De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

DE VRIJZINNIGEN EN DE RECHTEN VAN ANDERE RICHTINGEN.
Daarvan heeft de Vrijz. Hervormde de mond altijd vol : wij, Vrijzinnigen, zijn de menschen, die de rechtvaardigheid willen betrachten en die willen zorgen óók voor de rechten van anderen. Zij zeggen dan : wat wij niet willen dat óns geschiedt, dat doen wij ook niet aan anderen !
Nu is de maatstaf voor de Vrijzinnigen dikwijls: het stemmenaantal bij de stembus. Als er in een Vrijzinnige gemeente weinige menschen in de kerk komen — in de ééne en eenige godsdienstoefening per Zondag die gehouden wordt, waarbij dan ook nog wel eens een Zondag vacantie is , maar er komen nog al heel wat Vrijzinnige menschen, mannen en vrouwen, ter stembus, dan is dat voor de Vrijz. Hervormden hun macht en hun kracht. Zóó sterk zijn ze waarbij het schaamtegevoel dikwijls achterwege blijft. Is dat nu kerkelijk leven ?
En met die stem-verhouding rechts—links wil men dan praten over de rechten van andere richtingen. Althans dat zegt men. En de practijk ?
In Rijswijk (Z.-H.) zouden van de twee predikanten één rechtzinnig en één vrijzinnig moeten zijn, met verhoudingen in Kiescollege en Kerkeraad naar verhouding. Maar de Vrijzinnigen palmen de twee predikantsplaatsen in en voor de rechtzinnigen is geen plaats als officieel predikant !
In Drachten twee vrijzinnige predikanten, en voor de orthodoxen geen plaats. In Bolsward — geen plaats. In Sliedrecht vroeger — geen plaats. In Den Helder — geen plaats. Maar zoo zegt men : Gij weet toch wel beter ? Gij weet toch wel, dat er gemeenten zijn, waar wij, Vrijzinnigen, de baas zijn en waar we aan de rechtzinnigen toch recht doen ? Denk eens aan Leeuwarden bv.
Nu treft het, dat we juist aan Leeuwarden dachten. Omdat er deze week juist verkiezing geweest is voor het Kiescollege, met een uitslag van 2360 stemmen voor de gezamenlijke Vrijzinnigen (Modernen en Evangelischen bij elkaar, met hun gemeenschappelijke lijst) en 1290 voor de rechtzinnigen. Dat is dus de stembus-verhouding, met de hulptroepen van hen, die nooit in de kerk komen, alleen wèl aan de stembus, omdat het tegen „de fijnen" gaat !
De verhouding van kerkbezoekers, Avondmaalgangers, gedoopte kinderen, kerkelijke huwelijksinzegeningen, enz. zou een betere verhouding zijn om naar te oordeelen en te handelen, dan de verhouding bij de stembus. Maar goed — we nemen nu eens even de stembus-verhouding. Hoe staat het dan in Leeuwarden met de mooie beloften van de Vrijzinnigen, die ook daar in een strooibiljet weer beloofden, dat bij hen alleen de rechten van andere richtingen veilig zijn ?
Ds. Gerbrandy, van Leeuwarden, schrijft :
„Ook wanneer men het doode cijfermateriaal der November-verkiezingen als maatstaf neemt, mag men nóg niet spreken van „recht laten wedervaren". Volgens deze cijfers zou de orthodoxe richting recht hebben op 21 a 22 plaatsen in het Kiescollege. In werkelijkheid heeft ze er 7".
Ds. Gerbrandy zegt verder kloek en vrij : „Niet, dat we daarom vragen, want we hebben liever geen enkele plaats, dan een aantal plaatsen, waarvoor we als tegenprestatie de rechten van anderen moeten waarborgen. We schrijven dit alleen, om aan te toonen, dat men van vrijzinnige zijde niet al te hoog van den toren behoeft te blazen wat het recht doen aan de richtingen betreft".
En ds. G. vervolgt dan nog :
„Een klein staaltje van recht doen, heeft men in de krant kunnen lezen : In Eindhoven heeft de vrijzinnige kerkeraad toegestaan dat een tweede rechtzinnige predikant wordt beroepen, mits deze geen strijder voor de rechtzinnigen is. Ook wordt in dergelijke gevallen vaak de eisch gesteld, dat men de rechten der vrijzinnigen in de kerk erkent. Zoo neemt men met de andere hand terug, wat men met de eene geeft. Een belijdend orthodox predikant kan niet anders dan strijden voor het recht der belijdenis en een rechtzinnig predikant, die de rechten der
vrijzinnigen erkent, is niet goed rechtzinnig, is althans in, zijn kerkbegrip vrijzinnig.
Laat men toch niet zulke mooie woorden als „recht laten wedervaren" gebruiken. Laat men liever spreken van het uitoefenen van macht. Dat nemen we de vrijzinnigen absoluut niet kwalijk. Wij beklagen hen alleen maar om het feit, dat die macht moet worden gehandhaafd met behulp van die menschen, waaraan ds. Vorenkamp zich zoo dikwijls geërgerd heeft.
Rijkskanselier Hitler heeft het in zijn redevoeringen zoo dikwijls over de November-partijen, d.w.z. de partijen, die in November 1918 aan het bewind zijn gekomen. Zoo kunnen wij ook zeggen, bij wijze van spreken, dat onze Leeuwarder gemeente reeds jaren zucht onder de heerschappij der November-partijen.
Quo usque tandem.... tot hoe lang nog ? " Hier wordt de situatie aardig geteekend : „de November-partijen"
Waarbij ds. Vorenkamp (dit ter toeliching) bij zijn afscheid te Leeuwarden gezegd heeft : ,,dat hij zich zoo dikwijls geërgerd heeft, dat vele vrijzinnigen nooit in de kerk komen".
En die deelen dan feitelijk de lakens uit ! Wij gelooven dat er veel waars in ligt, in t geen iemand ons dezer dagen vertelde (ook in verband met een stembus-strijd) : „We worden hier geregeerd door de Loge en door de Sociëteit".
Vrijmetselaars en Sociëteitsstamgasten en dan zijn er, die de modernen willen sparen en helpen, om eigen belangen te kunnen bevorderen en eigen positie te kunnen handhaven.
Wij zijn het eens met ds. Gerbrandy, van Leeuwarden, als hij schrijft :
„Men heeft er blijkbaar geen begrip van, dat de Kerk is het lichaam van Christus, een heilige vergadering van Christgeloovigen. Men heeft er geen begrip van, dat de Kerk is ingesteld voor de bediening van Woord, en Sacrament en dat men zich practisch onttrekt aan dé gemeenschap der Kerk door niet op te gaan onder het Woord en geen gebruik te maken van de Sacramenten. Wanneer men voor zichzelf geen belang stelt in de dienst des Woords en der Sacramenten, waaraan ontleent men dan het recht om toch invloed te willen uitoefenen op de benoeming van de ambtsdragers, aan wie deze dienst is opgedragen ? " „Wij stellen voorop, dat wij uit principieele overwegingen niets voelen voor z.g. rechten van richtingen of minderheden. Christus heeft alléén recht in Zijn Kerk.
Daarom eischen wij de alléénheerschappij van Zijn Woord in de Kerk. Daarom mag een kerkelijk ambt ook alleen bekleed worden door mannen, die Christus belijden, zooals Hij Zich openbaart in het Woord als Gods eeniggeboren Zoon, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Christus, zooals onze Hervormde Kerk Hem belijdt in hare belijdenis". „Wij vragen alleen, dat onze Hervormde Kerk zich zelf mag zijn, zich mag ontplooien naar haar eigen aard, dat ze mag leven naar haar belijdenis. We zoeken dat voor heel de Kerk, maar natuurlijk ook voor onze plaatselijke gemeente Leeuwarden".
Het gaat — zooals wij onlangs schreven — m Jezus Christus, Die God is èn Heiland, 4 waarover toen ds. Hille Ris Lambers en ds. Bakker, van Drachten, schreven als „onaannemelijk voor een vrijzinnige".

WAT IS HET EINDE DER GODSDIENSTOEFENING
In de Handelingen der Synode van 1938 (Bijlage B, blz. 241) wordt melding gemaakt van een eigenaardige kwestie en een vreemde beslissing. Ergens (het doet er niet toe, waar dat is, liggen Kerkeraad en Kerkvoogdij, Bestuur en Beheer, overhoop, wat méér gebeurt, helaas ! Wat altijd zoo heel erg te betreuren is. Dan heeft de duivel weer een schoone gelegenheid om het onkruid onder de tarwe uit te strooien
Nu heeft ergens de Kerkeraad, die over de collecten in de godsdienstoefening de beslissing heeft, het besluit genomen : we collecteeren niet meer voor de Kerkvoogdij. Uit. Wèl voor de armen. Zending, enz., maar niet voor de Kerk. Uit.
Neen — hebben de Kerkvoogden en Notabelen gezegd : dat is niet uit.
En als nu de dominé gedankt heeft en het laatste zingen komt, dan staan Kerkvoogden en Notabelen op, gaan naar de deuren van 't kerkgebouw en houden, als de zegen is uitgesproken en het Amen is gehoord — „een collecte voor de Kerk aan de deur".
Ellendig zijn zulke dingen ! Vreeselijk ! Waarbij wij volstrekt hier niet beslissen, bij wie de schuld nu ligt. Want daar weten we niets van af.
Nu is dit natuurlijk een kerkrechtelijke kwestie geworden ; en nu schijnt de Synodale Commissie een uitspraak te hebben gedaan : dat de godsdienstoefening na het „Amen" afgeloopen is ; dat het zeggenschap van den Kerkeraad dan óók afgeloopen is, en dat de Kerkvoogden (na het uitspreken van het „Amen") weer zeggenschap hebben over het kerkgebouw en dat dus de Kerkvoogden dan die collecte aan de deur houden kunnen en mogen !
Als dat alles zoo is, zooals we het hier nu vertellen (want we hebben zelf de Handelingen der Synode nog niet gelezen, maar zullen 't natuurlijk bij gelegenheid zeer zeker doen) dan moeten we zeggen, dat we stom van verbazing zijn. Dat is nu zoo'n kromme, gezochte, onwaarachtige redeneering, als we maar zelden gehoord hebben.
Dus aanstonds, na het woord „Amen", als de gemeente nog in het kerkgebouw is, is er van de godsdienstoefening onder leiding van den Kerkeraad niets meer over ? Dan mag er door de Kerkvoogden aanstonds baas gespeeld worden over en met de menschen, die voor de godsdienstoefening ter kerke zijn gekomen en toch zeker niet zijn gekomen, om een „vergadering van Kerkvoogden en Notabelen" bij te wonen ? Dat is zoo onreëel, zoo onwerkelijk, zoo onwaarachtig, met ijdel spel van woorden, dat we verbaasd staan, als we zulke dingen hooren en lezen. Als er kwesties zijn, laat men dan de kwestie onder de oogen zien en behandelen en afhandelen — er moet een beslissing vallen ; wie hier de schuldige is, doet er niet toe. Maar laat men niet op deze wijze meewerken, dat het in de Kerk een janboel wordt, met allerlei ongeregeldheden en kabaal ! Daarvoor moest men nu — en vooral van de zijde der Besturen — de Kerk te hoog achten.
Stel u nu eens voor, dat de Kerkeraad besluit : „aan de uitgang zal een extra schaalcollecte gehouden worden voor de Armen, voor de Zending, voor Valkenheide, voor Neerbosch, voor Zonnegloren, voor Evangelisatiewerk, voor het Bijbelgenootschap, voor .....
Wat dan ? Dat mag de Kerkeraad toch doen. Moeten dan aan den uitgang (na het uitspreken van het woord „Amen"), Kerkvoogden en Notabelen eenerzijds en Ouderlingen en Diakenen anderzijds een vechtpartij gaan houden, zooals N.S.B.-ers en Communisten bij 't eindigen van een vergadering elkaar eventjes een paar blauwe oogen slaan, of elkaar de neus plat stompen ?
Ons dunkt (zonder dat we hier een oordeel uitspreken over de bepaalde kwestie, hier boven genoemd) dat de Kerkeraad alles, maar dan ook alles te zeggen heeft gedurende de godsdienstoefening, en dat men niet met allerlei trucjes de godsdienstoefening mag gaan gebruiken tegen den zin van den Kerkeraad in.
Wanneer zullen die ongelukkige verhoudingen tusschen Bestuur en Beheer — zooals die helaas ! hier en daar bestaan — eens verdwijnen ?
En intusschen : laten Kerkeraad en Kerkvoogdij (we kiezen hier geen partij) toch zoo eerlijk en zoo royaal mogelijk tegenover elkaar staan, in het kleinste dorp en in de grootste stad !

CHRISTEN-ZIJN
Wie is er christen ? Als we deze vraag in Nederland stellen, dan moet het antwoord zijn : zoowat alle Nederlanders. Natuurlijk niet de Joden ; die hebben hun eigen religie ; maar anders zijn verder alle Nederlanders christen. Want Mohammedanen zijn hier niet. Heidenen wonen hier ook niet. En dus zijn alle Nederlanders christen, Roomschen, Hervormden, Lutherschen, Doopsgezinden ; de menschen van de Gereformeerde Kerken, de Chr. Geref. Kerk 't Zijn allemaal „christenen" ; want het zijn geen Joden, geen heidenen, geen Mohammedanen
Pijnlijk getroffen door de uitkomsten van de laatste volkstelling, moeten we echter constateeren : geen, niet zoowat alle Nederlanders zijn „christenen" ; want duizenden en tienduizenden zeggen zelf, dat zij er niet toe gerekend willen worden ; zij zijn zonder Kerk en zonder godsdienst; en dus, neen, zij zijn geen christenen. Zij willen zelf „niets" zijn.
Toch moeten we nog verder gaan. Want ieder van ons weet zèèr wel, dat er velen publiek „christen" heeten, die niets met Christus van doen willen hebben ; die niet „van Christus zijn". Die niet in geestelijke gemeenschap staan met Christus. Die niet leden van Zijn lichaam zijn ; niet levende kinderen Gods ; niet gezalfden met den Heiligen Geest.
Als onze Catechismus, in Zondag 12, het heeft over christen-zijn, dan heeft ons leerboekje het oog op de ware geloovigen, de echte discipelen, de geestelijke volgelingen, de levende onderdanen van Christus, die hun doop beleven, in „nieuwe gehoorzaamheid", uit den dood overgegaan zijnde in het leven.
Die naam christen is een prachtige naam. Hij wil zeggen : toebehoorend aan Christus, deelhebbend aan Christus, met Christus één plant geworden zijnde.
Dan is er die „mystieke unie", de verborgen, innige, geestelijke gemeenschap met Christus, zooals de ranken één zijn met den wijnstok, zooals de leden één; zijn met het lichaam en met het hoofd.
Zóó christen te mogen zijn moet ons aller heilig begeeren zijn. Ons gebed, onze smeeking moet er naar uitgaan. Dat óók van ons gezegd mag worden: „Doch gij zijt van Christus en Christus is Gods".
Als er in onzen Bijbel sprake is van „de eerste christenen in Antiochië", alwaar voor 't eerst die naam christen gebruikt werd - misschien wel als een schimp-en scheldnaam; zeer zeker als een secte-naam, worden er zulke menschen mee bedoeld, voor wie Christus alles is en Christus alléén ; alle troost en rijkdom, wijsheid en kracht, alle zaligheid en vreugd vindend in Christus. Welke menschen Saulus tot in het diepst van zijn ziel haatte, omdat Christus hem een ergernis was ! Die gehate Nazarener ! Die gevloekte kruiseling !
Als onze Catechismus het heeft over dien naam christen, heeft ons leerboekje het over zondaren, maar die in Christus hun Verlosser en Zaligmaker hebben gevonden. Zondaren, ja, maar nu verlosten, levend gemaakt door den Heiligen Geest. Met Christus dezelfde zalving deelachtig zijnde en nu, door Gods genade, in beginsel weer terug gebracht tof het eerste leven van den naar Gods beeld geschapen mensch, zooals dat leven zich in het Paradijs openbaarde en ontplooide : om God, zijn Schepper, recht te kennen. Hem van harte lief te hebben en met Hem te heerschen over al het geschapene. Dat is des menschen oorspronkelijke natuur ! Dan komt er weer iets terug van het profetisch, het priesterlijk en het koninklijk ambt, waartoe en waarmee de mensch geschapen is, geroepen zijnde om den Naam des Heeren te belijden, Zijn deugden te verkondigen. Zijn, Woorden bekend te maken, zich zelven als een levend dankoffer den Heere opofferend, verwachtende de eeuwige heerlijkheid in de groote toekomst.
Met den Heiligen Geest gezalfd ; met denzelfden Geest, waarmee Christus, de Middelaar en het Hoofd van Zijn Gemeente, gezalfd is. Wie Christus aanhangt, is één plant met Hem geworden, is één Geest met Hem. „En die ons gezalfd heeft" ^ zegt de apostel — „is God".
In gemeenschap met Christus hebben de geloovigen hun heilig ambt als profeet, priester en koning te bedienen en te volbrengen, alle de dagen, die zij hier op aarde zijn, niet vertragende, maar volhardende tot het einde. En wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden.
Zulke profeten, priesters en koningen heeft de wereld, die in het booze ligt, noodig, tot zegening en behoud. Menschen, die door de genade Gods, de liefde van Christus en de gemeenschap des Heiligen Geestes (gaan we zóó niet op den dag des Heeren, Gods huis verlatende, het gewone leven in, dragende den zegen des Heeren ? ) als profeten, priesters en koningen zich benaarstigen hun goddelijke taak, zending en roeping te mogen vervullen. „Zijt dan niet traag in het benaarstigen ; zijt vurig van geest, dient den Heere met blijdschap".
De wereld wacht op zulke „ware christenen", die zondaren zijn en zondaren blijven, maar die als verlosten in heilige éénheid-vanzalving met Christus, ons Hoofd, mogen wandelen, met brandende lampen, doende den wil Gods.
En ons getuigenis zal dan zijn in woord en werk : niets uit ons, maar alles uit Hem, Die al de Zijnen belooft : „Ik ben met ulieden, alle de dagen des levens".
„Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht" — zong de Psalmdichter en al de ware christenen zingen het hem na. Heeft God niet de wijsheid der wereld dwaas gemaakt ? Heeft Hij de wijzen niet gevangen en beschaamd, met al hun wetenschap ?
Maar die op den Heere vertrouwen, zullen niet beschaamd worden. De moeden zullen niet mat worden. De eenvoudigen zal God steeds gadeslaan. En hun krachten zullen vernieuwen. Hij heeft hen Gode gemaakt tot profeten, tot priesters en tot koningen. En wat Hij begon, zal Hij volenden. Hij, de levensbron. Die trouwe houdt tot in eeuwigheid.
De wereld wacht, de ontredderde wereld wacht op de ware christenen, op de profeten, priesters en koningen, die één plant geworden zijn met Christus den Heere, Zijn Geest deelachtig zijnde, sprekende naar des Heeren Woord.
„Gij zijt het zout der wereld" — zegt Christus. Laat men Christus, den Gekruiste, niet loochenen ; laat men Hem niet verwerpen als God en Heiland ; laat men Gods eeuwig blijvend Woord niet verachten ; laat men zich niet opmaken met menschelijke kracht en wereldsche wijsheid — want men zal zelf niet behouden worden en anderen niet tot zegen kunnen zijn.
Men roept om profeten, maar het zijn valsche profeten. Men roept om priesters, maar het zijn dezulken, die geen deel hebben aan de offerande van Christus, éénmaal aan het kruis geschied ; vervreemd van het heil des Heeren. Men roept om Koningen, maar ze zijn zonder den Geest Gods en zonder het zwaard des Geestes, Gods Woord.
Het zijn leugenaars, het zijn verdervers, het zijn tyrannen. Hun mond is een geopend graf, slangenvenijn is op hunne tong, geweld is in hun handen ; hun voeten zijn snel om bloed te vergieten, 't Zijn geen leiders, maar verleiders. Het zijn geen boodschappers van goede tijding, maar verwarring en verderf is bij hen.
Beproef de geesten, of ze uit God zijn — want er zijn vele valsche geesten.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's