WAT CALVIJN ONS LEERT
De Wet der zeden.
Calvijn voegt een behandeling der Tien Geboden in om daarmede tegelijk aan te toonen, wat boven reeds werd opgemerkt : n.l. dat zij van kracht blijft,
dat de Joden daaruit de ware Godsvrucht hebben geleerd,
dat zij door het oordeel tot den Middelaar werden getrokken.
In het begin van het boek heeft Calvijn er op gewezen, dat de ware Godsvrucht ontstaat uit de ware Godskennis en de kennis van ons zelf.
Het voornaamste van de Godskennis is, dat wij God niet kunnen begrijpen naar de heerlijkheid van Zijn Wezen, doch zoodra wij Hem kennen, wórden wij aangegrepeh door Zijn Majesteit.
Het voornaamste der zelfkennis bestaat daarin, dat wij van onzen waan worden verlost, het vertrouwen op onze eigene gebrekkigheid afwerpen, en in het besef van onze armoede verootmoedigd en verslagen worden.
Deze twee zaken doet God door Zijn Wet.
Vooreerst stelt Hij zich voor als de Gebieder. Hij trekt de macht aan Zich om over het gansche leven en over allen te gebieden, eischt eerbied en gehoorzaamheid van ons en zegt, waarin die bestaat.
Ten andere stelt de Wet ons voor den regel der ware gerechtigheid, welke wij niet brengen, zoodat wij van onze onmacht en ongerechtigheid overtuigd.
Er is ook een inwendige wet, geschreven m onze harten.
Deze inwendige wet doet eenigermate hetzelfde als de Wet Gods.
Ons geweten laat ons niet met rust. Het is als een getuige van hetgeen wij God schuldig zijn, stelt ons het onderscheid van goed en kwaad voor oogen, en beschuldigt ons, als wij afwijken.
Door de inwendige wet vernemen wij echter weinig van den dienst, die Gode welbehagelijk is. De mensch verkeert zoozeer in dwalingen, dat hij het niet verstaat. Hij is zeer ver verwijderd van den rechten dienst des Heeren.
Bovendien verhindert de hoogmoed hem in zich zelf af te dalen en zich te verootmoedigen.
Daarom heeft God ons Zijn Wet gegeven.
Wat men uit de Wet heeft te leeren.
Ten eerste, dat God, die onze Schepper is, met recht de plaats inneemt van een Vader en Heere over ons, en dat wij Hem eer, eerbied, vreeze en liefde schuldig zijn.
Ten tweede leert zij ons, dat wij ons eigen voogd niet zijn, om te doen of te laten wat wij willen en wat de booze lusten van ons hart ons ingeven. Wij moeten bestendig blijven in hetgeen Gode welbehagelijk is.
Ten derde, dat God gerechtigheid en oprechtheid liefheeft, maar de ongerechtigheid vervloekt.
Ten vierde, dat wij, zoo wij niet willen afwijken, ons gansche leven hebben te oefenen in gerechtigheid.
Ten vijfde, dat wij Gods wil boven den onze moeten stellen, zoodat de onderhouding der gerechtigheid, heiligheid en zuiverheid, een oprechte dienst is, welke Hem toekomt.
Geen verontschuldiging.
Kan het een verontschuldiging zijn, dat ons de macht ontbreekt om aan den eisch der Wet te voldoen ?
Indien wij zoo redeneeren, meten wij de eere Gods af naar ons vermogen. Dat is onbetamelijk.
God blijft zichzelven gelijk. Hij blijft een vriend der gerechtigheid en een vijand der ongerechtigheid.
Op ons rust de noodzakelijkheid om te gehoorzamen aan alles wat God eischt. Vooreerst, omdat het recht en billijk is, wat Hij gebiedt, maar dan óok, omdat wij daartoe door de natuur verbonden zijn. Hij is onze Schepper en wij zijn Zijn schepsel.
Het is onze schuld, dat wij niet kunnen.
De zonde houdt ons gevangen door onze eigene begeerte, zoodat wij niet vrij zijn tot gehoorzaamheid aan onzen Vader.
Niemand kan zeggen, dat hij noodzakelijk, d.i. door dwang, zondigen moet.
De voortgang van de onderwijzing der Wet.
Het onderwijs der Wet leert ons bij verdere vordering in ons zelf afdalen.
Daarbij worden twee dingen geleerd. Ten eerste, dat wij niet waardig zijn onze plaats onder de schepselen in te nemen, omdat wij aan Gods gerechtigheid bij lange na niet genoeg doen, nog minder om Zijn kinderen genaamd te worden.
Ten tweede, dat onze krachten ten eenenmale ontoereikend zijn om de Wet te volbrengen,
Het gevolg daarvan moet zijn : mistrouwen in ons zelf, angst en vreeze in het binnenste vanwege het oordeel Gods.
Dat oordeel gaai gepaard met de gewaarwording van den schrik des doods.
Uit deze gesteldheid wordt zulk een ootmoed geboren, die alleen verwachting kan hebben van de barmhartigheid Gods.
De schrik der Wet en de belofte barmhartigheid.
De gerechtigheid des Heeren is groot en zeer te vreezen, doch de Heere wekt niet alleen tot eerbied en ontzag voor Zijn Majesteit.
Hij wil, dat wij de gerechtigheid liefhebben en de ongerechtigheid haten.
Hij weet, dat wij alzoo verduisterd zijn, dat wij door de schoonheid der deugd niet worden getrokken.
Daarom heeft Hij in Zijn barmhartigheid van een loon gesproken, opdat wij een begeerte tot Hem zouden verkrijgen. Wie Zijn geboden onderhoudt, zal niet tevergeefs arbeiden, gelijk ook de ongerechtigheid niet ongestraft zal blijven.
Het loon der gehoorzaamheid.
De Heere belooft, dat Hij de gehoorzaamheid dergenen, die Zijn geboden bewaren, zal zegenen met zegeningen in het tegenwoordige leven en met de eeuwige zaligheid.
Hij dreigt de overtreders met tijdelijke straffen en met den eeuwigen dood. Wie deze dingen doet, zal door dezelve leven. (Lev. 18 vers 5).
De ziel, die zondigt, zal den dood sterven. (Ezech. 18 vers 4, 20).
Alle plaatsen, die melding maken van Gods goedgunstigheid en van Zijn toorn, zetten de eeuwigheid des levens onder de gunst, en de eeuwigheid van den dood onder den toorn.
Wat het tegenwoordige leven aangaat, vindt men een gansche reeks van zegening en vloek in de Wet. Lev. 26 vers 4, enz.; Deut. 28 vers 1, enz.).
Het recht Gods.
De heiligheid Gods kan geen boosheid verdragen, de liefde Gods tot de gerechtigheid kan deze niet onbeloond laten. Zoo straft de Heere naar Zijn heiligheid en beloont naar Zijn wonderbare goedertierenheid.
De betaling der schuld verdient echter geen vergelding, d.w.z. God is niet schuldig de gehoorzaamheid te beloonen. De mensch kan niet eischen uit een recht op vergelding, als gold de regel : voor wat hoort wat.
Zoo denken de heidenen, en zoo zouden wij het ook willen verstaan. Wij zijn met geheel onzen persoon en met alles wat wij hebben aan Zijne Majesteit verplicht, omdat Hij onze Schepper is. Wij staan niet op voet van gelijkheid, zoodat wij met Hem zouden kunnen onderhandelen, of iets van Hem eischen op grond van verdiensten.
Dat bedoelt Calvijn, als hij zegt: betating der schuld verdient geen vergelding.
Als de Heere dus den dienst, waartoe wij zonder meer verplicht zijn, belooft te beloonen, doet Hij afstand van Zijn recht.
Wanneer wij dit bedenken, kan het duidelijk zijn, dat de beloften Gods Zijn liefde openbaren en hoezeer de onderhouding der Wet Hem welbehagelijk is.
Voorts, dat de bedreigingen niet alleen de vervloeking der ongerechtigheid onderstrepen, maar ook vermaningen zijn om het oordeel Gods niet te vergeten.
Gehoorzaamheid en geen verdiensten.
De Wet is een regel der gerechtigheid en openbaring van den wil Gods. God geeft daarmede te kennen, dat geen ding Hem meer behaagt dan gehoorzaamheid.
De mensch wil bij God iets verdienen.
De religie is den mensch ingeplant. Hij heeft een besef van God. Hij is een godsdienstig wezen. Daarom maakt hij zich zelf een godsdienst, als hem de ware godsvrucht ontbreekt en tracht een soort gerechtigheid te verkrijgen, waarvan hij de norm zelf bepaalt en welke hij uit zich zelf wil voortbrengen.
Hij begeert middelen en wegen om een gerechtigheid te verkrijgen buiten Gods Woord.
Het gevolg daarvan is, dat de menschen vele geboden maken omtrent hetgeen zij goed achten. Doch de geboden der Wet worden verdrongen door de menschelijke geboden, die welhaast alle ruimte innemen.
Daarom heeft Mozes deze booze begeerte willen bedwingen, toen hij de Wet afkondigde : Neemt waar en hoort al deze woorden, die ik u gebied, opdat het u en uw kinderen na u welga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben, hetgeen goed en recht is in de oogen van den Heere uw God. Gij zult daar niet aan toe doen en niet afdoen. (Deut. 12 vs. 28, 32).
Klaar en duidelijk wordt Gods gebod onderscheiden van wat de heidenen doen, wijl Israël rechtvaardige inzettingen en rechten van den Heere ontvangen had. (Deut. 4 vers 6).
Bewaart dan uzelf en uw ziel zorgvuldiglijk, en vergeet niet de dingen, die uw oogen gezien hebben en dat zij van uw hart niet wijken. (Deut. 4 vers 9).
Desondanks zijn de Israëlieten afgeweken.
En, zoo vraagt Calvijn, hoe staat het met ons ?
De volmaakte leer der gerechtigheid, die de Wet zich toeeigent, geldt ook voor ons. Zij verandert niet.
Doch ook wij zoeken goede werken te verrichten, terwijl wij geen genoegen nemen met deze leer.
Daarom is het goed, voortdurend voor oogen te houden, dat de Wet ons van God gegeven is, opdat zij ons zou onderwijzen omtrent de volkomen gerechtigheid en dat door de Wet geen. andere gerechtigheid wordt geleerd, dan die naar den wil Gods is.
Al wat daarbuiten valt is onheilig.
Er is geen oorzaak om nieuwe vormen te zoeken om God aan ons te verbinden. De oprechte dienst des Heeren bestaat in gehoorzaamheid.
Het karakter der Wet.
Hoe zal men over de Wet oordeelen en hoe zal men haar waardeeren ?
Vooreerst moet als vast worden aangenomen, dat het leven naar de Wet niet alleen wordt gevormd tot uitwendige eerbaarheid, maar ook tot inwendige geestelijke gerechtigheid.
Dat wordt door niemand geloochend en toch door weinigen behoorlijk waargenomen.
Hoe dat komt ?
Omdat men niet ziet op den Wetgever.
Het karakter der Wet moet beoordeeld worden naar de natuur van den Wetgever.
Indien een aardsche koning verbiedt te hoereeren, te dooden en te stelen, — zoo merkt Calvijn op — dan is de man, die alleen in zijn hart lust heeft tot hoereeren, dooden en stelen, niet schuldig aan de overtreding van het gebod, zoo hij niet metterdaad overtreden heeft
De voorzienigheid van een sterfelijken Wetgever strekt zich niet verder uit dan tot de uitwendige eerbaarheid.
Doch God, voor wien geen ding onzienlijk is, heeft onder het verbod ook verboden de booze lust, gramschap, haat begeerte tot eens anders goed, bedrog e.d.g. Hij is een geestelijk Wetgever, die spreekt tot lichaam en ziel.
De doodslag, die de ziel begaat, is toorn en haat, haar stelen : booze begeerlijkheid en gierigheid, haar hoererij : weelde en wellust.
De aardsche wetgever heeft aan de Wet genoeggedaan als hij de uitwendige overtreding straft.
De hemelsche Wet is voor onze ziel gegeven. Deze moet worden ingetoomd en bedwongen.
De mensch kan zich wel aanstellen, alsof hij de Wet in het uitwendige onderhoudt, terwijl hij in zijn hart van alle gehoorzaamheid verre vervreemd is, maar God ziet het hart aan. Het voornaamste stuk ontbreekt hem, die zich slechts van booze werken naar buiten onthoudt.
De Wet is geestelijk. (Rom. 7 vers 14). Zij vordert een zuiverheid als der engelen, welke vrij van de onreinheden des vleesches niet anders smaakt dan geest.
Deze uitlegging staat zonder eenigen twijfel vast, want Calvijn volgt daarin den hoogsten Uitlegger der Wet, den Heere Jezus Christus.
Daartoe verwijst hij naar Zijn bestraffing der Farizeërs, die in dezelfde dwaling verkeerden en aan de uitwendige werken bleven hangen. (Matth. 5 vers 22, 28, 44). Wie een vrouw op onkuische wijze aanziet, is een overspeler in z'n hart, wie zijn broeder haat, een doodslager, wie toornt, staat schuldig, schuldig voor den raad is, wie tot zijn broeder zegt: Raka, en schuldig aan het helsche vuur wie door scheldwoorden uitbreekt in zijn toorn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's