet te zeggen, dat de prediking der hope des eeuwigen levens aan het Oude Verbond heeft ontbroken. Zij hebben het alleen onder een deksel gezien, wat in Christus klaar aan het licht is gekomen.
De Wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid door Christus Jezus. (Joh. 1 VS. 17). Zoo moest Gods kerk opklimmen tot hooger. Zoo kon zij ook de beteekenis en het einde van den dienst der schaduwen eerst verstaan in en door den Christus.
Gaat Paulus toch niet verder ?
En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid des vleesches, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende. Uitgewischt hebbende het handschrift dat tegen ons was en heeft hetzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende. (Col. 2 VS. 13—15).
Hier schijnt Paulus toch verder te gaan in het afschaffen der Wet.
Sommigen verstaan dit van de Wet der zeden, anderen van de Wet der plechtigheden. Immers ook wat hij tot de Efeziërs zegt, schijnt daarmede overeen te komen. Hij is onze vrede, die beiden tot één gemaakt heeft, de Wet der geboden, die in inzettingen gelegen was, te niet makende, opdat Hij die twee in zich zelven tot een nieuwen mensch maken zou. (Ef. 2 vs. 15).
Vast staat, dat Paulus hier van de ceremoniën spreekt. Immers, hij heeft het over een middelmuur des afscheidsels tusschen Joden en Heidenen. Calvijn acht dit een vast bewijs. Met dezen middelmuur ziet de apostel op den dienst, die scheiding maakte tusschen Jood en heiden.
Calvijn heeft echter bezwaar tegen de vermenging van de beide aangehaalde plaatsen, t.w. uit den brief aan de Colossenzen en aan de Efeziërs.
In de eerste ziet hij een andere zaak. Tot de Efeziërs zegt Paulus : de muur is weggenomen, die eertijds scheiding maakte. Dat is juist, want de apostel spreekt verder over den toegang voor beiden.
In den brief aan de Colossenzen betreft het de onderhouding van de Wet van Mozes. Evenals in den brief aan de Galaten, laat Paulus deze zaak in hooger licht zien.
Calvijn neemt dat uit de spreekwijze van Paulus : het handschrift, dat tegen ons was. Dat grijpt dieper. Met Augustinus houdt hij er voor, dat in de Joodsche ceremoniën meer een belijdenis der zonde dan een verzoening was.
Wat deden zij anders met de offeranden, dan verklaren, dat zij des dood& schuldig waren ? Wat deden zij met de wasschingen en reinigingen anders dan betuigen, dat zij onrein waren ?
Zoo werd het handschrift der zonde dikwijls vernieuwd, doch de betaling was er niet. (Vgl. Hebr. 9 vs. 15). In dien zin noemt Paulus de ceremoniën handschriften der zonde, welke tegen degenen waren, die de plechtigheden waarnamen, omdat zij daarmede getuigenis gaven van hun doemwaardigheid. *Wellicht vraagt iemand, of zij dus niet dezelfde genade deelachtig zijn geweest als de kinderen des Nieuwen Verbonds.
Daarover is geen verschil en dat doet aan het voorafgaande ook niets af, want die genade verkregen zij niet in de ceremoniën, maar in Christus.
Zoo zijn het dus valsche apostelen, die de kerk van Christus wederom aan de ceremoniën willen binden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's