MEDITATIE
DE ZON DER GERECHTIGDHEID
„Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen". Mal. 4 vers 2a.
Wanneer Maleachi het profetisch Woord laat hooren, is het reeds meer dan een eeuw geleden, dat de profeten Haggaï en Zacharia, onder het uit de ballingschap teruggekeerde volk van Jtida zijn opgetreden. Diende 't getuigenis van deze beide Godsmannen mede, om het volk wederom aan te zetten en te bemoedigen tot de voltooiing van de wel begonnen, maar spoedig afgebroken tempelbouw, Maleachi moet spreken in een tijd, waarin het volk zich weer kan verheugen in het bezit van een heiligdom. Doch er is weinig blijdschap in dit bezit. Men moest al zooveel opbrengen aan schatting voor den vreemden overheerscher, dat men steeds meer ging bezuinigen op de gaven voor het heiligdom. De slechtste dieren waren goed genoeg om als offers te dienen. In zware tijden behoort men eerst aan zichzelf te denken. Zoó leefde men. Een gezindheid was onder het volk geboren van geestelijke onverschilligheid, waarmede natuurlijk een zedelijke inzinking gepaard moest gaan. De huwelijksmoraal was ontstellend. Eigen vrouwen zond men weg, wanneer de fleur er af was, om er jonge heidensche vrouwen voor in de plaats te nemen. Een droeve tijd.
In die dagen dan, klinkt onder zulk een volk het woord van den laatsten profeet van den Ouden Dag. Het is hard, wat te begrijpen is. Waar was immers de dankbaarheid na de redding uit de ballingschap ? De weldaden, door God bewezen, waren reeds lang vergeten. Hoe hardleersch was toch dat volk van Juda !
Spraken de profeten vóór de ballingschap nog beloften uit, met betrekking tot gansch het volk, dit kon Maleachi niet meer doen. Zeker, hij zal wel heilsbeloften vermelden, maar deze zullen alleen betrekking hebben op de kern, die trouw was gebleven. Tot het volk, als volk, heeft hij echter iets anders te zeggen.
Merkwaardig was het echter, dat ondanks deze toestand van het volk, de gedachte leefde aan de spoedige komst van den Messias. Onbewust werd gevoeld, dat deze dag naderde. Maar — zoo spreekt Maleachi — volk! vergis u niet, De Messias zal komen, echter niet, zooals gij denkt, om u in het gevlei te komen, doch Zijn komen zal voor u zijn een dag der wraak.
Dat komen ziet de profeet niet alleen met betrekking tot Zijn vleeschwording, maar hij ziet het, voleindigd in Zijn wederkomst, wanneer Hij als de Rechtvaardige Rechter de verborgenheden en geveinsdheden der menschen openbaarlijk zal ontdekken. „Want ziet, die dag komt, brandende als een oven ; dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn ; en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heere der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal".
Hierop volgt dan echter ineens : ,, Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen".
De Zon der gerechtigheid zal opgaan. Gerechtigheid beteekent hier niet, vergeldende of straffende gerechtigheid, maar heil, genadige welstand, zooals op meer plaatsen in de profetie. We kunnen dus evenzeer zeggen, de Zon des heils zal opgaan.
Bedoelt de profeet nu met die uitdrukking — „het opgaan van de Zon der gerechtigheid" — het komen van een bepaalde toestand of van een persoon, die als Zon des heils zulk een toestand in het leven zal roepen ?
Ongetwijfeld aan beide. Er komt een toestand voor hen, die den Naam des Heeren vreezen, waarin het licht voor hen zal worden, toenemend, totdat eens voor hen de zon zal staan in haar volle kracht. En dat wel door Hem, Die met recht „de Zon der gerechtigheid" mag genoemd worden, Wiens komen evenzoo zal wezen uit de schaduwen van den nacht totdat Hij staan zal in de kracht Zijner overwinning.
Wie is die Persoon anders, dan de Heere Jezus Christus ? Heerlijk wordt Hij vergeleken bij de zon, als de groote Drager van het licht, de Bron van alle warmte en leven. Wanneer de dagvorstin verschijnt, begint het vogelenheir te zingen. Het leven en vertier der menschen vangt weer aan, als haar stralen het aardrijk koesteren. Hoe kan een kranke zich dubbel neergedrukt gevoelen op zonlooze dagen! Als de zon zich echter des ochtends vertoont, wijkt dikwerf de beklemming, die een nacht met zorgen en lijden heeft meegebracht. Weer nieuwe moed en hoop worden geboren. De zon komt het aardrijk geleidelijk overwinnen. Eerst het morgenrood harer verschijning, voordat ze staat in haar kracht. Geen wonder dan ook, dat, nadat de eerste stralen van de verschijning der Zonne der gerechtigheid zich reeds vertoonden in het Paradijs en Zijn openbaring al duidelijker werd voor de Godsmannen van den Ouden Dag, naarmate de tijd vorderde, de laatste der profeten, die het dichtst bij Bethlehem staat, en Zijn komst zoo heel nabij ziet (zie hfdst. 3 vers 1), Hem mag noemen „de Zon der gerechtigheid", zooals later de ziener op Padmos de gemeente des Heeren afgebeeld mag zien, omhoog in de lucht, als een vrouw, bekleed met de zon, d.w.z. deelend in de rijke genade Gods in Christus, Die haar geschonken en verworven had de schat Zijner oneindige verdiensten.
Op geen andere wijze komt Hij Zich openbaren in het hart, brengt Hij de toestand van leven en licht. Werpt Hij ook daarin niet de eerste stralen, als in een duistere wereld, aleer Hij Zich in Zijn volheid doet kennen ? Die eerste stralen, genoegzaam om in beginsel de verschrikkingen van het zondige nachtleven buiten God, te ontdekken, waarop en waaruit geboren wordt het bewustzijn van schuld tegenover een heilig God, het besef van het gemis Zijner genade, het belijden en bekennen, het roepen om genade en geen recht.
En volgt daar niet op, het verder doorbreken van het licht, het zoeken van een grond des behouds, het weten, dat alleen in Christus behoudenis is, zonder echter voor het bewustzijn des harten zich nog in zijn bezit te mogen verheugen ? O, hoe lang kan soms zulk een toestand duren ! En hoeveel wolken kunnen ineens het opgaande zonnelicht wederom onderscheppen ! Maar Gods beloften falen niet. „Zoo de Heere toeft, verbeidt Hem, Hij zal komen, ja, Hij zal gewisselijk komen". Wacht op den Heere, houdt moed, en Hij zal uw hart versterken.
Hieruit komt ook voort het verschil in Goddelijke leiding, zooals de eene dag verschilt van den ander. Soms schijnt de zon vanaf het eerste morgenkrieken in rustig voortgaande kracht, en we denken daarbij aan mannen als Johannes, Jezus' meest geliefden discipel. Maar ook komt soms eerst des middags de zon doorbreken, na een schoone opgang, waarop echter weer spoedig de lucht betrok, en wie denkt niet aan een Petrus ; of ook aleer een donkere dag verstorven is, komt nog ineens tegen den avond de zon zich toonen, en we denken daarbij aan velen, die eerst tot volle verzekerdheid des heils kwamen, toen het land aan de overzijde reeds wenkte.
Echter staat hier met nadruk, de Zon der gerechtigheid, het heil in Christus, de rust in Zijn verdienste, zal opgaan, voor hen, die den Naam des Heeren vreezen.
We weten, dat Maleachi zich met deze woorden allereerst richt tot die tijdgenooten, in wie een andere gezindheid gevonden werd dan bij de groote hoop, n.l. smart over de geestelijke afval, over de verdonkering van het goud, waarheid in het binnenste, wetenschap, dat God niet te misleiden is, behoefte Hem te kennen in hunne wegen. Zij vreezen den Naam des Heeren, welke de aanduiding van Zijn Wezen is. Dat wil zeggen, dat zij met eerbied en heilige hoogachting rekening met Hem houden, als dien God, Die alleen God is. Die alleen alles is. Zij moeten zeggen : „wat is de mensch dat Gij zijner gedenkt". Zij hebben hun aangeboren hoogmoed verloren, in het bewustzijn van de hoogheid en majesteit, die God alleen toekomen.
Die den Naam des Heeren vreezen, zijn zij, die hun eigen naam hebben leeren kennen, hun eigen wezen, hun verborgen leven, dat zooveel zondigs herbergt, zooveel lusteloosheid in het gebed, zooveel eigenwaan, gevoel van eigenwaarde, van beter en voortreffelijker en geëerder zich achten dan anderen, zooveel heimelijk zich verlustigen in zondige gedachten.
Ze kunnen, in die ontdekking des Heiligen Geestes hun naam kennend en Gods Naam vreezend, niet anders uitroepen — en hoe vaak moeten zij dit niet doen! — dan : o God, wees mij zondaar genadig.
Als wij dat in waarheid verstaan, kunnen wij eerst begrijpen, waarom de Zon der gerechtigheid is opgegaan. Zoo alleen kan slechts de kribbe van Bethlehem ons doen nederknielen en doen uitroepen:
Ik lag in zwarten stervensnacht, Gij werdt mijn Zon en leven. Gij waart de Zon, Die vreugde bracht. Die warmt' en licht woudt geven.
Laat mij, o Heer', Uw kribbe zijn. Zend in mijn hart Uw lichten schijn. Geef mij Uw eeuw'ge vreugde.
De zon verrijst na den nacht, toen Christus op aarde kwam, had duisternis de aarde bedekt en donkerheid de volken. Hoe diep was de wereld gezonken, ondanks haar wijsheid, kennis en ontwikkeling ! In haar wijsheid heeft de wereld God niet gekend. Zelfs niet de vrome, godgeleerde wereld. Ja, hoe duister was het. De boodschap van de opgang der Zonne der gerechtigheid wordt niet in Jeruzalem bekend gemaakt, aan de vrome wereld, welke waande, als Abraham's zaad, recht te hebben op het 'Koninkrijk Gods, maar aan eenvoudige herders, die te doen hadden met hun persoonlijke verhouding tegenover den Heere, die Zijn Naam vreesden, met een hart, dat dorstte naar gerechtigheid.
Zooals reeds gezegd, echter boort het oog van den profeet Maleachi door de eeuwen heen en ziet hij niet alleen Christus in Zijn eerste komst, den vernederden Gods-Zoon op aarde, maar ook in Zijn tweede komst, in Zijn eindtriumf, in de openbaring van de kracht Zijner overwinning, op de wolken des hemels. De Zon der gerechtigheid dan volkomen.
De rechtvaardigen zullen zich verblijden ; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht en van blijdschap vroolijk zijn, omdat ze dan ten volle genieten zullen de beloften Gods in Jezus Christus. Maar ook aan die opgang zal de nacht voorafgaan, waarop op 't oogenblik de wereld reeds bezig is weg te zinken. Ontzettende dingen staan de wereld te wachten. De ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden. Want de menschen zullen zijn liefhebbers van zichzelf. De liefde zal verkoelen. Nood zal er wezen op alle gebied. De uitzuivering der Kerk vangt aan. Maar dan komt Hij, de Zon des heils, waarom.in dien nacht de overgebleven gemeente, ingekrompen door den afval der uitwendige belijders, het hoofd omhoog zal heffen, want de Dag nadert, de Zon komt.
Echter, de Zon der gerechtigheid gaat ook reeds in dit leven op, voor die Zijn Naam vreezen als ze nog door meerdere nachten heen moeten, dan die der ontdekking hunner schuld. En zijn die er niet, de nacht van twijfel, van lijden, van sterven ? De nacht van den twijfel, wanneer bange verlegenheid omtrent de gewisheid der genade het hart niet ophoudt te doen wantrouwen. De nacht van het lijden. God brengt Zijn Kerk zoo dikwerf in het vuur, op veelvuldige wijze, om de vreedzame vrucht der gerechtigheid te doen rijpen in den weg der loutering. Tenslotte de nacht des doods, om daarna de eeuwige verlustiging te ontvangen in de stralen van het eeuwige licht, waarmede. aan het feit, dat het sterven een nacht is, welke dikwerf nog zoo moeilijk kan vallen, aleer de opname in heerlijkheid plaats vindt, niets wordt afgedaan.
Er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen. De zon wordt hier voorgesteld als gedacht met vleugels, zooals de zonneschijf in de oudheid dikwijls werd afgebeeld, omdat ze zich door het luchtruim beweegt.
Genezing alleen onder Zijne vleugelen. Genezing voor kranken, niet voor gezonden. Kent gij u als zoodanig ?
Alleen waarlijk kranken worden genoodigd naar de kribbe van Bethlehem. Daar rijze bij hen de bede: „Heere, red mijne ziel". Daar aan Zijn voeten neergebogen. Hem toonend de wonden der ziel. Hem, die zoo rijk was, doch zoo arm werd om armen rijk te maken.
Zullen wij dan het vleesch liefhebben, dat heden leeft, maar morgen sterft ?
Genezing slechts bij Hem, en dan volkomen — als de reis volbracht is — in dat land, waar niemand zegt: ik ben ziek, want het volk, dat daar woont, heeft vergeving van zonden ontvangen.
Valt dan den Heere in Zijn heerlijken Naam — Zon der gerechtigheid — te voet. Anders, o die dag !
„Ulieden daarentegen, die den Naam des Heeren vreezen, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen".
E.
K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's