VRAGEN BUS
Vraag :
Is de bevestiging van lidmaten wettig geschied, als het gebeurd is in de kerk zonder het bevestigingsformulier te lezen ?
Antwoord : Men vergist zich hier blijkbaar. Want er bestaat geen „formulier voor de bevestiging van nieuwe lidmaten". Dat is er nooit geweest. En dus. het is duidelijk, dan kan het ook niet voorgelezen worden. De bevestiging van nieuwe lidmaten geschiedt dus altijd en overal zonder formulier (tenzij men zelf een formulier maakt en dat voorleest, maar dat is particulier, gelijk iedere dominé een „toespraak" kan houden, enz.).
Dat er geen formulier bestaat in deze, wil men wel verklaren door te zeggen : dat het doen van belijdenis geen „Sacrament" moet worden. (Dat hebben wij meer dan eens van collega's als argument gehoord). Maar 't huwelijk is óók geen Sacrament en er is toch altijd een kerkelijk formulier geweest om „het huwelijk openlijk alhier in de kerk te bevestigen". Persoonlijk zouden wij wel een formulier wenschen, ook al mee hierom, dat er meer uniformiteit bij deze kerkelijke plechtigheid zou komen.
Intusschen moesten we niét spreken van „bevestiging van nieuwe lidmaten", maar van het „doen van openbare belijdenis". De kinderen, die, „alzoowel als de volwassenen, in het Verbond Gods en in Zijne Gemeente begrepen zijn" — en die door den Doop, als door het teeken des Verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd zijn en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden zijn" (zie het antwoord in onzen Catechismus over „de Kinderdoop", Zondag 2, antw. 74) wórden dus niet in de ure der belijdenis „aangenomen" (die in de Gemeente bij den Doop zijn ingelijfd in de Christelijke Kerk, gaat men weer niet als ze 18 of 20 jaar zijn wéér „aannemen"), maar ze komen van hun Doop tot de openbare belijdenis, om dan (dat is de aloude Gereformeerde beschouwing) toegang te vragen tot het Heilig Avondmaal. Dus niet zeggen : „aanneming", maar „doen van openbare belijdenis", waarbij zij in het midden der gemeente in hun keus en belijdenis worden bevestigd in het openbaar, en des Heeren zegen vragen, om dan toegelaten te worden tot het Avondmaal, op grond van hun geloofsbelijdenis ten aanhoore van de gemeente, onder leiding van den Kerkeraad.
Vandaar ook de vragen, die openlijk gesteld worden en hoorbaar door een ieder persoonlijk en door de lidmaten saam moeten beantwoord worden.
Er is dus géén formulier ter bevestiging van nieuwe lidmaten".
En ja — de vragen (de drie vragen, in onze Hervormde Kerk bestaande) hebben al heel wat stof opgejaagd. Vooral hierom, omdat (vooral van den kant der Modernen) de gedachte wordt gesuggereerd, dat men van die vragen maken mag, wat men zelf wil — wat het kerkelijk leven natuurlijk „kapot" moet maken. Een Kerk, waarin tenslotte ieder mag gelooven, belijden, beloven en doen wat men zélf wil, bestaat niet. Dan is het geen Kerk meer. Dan is het een Vereeniging van „elk wat wils" en dat móét — een klein kind kan het begrijpen — een huisgezin van „Jan Steen" zijn of worden. Wat dés te ernstiger is, juist omdat het de Kerk van Christus raakt.
De vragen zijn verplichtend. Maar het is de opzet van onze Synodale organisatie en van onze Kerkelijke Reglementen, om de belijdenis te handhaven, althans in géést en hoofdzaak en naar den aard en het wezen van de belijdenis zelve — maar tegelijk een achterdeurtje te openen, om er naar eigen believen mee om te springen. Dat dit een „onwaarachtig geschipper" in de hand werkt, ligt voor de hand. Waarmee geen enkele Kerk vrede kan hebben en zeker ook niet onze aloude Hervormde Kerk, met haar kerkelijke belijdenis naar den Woorde Gods. En de Doop èn het Avondmaal — welke twee Sacramenten we met opzet noemen bij de kwestie van „openbare belijdenis der jonge lidmaten" — zeggen ons wel, in welken geest het zaad des Verbonds moet onderwezen worden en in welk teeken de openbare belijdenis in het midden der gemeente staan moet !
De vragen, van ons Kerkelijk Reglement, móéten worden gesteld. Bedoelde men wellicht die „vragen", inplaats van „het formulier" ?
Vraag : Is het de taak en de roeping van den vader in het gezin, bij de maaltijd, voor te gaan in het gebed en daarbij „hardop te bidden" voor allen ? En zoo ja, mag de vader dan het „Onze Vader" bidden of moet het een „vrij gebed" zijn ?
Antw. : Natuurlijk moeten we altijd voor de omstandigheden een open oog hebben. We kunnen de werkelijkheid van het leven nu eenmaal niet negeeren en alles zonder meer maar „over één kam scheren". Maar principieel antwoordend op de vraag, of de vader, als priester in het gezin, vóór moet gaan in het gebed en „hardop moet bidden" voor allen, zeggen we van ganscher harte : ja ! Als het éénigszins kan : ja !
En of het dan met een „formulier-gebed" kan en mag gebeuren ? Ons antwoord is : ja ! Althans wanneer de vader niet bekwaam zich voelt om een „vrij gebed" te doen. Want als dat kan, al is het nog zoo eenvoudig, dan is het vrije gebed verkieselijker dan een formulier-gebed. Althans verkieselijker dan om altijd een formulier-gebed te doen. Hoewel we óók bij het vrije gebed, ter afwisseling. het gebruik van het „Onze Vader" niet willen ontraden. Als dat „allervolmaaktste gebed" ernstig gebeden wordt (niet afgeraffeld, maar gebeden), kan het zoo'n diepen indruk maken bij jongeren en ouderen.
Het gebed moet in den huiselijken kirng weer meer in eere komen onder ons. De priesterlijke dienst moet weer in onze gezinnen worden bearbeid. En hoe eenvoudiger en hartelijker men het doet, hoe beter dat het is, vooral ook met het oog op de kinderen. Ze moeten het van klein kind af weten, dat er gebeden moet worden ; en hoe hartelijker ook in deze de verhouding van de huisgenooten is, hoe beter dat het is. En de vader is dan de persoon, die er het eerst voor aangewezen is.
Of een vader dan tot deze dingen bekwaam is ? Wij herhalen : wij willen voor bijzondere omstandigheden on^e oogen niet sluiten. Maar, laten we toch ook vooral in deze dingen bedenken : onze bekwaamheid is uit God. En het is de Heere, die óók voor deze zaak zegt : „indien u wijsheid ontbreekt, begeer ze van Mij en Ik zal ze u geven, Ik, de God, die mildelijk geeft en niet verwijt".
Is dat niet heerlijk, dat de Heere ons geven wil alles wat ons ontbreekt, wanneer wij het Hem ootmoedig vragen ? En voorts : er is ook een „oefening in het gebed" ; een geestelijke oefening. Verzuim dan niet de gave, die God u schonk, en vergeet de roeping niet, die de Heere u gegeven heeft, n.l. als hoofd van het gezin de priesterlijke bediening waar te nemen, in de vreeze des Heeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's