STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE RESERVE-VELDPREDIKERS
Het instituut van de Reserve-Veldpredikers opent den weg om — zooals wij de vorige week opmerkten — de kloof tusschen Kerk en Overheid te overkoepelen, en wel in dien zin, dat eenerzijds de Kerk het verband met haar ambtsdragers blijft onderhouden en anderzijds de zekerheid bestaat, dat de ambtsdragers, die namens hun Kerk met de geestelijke verzorging der militairen belast zijn, voor hun buitenkerkelijk optreden in de weermacht aan de Overheid onderworpen zijn.
Tegen een dergelijke opzet van de zaak kan noch de Kerk, noch de Overheid bezwaar hebben.
De ambtsdrager blijft predikant in zijn Kerk en wordt door zijn verbintenis met het Rijk als reserve-veldprediker de toegang tot de weermacht geopend.
De reserve-veldpredikers zijn dus de tijdelijke ambtenaren-ambtsdragers, die met Overheidsinstructie en kerkelijke verantwoordelijkheid hun plaats in de weermacht als geestelijke verzorgers van de militairen, die tot hun Kerk behooren, innemen.
Naar de meening der Regeering, die het instituut der reserve-veldpredikers heeft ingesteld, worden de reserve-veldpredikers aangesteld om in oorlogstijd dienst te doen. Zij kunnen bovendien in vredestijd tot het verleenen van hulp bij de geestelijke verzorging der militairen voor een bepaalden tijd worden aangewezen.
Dit laatste werk is arbeid, die de predikantreserve-veldprediker in dienst van de Overheid verricht en welke arbeid buiten het eigenlijke ambtelijke werk staat.
De Overheid — en zoo sprak Minister Van Dijk nog onlangs bij de behandeling van de Defensie-begrooting in de Tweede Kamer — heeft niet onverschillig te staan tegenover het geestelijk leven ; zij heeft op haar eigen terrein een roeping te vervullen overeenkomstig de Wet Gods en regelen te stellen voor het volksleven.
Zoo staat het ook met de geestelijke verzorging der weermacht.
Wanneer de Overheid — zoo ging de Minister van Defensie voort — tal van jonge mannen in garnizoenen samenbrengt, heeft zij dan ook een taak te vervullen, n.l. om den kerkelijk-ambtelijken arbeid te steunen, vooreerst door het instellen van een instituut, dat een bemiddelende plaats heeft in te nemen tusschen Overheid en Kerken — het instituut der legerpredikanten — en voorts door steun te verleenen, wanneer de plaatselijke Kerk inderdaad onmachtig is de militairen in den kring van haar arbeid op te nemen ; niet door zelf kerkelijk-ambtelijke zielszorg toe te passen, maar wel door des noodig geldelijke tegemoetkoming te verleenen.
Zoo handelde de Regeering destijds te Ede. Toen de gemeente Ede garnizoensplaats werd, kwam de kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente in het genot van de gelden om een tweeden predikant te beroepen. En dit is tot op het oogenblik zoo gebleven. Ook wordt op de Defensie-begrooting een bedrag uitgetrokken voor subsidiën en tegemoetkomingen aan de onderscheidene Kerkgenootschappen.
Hier ligt de weg om het bezwaar van de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk — naar zij zegt — te ondervangen, dat tengevolge van de bestaande regelingen en verhoudingen in de Nederlandsche Hervormde Kerk de idiëele beschouwing : „de geestelijke verzorging aan de Kerk" onbereikbaar is.
Want de idiëele beschouwing : „de geestelijke verzorging der militairen aan de Kerk" is wél bereikbaar, als de Overheid het den Kerken maar financieel mogelijk maakt om de tot haar gemeenschap behoorende militairen ambtelijk kerkelijk te verzorgen.
Artikel 45 van bet Reglement op den Inwendigen Dienst der Koninklijke Landmacht zorgt reeds voor de gelegenheid. In dat artikel staat : „Indien van de zijde van een kerkelijke gezindte tot den regimentscommandant het verzoek komt, om aan de tot die gezindte behoorende militairen gedurende het uur, waarin de legerpredikanten hunne bijeenkomsten houden, gelegenheid te geven voor het houden van een godsdienstige bijeenkomst onder leiding van eigen ambtsdrager, wordt die gelegenheid verschaft".
Natuurlijk is deze gelegenheid ook nog uit te breiden.
En waarom zou de Nederlandsche Hervormde Kerk de ambtelijke geestelijke verzorging der militairen, bij genoegzamen financieelen steun desgewenscht, dan niet zoó kunnen regelen, dat in de groote garnizoensplaatsen als b.v. 's-Gravenhage, Utrecht, Amersfoort, Arnhem enz., wanneer daar de dienstdoende predikanten niet over voldoenden tijd zouden beschikken om in dien militairen arbeid werkzaam te zijn, de geestelijke verzorging werd opgedragen aan een afzonderlijken predikant, die zoo noodig voor dit ambtelijk werk door den kerkeraad ter plaatse kon worden beroepen, en dat voor de kleinere garnizoensplaatsen een gezamenlijke predikant werd aangewezen ?
Deze predikanten zouden dan als reserveveldprediker hun ambtelijk werk bij de weermacht kunnen verrichten.
De idiëele beschouwing : „de geestelijke verzorging der militairen aan de Kerk" is ook voor de Nederlandsche Hervormde Kerk bereikbaar.
Laat de Synodale Commissie maar eens met den Minister van Defensie in overleg treden. De hoogst belangrijke zaak van de ambtelijke geestelijke verzorging der militairen komt dan wel in orde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's