De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

9 minuten leestijd

De uitlegging der Wet.
De uitlegging der Wet gaat verder dan de woorden.
De vraag rijst dan, hoever die vrijheid reikt. Hoe ver mag men zich van de woorden verwijderen, zonder de Wet Gods door menschelijke inzettingen te bederven ? Hoe ver kan men gaan met vasthouding aan den zuiveren zin der Wet ?
Zou iemand daarentegen voorstellen om zich nauwkeurig binnen de enge perken der woorden te houden, dan maakt hij zich belachelijk, meent Calvijn, omdat in vele geboden zoo duidelijk het deel wordt gesteld voor het geheel.
Daarom acht hij het de aangewezen weg om de uitlegging te regelen naar de oorzaak van het gebod. Men moet dus bij ieder gebod de oorzaak overwegen en de strekking van het gebod opmerken.
Zoo is het eerste gebod kennelijk ingesteld, opdat God alleen geëerd en gediend worde. Het vijfde gebod zegt, dat men eeren moet, wien God eere toekent.
Daaruit volgt dus, dat het Gode welgevallig is, dat de mensch die eere ook brengt aan degenen, die God zulk een eere schenken wil, gelijk uit het eerste gebod gezien wordt, dat de ware godsvrucht den Heere behaagt en dat Hij de goddeloosheid vervloekt.
Calvijn legt den nadruk op hetgeen den Heere behaagt en wat Hem mishaagt. Dat moet dus naarstig worden onderzocht. Voortredeneerende uit hetgeen Gode behaagt, kan men weten, dat het tegendeel Hem mishaagt.
Het behoeft geen nader bewijs, dat, wanneer het goede wordt geboden, tegelijk het kwade, dat daarmede in strijd is, wordt verboden.
Zoo zal ook een iegelijk toegeven, dat, indien het kwade wordt verboden, ook het tegendeel, het goede, als plicht wordt geboden.
Calvijn is daarmede echter nog niet tevreden, want mogelijk wordt dit nog niet ten volle verstaan, zooals het verstaan moet worden.
Hij spreekt van de deugd, die tegen de ondeugd strijdt, en zegt dan : dat tegen de ondeugd strijden nog niet genoeg is, indien men slechts de ondeugd nalaat. Daartoe behoort óok, dat men de werken, die tegen dit kwaad strijden, moet betrachten. Calvijn wil derhalve de deugd niet als iets negatiefs zien, maar als een positieve kracht.
Hij noemt als voorbeeld het gebod : Gij zult niet dooden. De deugd, welke hier wordt bevolen, is niet gelegen in onthouding van een ander kwaad te doen. Dat óok. Maar zij eischt ook, dat wij een ander zooveel mogelijk helpen om zijn welzijn te bevorderen.
Waarom maakt God Zijn Wet bekend door slechts een deel aan te duiden ?
Calvijn antwoordt op deze wijze : God heeft die zonden aangeduid, die in haar aard de gruwelijkste zijn, omdat wij altijd geneigd zijn de zonde te bedekken en te verontschuldigen. Wij bedriegen ons dikwijls in de waardeering der zonde en trachten die te verkleinen.
Deze misleiding neemt God weg, daar Hij allerlei zonden onder de hoofdzonden betrekt opdat zij in dat beeld v/orden gezien en door ons als zoodanig zullen gewaardeerd worden.
In dit licht verschijnen ons dan de zondige begeerten en neigingen, die in de ziel bedekt blijven zonder uit te breken naar buiten en dien gruwelijken vorm niet aannemen, terwijl God ze voor even gruwelijk houdt.
Zoo worden gewoonlijk toorn en haat door ons niet zoo verfoeielijke ondeugden geacht als zij zijn. Wanneer zij echter doodslag genoemd worden en met dezen gruwel gelijkgesteld, kunnen wij beter verstaan, dat deze ondeugden bij God vervloekt zijn.
In twee tafelen gedeeld.
De gansche Wet stelt ons voor het beeld der ware gerechtigheid. Doch God heeft Zijn Wet in twee deelen verdeeld. Het eerste deel van de plichten der religie, wat behoort tot den dienst van Zijn Majesteit. Het tweede van de werken der liefde, die den naaste betreffen.
Het eerste fundament der gerechtigheid is de dienst van God. Indien deze verdorven is, is het gansche gebouw der gerechtigheid ontwricht en gescheurd.
Wat is dat voor een gerechtigheid, vraagt Calvijn, als gij uw naaste niet berooft en hem geen kwaad doet, maar intusschen God van Zijn eer berooft. Dit is heiligschennis.
Wat voor gerechtigheid, indien gij uw lichaam niet besmet met hoererij, maar Gods heiligen Naam ontheiligt ?
Dat gij geen mensch vermoordt, maar de gedachtenis Gods uitbluscht ?
Vergeefs roemt men van gerechtigheid, als men geen religie heeft.
De religie is de ziel der gerechtigheid. t Zonder vreeze Gods ook geen gerechtigheid en liefde onder de menschen.
Alle gerechtigheid zonder den dienst Gods is ijdel, doch eerst, wanneer men God als Rechter van goed en kwaad leert eeren en vreezen, zal men ook onder de menschen zonder kwaad doen leeren leven.
Zoo onderwijst ons de eerste tafel omtrent de Godsvrucht en de plichten der religie, terwijl de tweede tafel ons onderricht omtrent het onderling verkeer met de menschen uit vrees voor Zijn Naam.
Daarom heeft de Heere de gansche Wet in twee hoofdstukken saamgevoegd : Gij zult den Heere, uwen God, liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw kracht en geheel uw verstand, en uw naaste als uzelven. (Matth. 22 vers 37 ; Lucas 10 vers 27).
Waarom tien geboden ?
Omdat God ons alle onschuld wil benemen, heeft Hij uitvoeriger aangewezen, dat tot Zijn eer, vrees en liefde behoort en welk een liefde wij den menschen zullen bewijzen.
Omtrent de verdeeling der geboden op zich zelf wil Calvijn niet twisten, maar vrijheid van gevoelen toestaan.
Omtrent het tiental als zoodanig is geen geschil. Wat de verdeeling aangaat echter is het oordeel verschillend.
Sommigen geven de eerste tafel drie, de tweede tafel zeven geboden. Zij schrappen het gebod van de beelden en brengen het onder het eerste gebod, d.w.z. achten het waarin vervat. Calvijn is daar tegen. Het gebod is zonder twijfel door God gegeven. Verder wordt door hen het tiende gebod en onrechte in twee deelen verdeeld.
In de oude kerk is zulk een verdeeling iet bekend, voegt hij daaraan ten overvloede nog toe.
Anderen plaatsen vier geboden in de eerste tafel, met dien verstande, dat zij in plaats van het eerste gebod de aankondiging zonder gebod stellen, n.l.: „Ik ben de eere, uw God, die u uit Egypteland, uit et diensthuis uitgeleid heb".
Dit zou dus het eerste gebod zijn. Het is de Luthersche wijze. Calvijn laat die door wat zij is, maar neemt haar niet over, tenzij hij door duidelijke argumenten tot en andere overtuiging zou komen.
Hij zegt daaromtrent verder, dat de woorden, welke op deze wijze tot het eerste gebod worden gemaakt, een inleiding op de gansche Wet vormen, en dat daarna volgen vier geboden van de eerste en zes van de tweede tafel.
De gereformeerden zijn Calvijn daarin terecht gevolgd.
Het eerste gebod.
Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Zooals gezegd, vormen de eerste woorden een voorrede voor de gansche Wet. God stelt Zich voor als de Wetgever en Gebieder.
Onder den Naam Heere wordt de wettige heerschappij en macht uitgedrukt. Alle dingen zijn van Hem en bestaan in Hem. Daarom is het billijk, dat alle dingen op Zijn eere gericht worden.
Door deze voorrede worden wij allen onder het juk Zijner goddelijke Majesteit gebracht.
Ten andere dient de Heere Zich aan als de God Zijner Kerk. Ook dit besluit Calvijn uit den heiligen Naam Gods en uit de weldaad, waarmede Hij zich aankondigt: die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. Hij wijst op de betrekking tot de Vaderen en de beloften, aan Israël geschonken: Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. (Jeremia 31 vs. 33). Immers daaruit bewijst de Christus, dat Abraham, Izak en Jacob leven, omdat de Heere betuigt, dat Hij hun tot een God is. (Matth. 22 vs. 32).
De Heere wil Zijn volk niet alleen in dit leven goed doen, maar het ook de gelukzaligheid en het eeuwige leven schenken. De Heere verkiest ons tot een eigen en heilig volk en opdat wij Zijne geboden bewaren zullen.
Vandaar de vermaning : Weest heilig, want Ik ben heilig. (Deut. 7 vers 6 ; 14 vers 2 ; 26 vers 18 ; Levit. 19 vers 2).
Calvijn wijst er dus op, dat God de Heere zich onder twee titels aandient en in tweeërlei betrekking : als een Heere van alle schepselen en als een Heere van Zijn volk. Hij vindt deze beide betrekkingen terug in het woord van Maleachi (1 vers 6) : Een zoon zal den vader eeren, en een knecht zijn heer. Ben ik dan een Vader, waar is Mijn eere ? Ben ik een Heere : waar is Mijn vreeze ?
In het bijzonder wijst Calvijn er op, dat God Zich als de Verlosser Israels bekend maakt. Dat heeft zijn beteekenis ook voor de navolgende geslachten, opdat zij Hem willig en gehoorzaam zullen dienen.
Zoo wijst hij verder nog op de betiteling, waarmede God Zich voorstelt. Wij zijn zoo zeer geneigd, als wij den Naam God hooren noemen, in allerlei ijdele verzinsels te vervallen.
Daarom omringt God Zijn heerlijkheid met eenige titels om ons paal en perk te stellen en voor afgoderij te bewaren. Als de Profeten Hem beschrijven, doen zij dat met de teekenen, waardoor God Zich aan het Israëlietische volk geopenbaard heeft.
Zoo wordt Hij de God van Abraham, of de God Israels genoemd, of te Jeruzalem tusschen de cherubs gesteld. Men versta dit echter niet verkeerd, alsof de Heere hierdoor beperkt en aan een plaats gebonden werd. Dat zou misverstand zijn, want zulke woorden dienen om de gedachten der godvruchtige zielen te vestigen op dien God, die zich door het verbond, dat Hij met Israël gemaakt heeft, alzoo laat afbeelden. Zoo is het dus niet geoorloofd daarvan af te wijken.
Dit alles heeft betrekking op de verlossing Israels en is een herinnering, dat God het houdt voor Zijn eigendom, opdat het zich gereeder aan Hem overgeve.
Of dan de uitleiding uit het diensthuis alleen voor Israël beteekenis heeft en ons niet aangaat ?
Egypte is een beeld van de geestelijke gevangenis, zoo antwoordt Calvijn, waarin wij allen gevangen zijn, totdat de hemelsche Verlosser ons door Zijn krachtigen arm verlost en in het rijk der vrijheid uitleidt. De ondragelijke heerschappij van Pharao is een beeld van de macht des duivels.
Daarom wordt een ieder tot gehoorzaamheid aan de Wet geroepen, die van den allerhoogsten Koning afkomstig is. Alle dingen nemen hun oorsprong van Hem, zoo zullen ook alle dingen zich schikken tot Zijn eer.
Een iegelijk moet worden aangedreven om den Wetgever te omhelzen, dewijl hij, gelijk dagelijks wordt geleerd, verloren is, opdat hij de geboden zou onderhouden van dien God, van Wiens goedertierenheid hij den overvloed van alle goederen en de heerlijkheid van het eeuwige leven verwacht, belijdende, dat hij door Zijn wonderbare kracht en barmhartigheid uit de tanden des doods verlost is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's