VRAGEN BUS
Vraag : Wat moeten we zeggen : Kerstmis of Kerstfeest ?
Antwoord : 't Moet zijn : Kerstfeest. Het woord Kerstmis te gebruiken is verkeerd. Omdat Kerstmis een zuiver Roomsch woord is en Kerstfeest door de christenen door alle tijden heen gebruikt is, zooals men ook spreekt van Paaschfeest en Pinksterfeest b.v. Het gaat immers om het feestelijk en blij gedenken van de geboorte van den Heiland. „Ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal", zegt de Engel.
Hoe zit het nu met het woord Kerstmis ? We zeiden al : dat is een Roomsch woord, en absoluut geen Protestantsch woord. Omdat gedacht wordt aan de mis. De Roomsche Kerk smukt alles zoo graag op. Zoo heeft zij vanouds de Kerstkribbe, misschien voor 't eerst opgesteld door den heiligen Franciscus (1223), of misschien nóg ouder, daar zich in Rome een overblijfsel van de echte kribbe(? ) in een of andere Roomsche kerk bevond, die aanleiding gaf tot het bijplaatsen van beelden en figuren tijdens de groote Mis op Kerstdag. Sinds dien tijd is de Kerstkribbe in de kerken en in de huizen der Roomschen gekomen. De Kerstkribbe blijft dan staan tot aan het Driekoningenfeest of Maria Lichtmis (of ook wel Maria Zuivering genoemd, zijnde de feestelijke herdenking van het zuiveringsoffer, dat Maria volgens de Wet van Mozes na de geboorte van het Kindeke moest brengen. (Lev. 12 vers 2—4). De naam Maria Lichtmis komt van de kaarsenwijding en lichtprocessie voor de heilige Mis — een oud gebruik, van de heidenen overgenomen).
En zoo heeft de Roomsche Kerk nu ook de Kerstmis (Christus-mis). De priester leest dan op 25 December drie Missen : 's nachts, 's morgens en midden op den dag.
Of het „Kerstkindje" in het „Kerstwiegje" in de Roomsche kerken nog gewiegd wordt in den Kerstnacht, weten we niet. Vroeger was dat wèl het geval, en de „nachtdienst" was dan buitengewoon druk bezocht ; op straat kon men goed merken dat er iets bijzonders te doen was en de kerken waren —> weer of geen weer — druk bezocht. Wat trouwens nog het geval is.
Dus : wij Protestanten, spreken niet van „Kerstmis", maar gebruiken het woord : Kerstfeest!
Vraag : Deed de man, die op den akker werkte, en toen onverwachts een groote schat vond, wel eerlijk tegenover den eigenaar, dat hij, niets van zijn vondst zeggende, voor geld dien akker koopt, om zoo in bezit te komen van den schat ?
Antw. : Hier is zeer zeker oorzaak tot deze vraag. De begeerte naar de schat doet hem niet eerlijk en oprecht zijn tegenover den eigenaar van den akker. Hij zegt niet tot den eigenaar waarom het hier eigenlijk gaat : dat het hier niet gaat om den akker, maar om de schat in den akker. Hij deed, of hij den akker begeerde, maar begeerde den schat. Van de onwetendheid van den eigenaar maakte hij gebruik om zich zelf ten koste van hem te bevoordeelen. Want het is wel waar, dat die eigenaar den schat in den akker waarschijnlijk wel zal verkregen hebben zonder dat hij bepaaldelijk voor dien schat iets betaald had — omdat niemand van den verborgen schat iets afwist. Maar in elk geval wist de kooper nu wèl van den schat af en bedriegt toch eigenlijk den vèrkooper. Want ook zal de kooper misschien nu wel een buitengewoon voordeelig bod hebben gedaan, zoodat de vèrkooper er geen schade van opgeloopen heeft, in vergelijk met de prijs, die hij er indertijd voor betaald had (wie weet hoe wijs en hoe gelukkig de vèrkooper was, toen hij die hooge prijs in handen had !), dit alles neemt toch niet weg, dat de kooper nu den vèrkooper een schat afhandig maakt, waarvan hij afwist, terwijl hij er den vèrkooper niets van zegt. De begeerte naar de schat zet zijn geweten op een zware proef, en — om het geld doet hij, wat hij waarschijnlijk zelf bij een ander ook oneerlijk zou hebben genoemd !
Nu weten we wel zooveel van de gelijkenissen, dat we altijd voorzichtig moeten zijn in de verklaring. We moeten altijd vragen : wat is de hoofdgedachte ? Waarom gaat het in de gelijkenis ? Wat wil de Heiland door een gelijkenis leeren aangaande het Koninkrijk Gods ? En al de bijfiguren en de trekken in het verhaal, waarom het niet gaat, moeten we verder laten rusten. En we mogen daaruit zéér zeker geen conclusies gaan trekken, die de Heiland nooit bedoeld heeft. Heel dwaas en heel verkeerd zou het dan ook zijn, als we zóó gingen redeneeren : de Heiland stelt ons het oneerlijke en zedelijk-ongeoorloofde van de daad van den kooper als voorbeeld voor oogen, ter navolging. Het ging niet om koopen en verkoopen van een akker. Het ging — en gaat — om het Koninkrijk Gods en het vinden van de schat van dat Koninkrijk, om die schat, die hemelsche schat, in bezit te mogen krijgen. En het gaat er dan om, als we daarmee in aanraking komen, misschien (menschelijkerwijs gesproken) „toevallig" — we die schat alleen maar in bezit kunnen krijgen, als we alle andere dingen loslaten en „verkoopen", om dat ééne noodige, om die allesovertreffende schat, om die parel van groote waarde als ons eigendom te kunnen verkrijgen. Daarom gaat het. Dat we goed zullen moeten weten, dat we dan het besluit zullen moeten leeren nemen : laat los, laat alles los, verkoop alles wat ge hebt — en gij zult een schat in den hemel hebben, de schat van Gods genade, de schat van Christus' liefde, de schat lies eeuwigen levens.
En nu nog even het punt in kwestie. We mogen in geen geval denken, dat de Heere Jezus deze daad van den man uit de gelijkenis goedkeurt en ons ten voorbeeld stelt in het dagelijksch leven. Geenszins ! Maar wat is nu het merkwaardige bij de geestelijke dingen, waarover het hier gaat ? Is hier óók sprake van God, den Eigenaar, van Wien wij de geestelijke schat Zijns Koninkrijks koopen moeten ? Immers neen ! Deze aangelegenheid bestaat hier op geestelijk gebied totaal niet! God de Heere biedt Zelf ons de schat aan, open en bloot en overal. God, de Eigenaar, heeft den schat des Koninkrijks niet voor menschenoogen verborgen. Overal komt de Heere tot ons in den weg van Zijn Woord en biedt ons de schatten om niet, zonder prijs en zonder geld ! Het Evangelie wordt van de daken gepredikt. „Het geheim der verlossing, eerst zelfs voor de Cherubs verborgen is, thans genoegzaam geopenbaard en thans gemeengoed van allen. De Eigenaar staat met Zijn hemelschen schat in de handen en biedt hem aan een ieder aan. Roept de wijsheid niet en verheft niet de verstandigheid haar stem ? Op de spits der hooge plaatsen aan den weg, ter plaatse waar paden zijn, staat zij ; aan de zijde der poorten, vóór aan de stad, aan den ingang der deuren roept zij overluid". (Spreuken 8 vers 1—4).
Hier is dus totaal overbodig om over die kwestie van eerlijkheid of oneerlijkheid te spreken. Hier gaat het om het sterkverlangen naar de schat van Gods genade in Christus, de schat des nieuwen levens, de schat van den eenigen troost beide voor leven en sterven, de schat van den vrede door het bloed des kruises, de schat van de geheel eenige blijdschap der kinderen Gods.
Hier zullen we alles moeten leeren verliezen, alles loslaten, alles achterlaten : want rijken worden ledig wèg gezonden en armen worden met goederen vervuld. Alleen ledige harten en ledige handen kunnen gevuld worden. Wij moeten leeren ons zelf te verloochenen en alles schade te achten, opdat wij Christus mogen gewinnen. (Filipp. 3 vs. 7, 8). Want het verlies, dat wij hier lijden, als we al onze eigengerechtigheid, al onze valsche deugd, al onze aardsche genietingen en zooveel meer verliezen, is niets, te vergelijken met wat we, om niet, uit louter genade, in Christus terug ontvangen. Het hemelsch Koninkrijk is èlk offer waard. Het gaat in waarde alles, ja alles te boven.
Zouden wij dan het verstandig voorbeeld van den man der gelijkenis niet volgen, en zouden wij ons niet haasten om ter harte te nemen, wat de Heere in Christus aan arme zondaren biedt, uit louter genade ? De ergste dooven zijn zij, die niet willen hooren ; de ergste blinden, die niet willen zien. Nu is het de wèlaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid, in denwelke God ons wil verhooren. (2 Cor. 6 vers 2) : „Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden ; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde, en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt". (Optnb. 3 vs. 18).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's