De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

5 minuten leestijd

Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Vooral dat laatste was hoofdzaak ; en hoe had hij het tot bijzaak gemaakt. Wijl het hem persoonlijk niet aantrok en hij te midden van de veelvuldige godsdienstige meeningen en overtuigingen, waaruit men ternauwernood wijs kon worden, liefst een stil en gerust leven had, ieder zijn meening latend, omdat toch niemand precies kon weten hoe het was of er zich op kon beroemen, dat hij in 't bizonder de waarheid bezat.
Zóó was hij tot hiertoe zijn weg gegaan en zóó had zoowel de vorige alsook deze gemeente het tot dusver goed gevonden. Thans scheen hierin verandering te zullen komen. Er ontstond een beroering der geesten — hoe en waardoor, dat wist hij niet —, maar die aan het gemeentelijk leven niet zou voorbijgaan en waarmede hij te rekenen had.
’t Leek zelfs, alsof zij hem persoonlijk óók niet met rust liet. Hij moest denken, al maar denken, over zich zélf, over zijn werk en zijn roeping en zijn verantwoordelijkheid, en zooveel meer, waarvoor hij als geestelijk leidsman aansprakelijk was.
Waarom was hij toch predikant geworden, en niet, zooals zijn vrouw meermalen gezegd had, en dit nóg wel wilde, advocaat, of dokter, of leeraar in de letteren bijvoorbeeld, of in de oude talen ? Dan had hij een geheel anderen werkkring gehad, met veel minder drukte en met lang niet dat meeningsverschil, als hij nu telkens weer ontmoette. Want dat veld van den godsdienst was zoo breed en het ging er over zooveel dingen, waarvan toch eigenlijk niemand zeggen kon, hoe het precies was. Al de Christenen haalden hun godsdienstige overtuigingen uit den Bijbel, al de kerken namen haar belijdenissen uit ditzelfde boek ; maar hoeveel verschil bestond er tusschen deze allen niet ? Wie van hen had gelijk — aangenomen, dat de Bijbel werkelijk „het" boek was, waarin-men de zuivere Godsopenbaring had en dat de toetssteen van leer en leven weien moest ?
Doch ook dit laatste kon hij nog lang niet toestemmen en — hij wist dit heel goed van de collega's, die mèt hem college geloopen hadden — vele anderen ook niet, al gingen zij misschien van de kansels dan spreken, alsof alles voor hen volkomen zekerheid had. 't Eenvoudige volk en zelfs de intellectueelen, maar die nooit studie van den oorsprong en het ontstaan des Bijbels gemaakt hadden, konden zich niet begrijpen, hoeveel er in te brengen viel tegen de echtheid en de betrouwbaarheid der Schriften, door velen als een papieren paus vereerd en als een heilig boek vergood.
Zeker, er stond veel schoons in den Bijbel. Bizondere mededeelingen over tal van hooge dingen, waar men anders niets van wist ; zooals bijvoorbeeld het ontstaan van alles en den aanvang van het kwade — ondersteld, dat Genesis 3 geen verdichting was, en over heel veel andere merkwaardige aangelegenheden, waar de natuur of het verstand en de wetenschap den mensch in den steek liet. Er kwamen in den Bijbel tal van hooge levenslessen voor, die alleszins behartigenswaardig waren, en vooral 't mooie, reine leven van Jezus trok hem aan en vormde in deze koude, zelfzuchtige wereld, een prachtbeeld van zelfverloochening en zelfovergave, zonder eenige kansberekening, zooals men het nergens aantrof en dat navolgenswaard was. Bij voorkeur wees hij hier de gemeente op. Er kwamen in den Bijbel eveneens zeldzaam schoone gedeelten voor van hooge Oostersche poëzie, zooals in het boek Job en sommige Psalmen. Zelfs vond hij, vooral in sommige gedeelten van Paulus' brieven, den geleerde, die in scherpzinnigen redeneertrant en met groote kermis van zaken en toestanden, geheel volgens de regelen der rhetorica, aan de gewetens der menschen wist te leggen, wat hij als hoogsten levenseisch voor zich persoonlijk en voor alles schade en drek had leeren achten, om daardoor Christus te gewinnen, Christus met Zijn kruis.
Maar om door persoonlijke aanvaarding van dit alles nu óók te komen tot de aanbidding en daardoor tot de prediking van datzelfde kruis, daar dacht hij niet aan. Veeleer stiet dat kruis met zijn prediking hem af. 't Druischte in tegen zijn gevoel van recht, nog afgezien van de marteling, die het onafscheidelijk met zich meebracht en was, naar hij meende, iets, dat thuis hoorde in de onbeschaafde wereld des heidendoms. De gedachte van velen, dat nu door het kruis van Golgotha verzoening met de Godheid moest komen en door de opoffering van Jezus van Nazareth hemel en aarde met elkander vereenigd zouden zijn geworden, omdat Hij door deze zelfovergave den wil des Vaders tevens zou hebben volbracht, wilde er bij hem niet in. Eenerzijds vond hij dat een heidensche, anderzijds een Joodsche gedachte, voor de verlichte en beschaafde wereld der 20ste eeuw onaannemelijk. En vandaar, dat hij rustig mèt zijn gelijkdenkende collega's zich neerlegde bij déze taak : den Bijbel gebruiken en toepassen voor zoover deze met eigen levensopvatting strookte, overeenkomstig de behoeften en de heerschende denkbeelden van den tijd.
Zóó had hij tot nu toe zijn werk opgevat en verricht, zonder daarbij met velen in botsing te komen. Die het anders wilden, hadden zich ook anders gegroepeerd en gaven hem dus geen aanleiding zich te herzien, omdat hij, althans op godsdienstig terrein, nooit met deze menschen in aanraking kwam.
Thans evenwel dreigde er verandering te komen en een onverklaarbaar iets zei hem, dat dit géén verbeelding was en óók zoo maar niet aan hem voorbij zou gaan. Daar wóélde wat, getuige de bijeenkomst bij dien ouderling. Niet alleen in manke Murk, zooals de tuinman gezegd had, maar ook bij Bouma en baas Krein en bij bakker Deelstra en bij meerderen, al waren de beweegredenen bij allen niet even zuiver. Dat bracht hem tot nadenken. Dit maakte hem stil en zulks plaatste hem, meer dan hij zelf wist en begreep, voor deze ernstige vraag : of hij zich ook had te herzien ? Zou het kunnen zijn, dat liij de dingen te licht opnam en te weinig doorgroef de diepten van het geschreven Woord ?
(Wordt vervolgd, )

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's