MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
En soms, als men anders deed dan hij wilde, dreige hij in woede uit te breken of maakten een grenzelooze angst en benauwdheid zich van hem meester, waardoor hij meende, dat zijn leven of dat van anderen door onzichtbare vijanden bedreigd werd, zonder dat één van al de aanwezigen ook maar een vinger verroerde om dezen weg te jagen. En hoe hooger de koorts klom, hoe grooter de wildheid werd, waarin de meest fantastische beelden en gebeurtenissen elkander .schenen af te wisselen, doch die ook zijn laatste krachten dreigden te sloopen. 't Waren dagen en nachten van geweldige spanning.
Zooveel zij kon, zat Pleuntje bij het bed van den jongen man, die op aarde de eenigste was, aan wien zij zich met nooit gekende banden verbonden gevoelde. Vrouw Kalma had Baije met een briefje naar „Lucht en Veld" gezonden, waarin zij kort van Murk's ongesteldheid repte en op haar overkomst aandrong. Onverwacht kwam die boodschap niet op de boerderij.
„'k Heb het wel gedacht" — had Pleuntje geklaagd — „hij zag Dinsdagavond zoo bleek". En de boerin had gezegd : „Ja, en dan in dat gure weer bij donker hier nog heen". En, alsof er in haar iets was, dat beschuldigde, er aan toegevoegd : „Maak maar gauw, dat je d'r komt, om te zien hoe het lijkt, en als het noodig is, dat je daar blijft, stuur Klaske van Douwe dan maar ; we zullen het hier dan met haar wel redden".
En dat is te pas gekomen, omdat vrouw Kalma het alleen niet af kon. Toen is daar vóór het bed ook wat geleden, veel meer, dan aan de oppervlakte gezien werd, omdat Pleuntje zich lang wist te beheerschen. Maar die haar van nabij kende, zag 't wel. Daar had in haar een stille, diepe worsteling plaats, zooals in het leven des geloofs van al de kinderen Gods van die tijden kunnen komen, waarin het er óp of er ónder gaat en zij tot in 't diepst van hun ziel geslingerd en geschokt worden, waarbij het wezen kan alsof zij zullen omkomen.
Zoo ging het Pleuntje ook, en dan bad zij weer, en dan schreide zij weer, en dan kon het óók zijn, dat zij in stomme smart neerzat, en wanhopig bedroefd toekeek, vooral wanneer Murk zoo leed, of, wat het ergste was, haar heelemaal niet herkende en als was zij hem vreemd, haar vroeg, wat zij daar toch bij hem deed, en dat zij wèg moest gaan, omdat zij hier niet hoorde.
En dan greep zij weer nieuwen moed, als een korte rustpoos nieuwe hoop gaf, maar wanneer dan kort daarop weer inzinking volgde of een nieuwe vlaag van toorn of angst of vertwijfeling haar zeide, dat de koorts andermaal in opkomst was en de dokter zoo bedenkelijk het hoofd schudde, dan scheen ook het laatste vleugje hoop te verdwijnen en dreigde het ook haar boven de krachten te gaan.
Opmerkelijk was het, hoe heel de buurtschap deelde in het leed, 't welk hier doorworsteld werd.
Van gemeentewege was de straat tot op groote lengte met zand bestrooid, opdat de kranke geen last zou hebben van het wielgeratel ; en geregeld kwam de veldwachter, om er zich van te overtuigen of men wel „stapvoets" reed en de auto's en motoren zooveel mogelijk het toeteren nalieten.
De buurvrouwen hielden de kinderen of binnen de deur of zonden hen op verren afstand om te spelen, teneinde maar geen hinder te veroorzaken. En onophoudelijk kwam men van alle kanten vragen hoe het met Murk was. Boer Siderius had al vaak aan het bed gezeten en zelfs een nacht gewaakt. Het ging hem aan 't hart, dat zoo'n „beste jongen" zoo lijden moest, en éénmaal heeft vrouw Kalma gezien — maar hij wilde het niet weten —, dat de boer iets vochtigs uit zijn oog wegwreef. Eigenlijk was daar niet één mensch, die met dit ziektegeval geen deernis had.
Van den morgen tot den avond klonk 't telkens : „Hóe zou 't met Murk wezen ? " of: „Heb je ook van Murk gehoord ? ", en soms scheen daar een wedijver te zullen komen, wie 't meeste goeds van hem wist te zeggen, of zijn lijden zou kunnen verlichten. Ook ds. Lauwers liet zich niet onbetuigd, 't Had in den beginne in de pastorie vrij wat stoornis verwekt, toen de tuinman van die bijeenkomst ten huize van den ouderling had verteld, waarvan Murk de ontwerper zou zijn. Natuurlijk was die gebeurtenis aanstonds in verband gebracht met dat bezoek aan de pastorie, waarvan men uiteen was gegaan zonder tot overeenstemming te zijn gekomen. En reeds had ds. Lauwers voor zijn geestesooog zien voorbijgaan al die tooneelen van verdeeldheid en scheuring, zooals deze tal van gemeenten uiteen rukten en aati wier bestaan men daar tenslotte ook al weer gewoon was geraakt, alsof het zoo behoorde.
Voor zijn gevoel scheen dit evenwel het ergste, wat gebeuren kon. Tweespalt tusschen menschen, die bij elkaar behoorden, en dat terwille van den godsdienst, welke als hoogste wet voorschreef : God lief te hebben boven alles en den naaste als zich zelven. Mevrouw was boos geworden. Dat had men nu van zulke boerenmenschen, en dan het allermeest van dezulken, die meenden een weinig meer te zijn dan anderen en hun wijsheid op deze wijze wilden luchten. De dominé moest zulke menschen veel meer terecht zetten, anders geraakte hij er onder. Straks zou men hem nog willen voorschrijven, wat hij wèl of niet moest doen ; waar hij wèl of niet mocht heengaan ; hoe hij zich kleeden moest, wie hij ontvangen mocht, met wie men converseeren moest, enz. Als 't zóó ging, kreeg zij een afkeer van de pastorie. Of haar man misschien nog lust had in de rechten te gaan studeeren, zooals enkele collega's, die zich in hun ambt teleurgesteld gevoelden, dit meer gingen doen.
Op den predikant zélf hadden deze dingen evenwel een gansch andere uitwerking. Meer dan ooit te voren werd hij bij den ernst van zijn ambt bepaald. Op eenzame wandelingen — en hij mocht gaarne door de velden dwalen — waren zijn gedachten al maar bij den arbeid, dien hij als herder en leeraar in de gemeente had te verrichten. Hij was predikant. Hij was geen student meer, die in vroolijke, vaak onbezonnen, in elk geval zorgelooze vlijt zijn levenstijd had door te brengen, afgewisseld met het beoefenen van allerlei liefhebberijen, om dan óók nog zoo nu en dan iets te doen tot stichting der gemeente, zooals het genoemd werd. Maar hij was geroepen, om vóór alle dingen prediker te zijn, die zijn gemeenteleden in alle levensomstandigheden iets te geven had en bovenal in den godsdienst had te onderwijzen.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's