KERKELIJKE RONDSCHOUW
Er komen omstandigheden, van meer dan één kant, die ons tot bezinning roepen. En wanneer wij ons bezinnen op deze omstandigheden, zullen we spoedig voelen dat het tijd wordt ons op middelen en wegen te bezinnen, om aan de behoeften, die zich laten voelen, te voldoen en daarin hulp te bieden.
Wij hebben natuurlijk hier het oog op de kerkelijke omstandigheden en de behoeften, die zich daar voordoen, 't Gaat nu over vragen, die liggen op kerkelijk gebied.
En dan willen we twee dingen hier noemen.
Ten eerste hebben we behoefte aan hulppredikers. Jaren en jaren geleden — wij kunnen spreken van ongeveer 40 jaar terug — werd er de nadruk op gelegd, dat het voor de a.s. predikanten zoo nuttig zou zijn — velen achtten het beslist noodig — als zij, alvorens zich beroepbaar te mogen stellen, eerst (minstens) een jaar ergens als hulpprediker dienst zouden doen. De voorstellen daartoe zijn zelfs tot in de Synode-vergadering geweest. Men had toen vooral het oog op de a.s. predikanten zelve, opdat zij een leerschool zouden kunnen doormaken, waarvan zij later profijt zouden kunnen hebben.
Wij laten dat nu voor 't geen het is. Want wij hebben voor 't oogenblik het oog op de andere kant van het hulppredikerschap. Wij bedoelen, dat in zoovele gemeenten zoo groote behoefte is aan hulpdienst voor den predikant (voor de predikanten). En daarom zou het zoo gewenscht zijn, dat deze zaak eens ernstig onder de oogen kon worden gezien, hoe we, in geordenden weg, kunnen komen tot het instituut van hulpprediker, zoowel in de stad, als in vele meer plattelands-gemeenten met een uitgebreide werkkring. Daar zouden Candidaten tot den Heiligen Dienst zoo prachtig werk kunnen vinden. En het mes sneed dan van twee kanten : het was voor den a.s. dominé zoo'n uitnemende leerschool en het was voor de gemeenten, die daarvoor het eerst in aanmerking komen, zoo nuttig en goed, dat er een hulpkracht mee de schouders zette onder het vele werk.
Juist, omdat we nu gedurig in de courant, onder Kerknieuws, telkens lezen, dat er hier of daar een hulpprediker „benoemd" is --niet „beroepen", maar „beroemd" ; zoodat 't ook niet onder de gewone rubriek van „beroepingswerk" thuis hoort - willen we er hier eens op wijzen. Want - het gaat, naar we meenen - nu veel te veel incidenteel, luk raak, en een goede regeling, een officieele kerkelijke regeling, ontbreekt veel te veel. Hier zou ook een meer algemeene en officieele regeling moeten en kunnen getroffen worden. En onder de vele „kerkelijke fondsen" zou aan het instituut „hulpprediker" ook gedacht moeten worden. Het moet in de richting van „hulppredikers" gaan, meer en meer. Omdat de nood, de groote geestelijke nood der Kerk 't vraagt en eischt, geloovende, dat er werkelijk, door het hulppredikerschap in te voeren en te regelen, een zegen zou kunnen uitgaan voor menige gemeente. Onderscheidene gemeenten zouden dan „geholpen" (financieel) moeten worden, en daarvoor zou een regeling noodig zijn. Opdat de plaatselijke kerkelijke fondsen en ook de algemeene fondsen rekening zullen moeten houden met het instituut van het hulppredikerschap. Ook particuliere fondsen, van vereenigingen, bonden en kringen, zouden hier hulp kunnen en moeten verleenen, waar 't noodig blijkt te zijn.
De nood van de gemeenten stellen wij dus voorop, te meer, waar er inderdaad in onze dagen veel meer contact moet en kan zijn tusschen Kerk en volk.
In deze zelfde lijn voortgaande, zouden we in de tweede plaats willen noemen : de Evangelisatie-predikant.
Met name de propaganda-rede van ds. Aris, de voorganger van de Vereen, van Vrijz. Hervormden te Amsterdam, onlangs te Alkmaar, in 't hartje van Noord-Holland boven het IJ, gehouden, deed er ons aan denken : we moeten uitzien naar het instituut van Evangelisatie-predikant. Twintig, dertig, veertig gemeenten, alleen nu nog maar gedacht aan Noord-Holland boven het IJ, liggen verwaarloosd en verwoest. Er is ook niemand, die er ernstig naar omziet, er is nergens zelfs een poging tot ingespannen arbeid ; elk plan, ook zelfs het eenvoudigste, ontbreekt.
Dat deed ons denken aan het instituut : Evangelisatie-predikant, in uitgebreiden zin nu genomen.
Zou er met flink aanpakken niets te bereiken zijn ? Een predikant, voor dat werk geschikt en voor dat werk voelend (want dat moet er bij komen natuurlijk, anders baat het niets wat eventueel zou kunnen worden begonnen) zou, flink van alle kanten geholpen, prachtig, heerlijk, gezegend werk kunnen doen.
In andere Kerken — ook al door den nood gedreven — heeft men zich op deze beide dingen beraden : op het hulppredikerschap èn op het instituut van Evangelisatie-predikant. Gelijk we nu maar tegelijk nog een derde ding willen noemen, n.l. dit : dat we voor ons Zendingswerk nu eindelijk eens een van alle kanten toegerust theoloog moeten zoeken, die op 'het Zendingsterrein leiding kan geven en het werk eens flink kan aanpakken ; gelijk alle andere Kerken de noodzakelijkheid daarvan hebben gevoeld en niet gerust hebben alvorens ze een weg daartoe hebben gevonden en ook een of meer uitnemend toegeruste predikanten daarvoor hebben kunnen uitzenden. Met name denken we aan de Geref. Kerken ; maar ook zelfs de betrekkelijk kleine Chr. Geref. Kerk in Nederland, heeft welbewust dezen weg gekozen en mag er met groote dankbaarheid van genieten.
En nu spreken we maar niet eens van de Roomsche Kerk. De wereld, de groote wereld aan de overzijde van de zeeën, maar ook de wereld, de groote wereld hier in Nederland, in stad en dorp, vraagt om deze dingen, die op den weg van de Kerk liggen !
Dat we oogen mogen ontvangen om te zien, een hart om op te merken, verstand om het goed aan te pakken en kracht om 'het te beginnen en voort te zetten, luisterende naar de stem des Heeren : geeft gij hun te eten ! Wij?
Ja — want de Heere weet wat er voor noodig is, en Hij roept ons niet, zonder ons dat tot groote troost en bemoediging telkens bemoedigend toe te roepen.
Dan zullen ook degenen, die op Hem betrouwen en naar Zijn bevel willen luisteren, niet beschaamd uitkomen. Hier niet, en in Indië niet.
Drie dingen : hulppredikers, evangelisatiepredikant (en), met een volledig apparaat — en zendingsdominé. *
DE VRIJZINNIGEN EN DE REORGANISATIE
Wat willen de Vrijzinnigen, nu de reorganisatie aan de orde blijft ? Ds. D. Bakker, Ned. Herv. pred. te Drachten en hoofdredacteur van „Kerk en Wereld", het Orgaan van de Vrijz. Hervormden, wil er ons in een paar vervolgartikelen iets van gaan vertellen. Het eerste stuk ligt voor ons (25 Nov. j.l.) We lezen daar :
De geschiedenis herhaalt zich. Veel van wat men vroeger gezegd heeft, zegt men nu weer. Bij pro en contra dikwijls dezelfde argumenten. Toch is er ook weer verschil. Vroeger wilde men onder de Vrijzinnigen heelemaal niets weten van reorganisatie. Dat is nu wel anders geworden. Velen stemmen in met wat prof. Daubanton in 1904 in de Synode zei : „men behoeft nog niet alle heil van reorganisatie te verwachten, om toch eenig heil er van te hopen".
De oorzaak van deze veranderde zienswijze is wel de nood der tijden.
„Er is een steeds grooter wordende onkerkelijkheid ; er is een verzakelijking onzer cultuur ; een verpauperiseering van méér dan één volksgroep ; een naturaliseering van het leven ; een verafgoding van aardsche machten ; een aanbidding van geweld, die niet alleen een belemmering zijn voor de verdere doorwerking van de beginselen van het Evangelie, maar die ook tien-en honderdduizenden volkomen vervreemden van God en van Christus".
Zóó is dus het oordeel over de 'hedendaagsche situatie, maatschappelijk-geestelijk-kerkelijk genomen, van ds. Bakker, de Vrijzinnige dominé van Drachten, in Friesland, in politicis sociaal-democraat.
En deze Vrijz. Hervormde, socialist van professie, spreekt van onkerkelijkheid enz. (wie daaraan niet 't minst schuld hebben — zegt de moderne dominé en de socialist niet) en roept dan uit : tien-en honderdduizenden vervreemden volkomen van God en van Christus.
Zouden de oogen open gaan ?
't Ware wel te wenschen !
Wat ds. Bakker, de moderne dominé, die lid is van de S.D.A.P., verder zegt, is merkwaardig. Het komt hierop neer : De wereld verkeert in grooten nood ; de onkerkelijkheid is schrikbarend ; de stofvergoding overal ; de verafgoding van aardsche machten ; de aanbidding van het geweld — neemt met den dag toe. We moeten komen tot de doorwerking van het Evangelie ; de tien-en honderdduizenden, die volkomen vervreemden van God en van Christus, moeten teruggeroepen worden. De wereld is in een nieuwe situatie gekomen. En nu staat de Kerk voor een nieuwe taak. En een nieuwe taak vraagt een nieuwe aanpak, een eigen methode van werken, en daar is de tegenwoordige organisatie der Ned. Hervormde Kerk niet op berekend, en daarom moet er een andere organisatie der Hervormde Kerk komen.
„Bij ons" — aldus ds. Bakker, nu letterlijk geciteerd — „is de roep om reorganisatie geboren uit den nood der wereld en de daarmee in verband staande nood der Kerk".
Wie alleen maar pastoraal werk doet — overigens geenszins geminacht — voelt het zoo niet (zegt ds. Bakker), maar wie daarnaast, ook daarmee innig verbonden, vooral ook de apostolische taak als roeping der Kerk in onze dagen ziet, zal telkens weer ontdekken hoe haar apparaat in menig opzicht tekort schiet, zelfs meer dan eens onbruik baar is. En die zal willen reorganiseeren".
„En zoo kon ik" — aldus ds. Bakker — „10 Dec. '37 reeds schrijven, mede namens het Hoofdbestuur van de Vereen, van Vrijz. Hervormden: „Onze Vereen, van Vrijz. Hervormden wil bevorderen, dat mede door verbeterde reglementen de Zendingstaak (zie boven : de apostolische taak) der Kerk (om te getuigen in een ontredderde wereld) beter kan worden vervuld en de stem der Kerk met grooter stelligheid in de wereld worde gehoord".
Als we deze dingen zoo lezen en zoo hooren, zouden we haast geneigd zijn te zeggen : het is te mooi om waar te zijn !
De nood der ontredderde wereld wordt gevoeld, over de onkerkelijkheid wordt geklaagd, de vervreemding van God en Christus doet leed — en nu moet de Kerk, de Hervormde Kerk, vernieuwd worden, ze moet haar getuigenis laten hooren, haar Zendingstaak gaan verrichten (onder het gedoopte heidendom ? ), haar apostolische taak ter hand nemen.
En zoozeer is het ernst bij ds. Bakker, dat zulks moet gebeuren, dat hij reorganisatie wil. En dan niet alles overhoop halen. We moeten nuchtere menschen zijn en blijven. En daarom een partiëele reorganisatie.... Niet alles overhoop halen als b.v. bestuur en beheer ; ook gaan we niet aan de orde stellen de belijdenisschriften. Anders duurt het veel te lang. „En als dan ten slotte eindelijk de operatie zou geschieden, dan kon 't wel eens te laat zijn en de patiënt kon dan wel eens intusschen zijn overleden".
Is dat alles niet prachtig gezegd ? Haast te mooi om waar te zijn.
En het is ook alles een mystificatie ; het is een wanhopig door elkaar gooien van de dingen. Want de wereld is in grooten nood ; tien-en honderdduizenden vervreemden van God ; alles vermaterialiseert — daarom moet de Kerk gaan spreken, gaan getuigen, als een profeet, van God gezonden
Maar dan een nieuw evangelie, een ander evangelie dan 'het aloude Evangelie ; een andere God, een andere Christus. En de Kerk oproepen tot een getuigenis, wil men van de stelligheid van de Heilige Schrift en de stelligheid der belijdenis der Kerk, van de stelligheid van de belijdenis van Jezus Christus als God en Heiland, niets weten ; het wordt alles eenvoudig afgewezen als „bekrompen" en „verouderd".
De Kerk moet dus met meer kracht, met meer liefde, haar stem verheffen in het midden der wereld. Maar — welke stem moet dat zijn ?
Zeggen de Vrijzinnigen, de modernen, de socialisten niet altijd ongeveer dit : we moeten de Kerk vrijmaken van alle banden aan de belijdenis. De „kluisters", die de Kerk binden aan allerlei dogma's, moeten worden verbroken. De Kerk moet vrij worden !
En de orthodoxen zijn zóó bekrompen, dat zij vasthouden aan 't geen in allerlei formulieren begrepen is, 't welk voor deze menschen alleen maar waarheid is ; uitwerpende allen, die 'hierin met hen verschillen.
En die menschen, die zóó verachtelijk spreken over de belijdenis der Kerk en van geen formulieren weten willen, willen nu, gezien de nood der wereld, de Kerk oproepen tot een meer stellig getuigenis, om de vervreemden van God en Christus terug te brengen.
Eerlijk gezegd, we begrijpen er niets van. Of eigenlijk begrijpen we er wèl iets van....
Maar we zullen nog maar even wachten er komen nog méér artikelen van ds Bakker. We komen er dan nog wel een keer op terug.
Die bekrompen belijdenisschriften!
Die onverdraagzame orthodoxen!
In de dagen van den grooten Schoolstrijd stonden Thorbecke, de grootmeester van de liberalen, en mr. Groen van Prinsterer, de leider van de A.R. Partij, telkens tegenover elkaar. We luisteren even toe bij de debatten in 's lands raadszaal. Thorbecke voert het woord, en hij zegt, dat de Openbare School niet godsdienstloos is ; „tenzij men alleen godsdienst noemt wat in een zeker boek staat en in zekere formulieren begrepen is". Het was natuurlijk aanstonds doorzichtig, wat deze grootmeester van het liberalisme bedoelde met „dat zekere boek" en „die zekere formulieren". Dat was de Bijbel, Gods Woord. Dat waren de belijdenisschriften der Kerk, zooals b.v de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Catechismus, enz.
Wat een minachting toch eigenlijk voor „dat zekere boek" en voor die belijdenisschriften ! Zoo echt liberaal
En wat antwoordde mr. Groen van Prinsterer ? We citeeren letterlijk : „Ja, zóó bekrompen zijn' wij ; wij hechten nog aan zekere formulieren, wanneer men daarin het eenvoudig en evangelisch geloof van den christen terugvindt. In onzen Catechismus luidt de eerste vraag niet : hoe velerlei godsdiensten zijn er ? Maar : welke is uw éénige troost, beide in het leven en in het sterven ? Wij hechten nog aan de Heilige Schrift. Volgens haar heeft de tempel, niet met handen gemaakt, waar men aanbidt in geest en in waarheid, tot opschrift niet slechts : „Komt allen tot Mij, gij, die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u rust geven" ; maar óók : „niemand komt tot den Vader dan door Mij". Velerlei godsdiensten voorzeker zijn er, vooral bij het subjectivisme van onzen tijd. Tallooze godsdiensten van filosoof en ongodist beide ; maar voor óns, exclusivisten als wij zijn, is er ééne godsdienst slechts, die niet , , in een of ander boek", maar in de Heilige Schrift, in den Bijbel, in het Boek der boeken is geopenbaard".
Zoo'n getuigenis is ook nu nog op haar plaats ; want, hoewel er veel veranderd is sinds de dagen van Thorbecke en Groen van Prinsterer, toch blijft het altijd nog gaan : voor „of tegen Gods Woord, voor of 'tegen den Christus der Schriften ; voor of tegen de belijdenis der waarheid, door de Kerk des Heeren neergelegd in haar formulieren, waarin een eenvoudig christen van z'n eenigen troost hoort getuigen, voor leven en sterven, tot vrede en zaligheid !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's