KERKELIJKE RONDSCHOUW
DRIE PIJLEN OP ONZE BOOG
Drie pijlen op onzen boog. We schreven er pas nog over. En het zijn deze drie dingen : 1. het hulppredikerschap 2. de evangelisatie-predikant (en) ; , 3. de missionaire dienaar des Woords of een dominé naar ons Zendingsterrein.
Er gaat geen week voorbij, of we lezen een bericht, dat hier of daar een Candidaat benoemd (niet beroepen !) is, tot hulpprediker. Dat is uitnemend voor zoo'n a.s. predikant. Maar we denken nu voor 't oogenblik niet 'i. minst aan het werk in de gemeente, dat door zoo'n hulpprediker verricht kan worden.
Boskoop heeft zoo'n hulpprediker, Kralingen heeft er een, misschien wel twee. straks wellicht drie ; Zeist heeft er nu een benoemd, Arnhem heeft er een (daar is 't een emerituspredikant, hoewel er ook wel een candidaat is geweest) ; IJsselmonde heeft er een, Tuindorp-Vreewijk ; en zoo kunnen we wel voortgaan.
Die richting moeten we uit. Al zal er dan waarschijnlijk aan de eigenlijke regeling van het hulppredikerschap, wat aangaat instructie, tijd van benoeming, salaris enz., nog wat aandacht moeten worden gegeven. Want wij gelooven niet, dat de regeling hier en daar „af" is. Wat ook moeilijk kan. Omdat de omstandigheden onderling zooveel verschillen. En de zaak zelve ook eigenlijk nog maar in den laatsten tijd de volle aandacht heeft verkregen. Maar al doende leert men.
Dat hulppredikerschap moet dus onze aandacht hebben en houden. En naar een behoorlijke regeling zal moeten worden omgezien. Ook zal de vraag : waar de financiën vandaan moeten komen (een arbeider, ook een jonge arbeider, is toch z'n loon waardig), flink onder de oogen moeten worden gezien.
Dan de evangelisatie-predikant (en). Er zijn, vooral in de Noordelijke provinciën, vele gemeenten, die als evangelisatie-posten moeten beschouwd worden. En er zijn bepaalde gedeelten, waar meer dan één gemeente vlak bij elkaar liggen, die „bewerkt" moeten worden. En dan dadelijk goed en degelijk. Waarvoor we geschikte, jonge dominees noodig hebben, die voor dat werk voelen en als theologen dezen evangelisatie-arbeid kunnen aanpakken en verder brengen. Waarvoor een bepaald evangelisatie-apparaat dien dominé ten dienste moet staan (we denken aan bijbelverspreiding, tractaat-lectuur, auto-zending, straatprediking, enz. enz.).
En dan een Zendings-dominé voor ons Zendingsveld, om op Celebes als theoloog het werk te leiden, en er ook kerkelijk van te aken wat er van te maken is.
Wij verheugen ons, dat er velen zijn, die oor deze dingen gaan voelen. En het verlijdt ons niet 't minst, dat we in den Bond oor Inwendige Zending en den Gereformeeren Zendingsbond corporaties hebben, waarmee we, schouder aan schouder staande, nog heel goede dingen in de toekomst kunnen doen.
Het is alsof de Heere nieuwe belangstelling geeft aan velen inzake allerlei vragen, wakende den godsdienst en de Kerk. Er is een verblijdende opwaking. De menschen vragen eer, onderzoeken weer ; willen weer lezen n willen weer luisteren, als er een boodschap s, die de geestelijke dingen noemt en brengt.
En waar anderen paraat zijn, mogen wij niet achterblijven.
De Zending staat op een keerpunt ; en de kerk is er ten nauwste bij betrokken.
Het Evangelisatiewerk vraagt om aanpakken, maar dan goed georganiseerd en onder bekwame leiding, waarbij de menschen zich in vertrouwen kunnen geven.
En het werk in de gemeenten, zoowel in de steden als in de groote, uitgestrekte dorpen, moet worden aangepakt, wat nu te gemakkelijker kan, omdat de arbeiders meerder worden ; wat niet een ramp, moet worden, maar dat moet worden omgezet in een zegen ; — waartoe de mogelijkheid ons gegeven wordt nu.
ROME's EVANGELISATIEWERK
Het is zeker waar, dat er in den grooten strijd, die ook nu weer in de wereld gestreden wordt, naar het woord van mr. Groen van Prinsterer, vele dingen zijn, waarin de geloovige Protestanten en de geloovige Roomschen hartelijk overeenstemmen. Maar dat mag ons toch nooit doen vergeten, dat Rome Rome is en Rome blijft. En dan zullen de Protestanten de oogen open moeten hebben en waakzaam zijn. Vooral wanneer wij telkens lezen van de propaganda, door Rome gevoerd en van het uitgebreide evangelisatiewerk, dat Rome verricht. Dan ontmoeten de Protestanten de Roomschen, en dan moeten de geloovige Protestanten op, hun hoede zijn en, waar noodig, zich scherp tegenover Rome stellen, omdat hun leer verderfelijk is, ook al stellen zij het dikwijls nog zoo onschuldig en zoo mooi voor.
Prof. Grosheide geeft in „De Heraut" weer, wat hij in een Fransch Roomsch blad .over Evangelisatiewerk las.
Daar wordt gewezen op het Vormsel, zijnde van de grootste beteekenis voor de Roomsche actie. Door den Doop wordt men, naar de leer van Rome, Christen, en wordt men verplicht voortaan als Christen te leven. Maar door het Vormsel wordt men actief in de gemeenschap betrokken en stelt men zich als geestelijke soldaten onder leiding van de Kerk. De Christen komt dan in de sfeer van het „gemeenschappelijke" en van de „verantwoordelijkheid". „De Christenheid is naar het bevel van Christus een organisatie, een lichaam, welks leden alleen door het leven van Christus worden gevoed, één in geloof, hoop en liefde". „De Kerk legt niet alleen op de priesters, maar ook op de gevormden beslag en roept tot de Katholieke actie, die zich te stellen heeft onder de hiërarchie, om zoo de Roomsche krachten te ontwikkelen. Als alle organen samenwerken, kan het mystieke lichaam van Christus tot zijn doel komen, dat is : de bovennatuurlijke volmaking van het Koninkrijk Gods".
En dan schrijft het Fransche Roomsche Evangelisatieblad (Revue Apologétique) verder : „De Christelijke actie zou gemakkelijk voortgaan, ware het niet, dat er groote tegenstand is, die haar ten doode toe bestrijdt. Daarom heeft de Kerk een krijgsmacht noodig, die strijdt tegen de aanvallen van den booze. Het „Vormsel" verschaft de Kerk deze krijgsmacht. Het maakt de geloovigen tot soldaten van Christus. En het is hun plicht, dapper front te maken tegen de zichtbare vijanden Gods, tegen de vervolging van het geloof. De Kerk heeft een groot leger noodig en het Vormsel is dan ook een in waarheid „algemeene lichting" van „geestelijke troepen". Allen, mannen en vrouwen, ouden en jongen, moeten in het leger', worden ingelijfd".
„Bij het Vormsel wordt gezegd door den priester : ik teeken u met het Kruis, ik sterk u met de olie des heils, en zoo brengt het Vormsel in de ziel van den Christen de goddelijke kracht des Heiligen Geestes. Het is waar, dat de gevormde dat zelf niet opmerkt, maar het is niet minder waar, dat hij sinds de ontvangst van het Sacrament in zijn ziel draagt de ingestorte kracht, die de apostelen aanzette en die de martelaren deed overwinnen".
Maar dan moet het Vormsel aangevuld worden door een positieve tusschenkomst van de Kerk. „Een leger dappere soldaten alleen is niet voldoende. Er moet tucht zijn, er moet kader zijn. Het leger moet bevelhebbers bezitten, die leiden, die gebruik weten te maken van alle beschikbare krachten, die lafheid weten te voorkomen. Het leger moet daartoe gesteld worden onder de geestelijke hiërarchie".
Wanneer wij zoo van het goed gedisciplineerde leger lezen, dat gemobiliseerd wordt onder leiding van de Kerk voor het Evangelisatiewerk, dan willen wij nu alléén maar hierop wijzen, dat ook wij noodig hebben „algemeene lichting van geestelijke troepen, jongen en ouden", die onder goede leiding de Kerk helpen bij het Evangelisatiewerk !
Laat Rome ons hierbij ter leering zijn !
EEN GETUIGENIS
De Afdeeling Rotterdam van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden heeft in enkele uitingen van een drietal predikanten der Ned. Herv. Gemeente te Rotterdam aanleiding gevonden den Kerkeraad dier gemeente de vraag voor te leggen, of nu de bakens niet verzet moeten worden en of Rotterdam binnen het raam der geldende bepalingen niet een bijdrage zou kunnen leveren tot reorganisatie.
Op dit schrijven van de Vrijzinnig-Hervormden heeft de Kerkeraad een duidelijk en principieel antwoord gegeven.
Dit antwoord vangt aan met de opmerking, dat het onjuist is het woord van enkele predikanten uit het verband van het geheel los te maken, daar men dan zoo gemakkelijk verkeerde gevolgtrekkingen maakt, hetgeen ook nu het geval was.
Want, zoo zegt de Kerkeraad, uit heel de opzet van het gesprokene komt duidelijk uit, dat de nood der tijden vraagt om een helder, krachtig, principieel getuigenis der Kerk in den Naam van Jezus Christus, onzen Heiland en Zaligmaker.
Bij het getuigenis der Kerk, zoo wordt verder gezegd, waarvan een zegen kan uitgaan, behoort noodzakelijk de inhoud, vervat in de belijdenis der Christelijke Kerk van alle eeuwen, dat nergens hulp en raad te vinden is, dan in het vleeschgeworden Woord, God uit God en Licht uit Licht, Jezus Christus, den Zoon van God, van Wien de Kerk nu weer zoo bijzonder belijdenis doet in deze Adventsweken. Hem gaarne predikend als Immanuël, God gekomen in het vleesch, den sterken God, den Vredevorst.
Het gaat in de Kerk en ook nu tusschen u en ons, niet om onze meeningen en getuigenissen Bij uw en ons getuigenis zal het moeten gaan om den Goddelijken inhoud, die van Boven is, Jezus Christus, onzen Heer, den Christus der Schriften, den Heiland en Zaligmaker, gestorven om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
Dat u dit over het hoofd ziet, blijkt uit uw verdere beschouwingen.
Want u schijnt te meenen, dat er in onze Rotterdamsche gemeente willekeurig een blok gevormd is, om met machtsvertoon en geweldoefening, met name u en uw geestverwanten, onrecht te doen.
Maar dat breede front, dat er blijkbaar tot uw ergernis hier in onze gemeente is, is een klaar bewijs, dat men hier rondom de belijdenis van den Christus, als God en Heiland, den breedst mogelijken kring vormen wil en de grootst mogelijke samenwerking wil zoeken. Waarom zou men u of anderen dan uitsluiten ? Er is geen enkele voor, noch in uw persoon of iets dat het uwe is. En als die gedachte zou leven bij u, dan is het ons nu een welkome gelegenheid u eerlijk en ernstig te verzekeren, dat u leeft bij een vergissing uwerzijds. Niets liever is ons, ook als Kerkeraad, den kring zoo wijd mogelijk te trekken.
Maar het breede front, waarvan u spreekt en waarop u doelt, vindt zijn grens in de belijdenis van Jezus Christus als God en Heiland, naar de Schriften. En niemand, ook u niet, mag verlangen noch vorderen, dat van deze begrenzing zou worden afgeweken.
Wij willen ons nu niet gaan verdiepen in vele woorden en lange redeneeringen. Het is gebiedende eisch, kort en klaar, duidelijk en oprecht, te zeggen, waarom het gaat tusschen u en ons. En dan is het altijd weer eenig en alleen : Jezus Christus en Dien gekruisigd, gestorven om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. En wanneer de 18 predikanten onzer gemeente, waarlijk niet eentonig gestemd, datzelfde Evangelie, zij 't met groote verscheidenheid, hier brengen, is het ons onverklaarbaar, indien u iets meevoelt van den nood der Kerk en den nood der wereld, en met ons gelooft en belijdt, dat hier de hulp 24 en de redding niet van menschen, maar van God alléén is, zooals Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft als een Zaligmaker der wereld, dat u zich niet mee schaart onder de prediking in onze kerkgebouwen en niet met ons samenkomt rondom de Sacramenten, van Christus ingesteld.
Uw vlucht is niet gerechtvaardigd en niet bij ons ligt de uitsluiting. Wij moeten het u zeggen : u sluit uzelf uit, door een ander fundament te leggen, 'dan hetgeen gelegd is door God Zelf in Jezus Christus, onzen Heer.
Wij verwachten geenszins — zoo besluit de Kerkeraad — dat ons schrijven aanstonds door u met groote bevrediging zal worden aanvaard. Maar het bevreemde u toch niet, dat de Kerkeraad in dezen toon en op deze wijze uw schrijven wilde beantwoorden. En omdat wij weten, dat niet menschen, ook een Kerkeraad niet, de harten kan neigen, willen wij eindigen met de oprechte bede, dat God door Zijn Heiligen Geest hoe langer hoe meer u en ons mag leeren en ons tezamen komt leiden in den eenigen weg, die ter zaligheid is.
Dit antwoord aan de Vrijzinnig-Hervormden, is door den Bijzonderen Kerkeraad met algemeene stemmen vastgesteld.
ANTI-SEMIETISME
Het anti semietisme is practisch : vijandschap tegen de Joden. En zoodra het over de . Joden gaat, ziet de Christen, die bij de Schrift gaat, heel die geschiedenis onder licht van Boven. De Joden zijn van een bepaald ras, dat is aan de Joden te zien, ook al wonen de Joden eeuwen nu in de verstrooiing, midden onder voor hen vreemde volkeren. Een Jood is een Jood, of hij in Nederland of in Frankrijk of in Amerika of in Indië woont.
Uit de Schrift weten we, dat God krachtens Zijn verkiezing Abraham losgemaakt heeft uit het midden van zijn oude omgeving en dat Hij aan Abrahams zaad Kanaan gegeven heeft, met het groote doel, dat Christus uit de Joden geboren zou worden, gelijk ook geschied is. Daartoe heeft God Abrahams zaad uit Egypte verlost, in Kanaan bewaard, uit de ballingschap vrijgemaakt : alles, opdat Christus uit dat Joodsche volk zou geboren worden en zoo uit en door Abrahams zaad een zegen zou uitgaan over alle geslachten der aarde.
Met dien Christus heeft Israël zich niet in den weg des geloofs vereenigd. En terwijl Christus toch uit de Joden geboren is, heeft Israël geschreeuwd : Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen ; en zoo is de zegen in en door Christus uitgegaan over alle geslachten der aarde, maar over Israël is de vloek gekomen, uit oorzake van hun Christusverwerping. Vóór Christus' geboorte zijn al vele Joden in den vreemde gebleven en hebben zich midden in de wereld geworpen, jagend naar geld en goed, waarom vanouds onder verschillende volkeren Jodenvervolgingen zijn losgebroken. In de eerste eeuw van onze jaartelling kwam 't b.v. in Alexandrië tot echte pogroms en na 70 herhaalden zich deze uitbarstingen van Jodenhaat zooals vroeger in Perzië en Babylonië. De Joden smolten niet saam met andere volkeren, maar stonden in het midden van andere volkeren naar geld, invloed, grondbezit ; ook naar politieken invloed. Wat alles dikwijls niets te maken had met hun echte Joodsche godsdienst, maar wat zij als een vreemd volk te midden van een georganiseerd volk zochten te verwerven. De geldmarkt, de pers, de politiek was hun jachtterrein. En hoemeer de Joden, vragend naar de gunst der wereld, tot grooten, dikwijls geheimzinnigen invloed kwamen, hoe meer de tegenstand ontstond. Maar tot een afzonderlijk volk, in een eigen Staat, hebben ze het nooit en nergens kunnen brengen. Zij bedoelen ook niet een eigen volk te zijn in een eigen land met een eigen godsdienst en een eigen staatsieven. Zij bedoelen „heimatlos", zonder Vaderland zijnde, overal invloed te verkrijgen. Hooger gaat hun streven niet, maar dat is ook een hartstochtelijk begeeren van den Jood, hier en overal, waar maar Joden gevonden worden. Waarbij nog komt, dat de Joden van den grootsten invloed veelal ongeloovige Joden zijn, atheïstisch, anarchistisch, bolsjewistisch van aard.
Rusland, Midden-Europa, kan van deze dingen getuigen.
En zelfs „de trek naar Kanaan" wordt wel dikwijls genoemd „Zionisme", alsof het een heilig heimwee ware naar Sion, de stad Gods, om daar Jehova vrij te mogen dienen naar Zijn Woord en Wet. Maar het „Zionisme" is dikwijls een materialistische beweging, vol zoeken van de dingen die beneden zijn, met verloochening van Jehova. Veeleer gedreven door atheïstische en revolutionaire beginselen. De verschillende Palestijnsche Kolonies vertoonen dan ook een beeld, niet van een orthodox, geloovig Joodsche bevolking, met een orthodox, geloovig Joodsch leven. Helaas! vreet het communisme en het bolsjewisme ook daar als een kanker voort.
Israël heeft op het gewichtigste moment den zin van de verkiezing niet verstaan. Christus was de aan de Vaderen Beloofde. Maar zij, die roemden in de Vaderen en altijd de mond vol hadden van het spreken van Abraham, Izaak en Jacob, misten het geloof van Abraham en hebben Abrahams grooten Zoon verworpen en aan het kruis genageld. Toen de groote Zoon van David kwam, hunkerden zij wel naar de aardsche macht en spraken van Davids troon, maar niet bekennende, dat het om een ander Koninkrijk met een anderen troon ging. Ze hebben wel willen juichen, toen de Koning kwam, maar toen de Koning Israels een andere Koning was dan een aardsche Koning, hebben zij Hem verworpen. En de verkiezing Gods niet verstaande, zijn zij — o ! diepte der wijsheid Gods, met onnaspeurlijke wegen en ondoorzoekelijke oordeelen — van God verworpen en is het Evangelie des Kruises gebracht tot de heidenen, op wier volheid de Souvereine God nu wacht.
Intusschen blijven de Joden, nergens een eigen volk zijnde en een eigen Vaderland hebbend, zich inwerken in de wereld en zich innestelen in geldbezit, in macht, in invloed onder de volkeren, waaraan zij vreemd zijn, helaas ! dikwijls gedreven door beginselen, die tegen dat volksleven in het land, waarin zij als vreemdelingen wonen, ingaan. De pers, de geldmarkt, de handel en zooveel meer, waar Joden enormen invloed hebben, zijn dikwijls machten tegen het volksleven, tegen den Staat, waarover de Joden niet te beschikken hebben en waarover zij toch beschikken willen.
Om Christus' wil is Israël uitverkoren.
Door de Christus-verwerping is Israël verworpen.
En helaas ! blijft Israël zich verharden hier en overal ; en terwijl het nergens tot rust kan komen, zoekt het de rust in verboden wegen, de verzenen slaande tegen de prikkels. De beslissende vraag voor het Joodsche volk is de Christus-vraag.
En God wil, dat de Joden door de Christenen met het Evangelie zullen worden bekend gemaakt en door de Christenen tot jaloerschheid zullen worden opgewekt, om óók te leeren begeeren dien Christus te mogen leeren kennen en ook in Hem te mogen gelooven, kennende het leven, dat Christus wil openbaren aan ons, aan de heidenen, aan de volkeren, alom verspreid, en ook aan de Joden, aan welk volk de God van Abraham, Izaak en Jacob gedachtig is naar Zijn Woord en belofte.
Daarom kan het antwoord van de Christenen aan het antisemitisme niet beter zijn dan: de Zending onder Israël, de Christus-verkondiging door woord en daad aan Abrahams zaad. Wat te meer noodig is, omdat het een opvallend iets is, dat zij die van communistisch en van socialistisch bloed niet vrij zijn, het meest aandringen op ongelimiteerd toelaten van verdreven Joden. Waarom ? Als vroolijk de tonen van de „internationale" klinken, zijn wij er niet gerust op, dat er niet wat achter al die vriendelijkheid schuilt, dat gevaarlijk is. Wil men „hulptroepen" werven op deze manier, onder een schoonen schijn van „medelijden" ? Wij zijn er allerminst gerust op, dat men hier met een actie te doen heeft, die voor 100 % „barmhartigheid" is. En de Joden zelf zullen daar zeker niet kunnen vinden, wat! zij noodig hebben tot zaligheid.
Daarom te meer zal het den Joden moeten worden aangezegd, dat in den Christus alleen verlossing en vrede en blijdschap te vinden is. Anders gaat het van kwaad tot erger. En ook ons Vaderland kon er wel eens de bittere gevolgen van ondervinden. Socialisten, anarchisten, atheïsten, bolsjewisten hebben we hier genoeg.
Geen haat zij bij ons tegen de Joden. Maar wel verweer tegen bolsjewisme en anarchisme !
DE VEREERING DER VOOROUDERS
De vereering der voorouders treft men aan bij alle heidensche volkeren. De Chineezen verwachten al hun heil voor dit hun leven van hun gestorven voorouders. En zoo is het, naar verhouding, onder alle heidensche volkeren. Het leven is geen dooden-gang, eindigend in niets dan dooden. Dat voelt de mensch ; dat is hem ingeschapen, al gaat de zondige, verdwaasde mensch er dan altijd een verkeerd gebruik van maken, om het om te zetten in een valsche religie.
Israël vereerde ook de voorouders, met name de patriarchen. Abraham, Izaac en Jacob. Met verdwaasde ijdelheid beroemden zij zich in hun voorouders en trotsch zeiden zij elk oogenblik : „wij zijn kinderen Abrahams" ; er in één adem bijvoegend : „wij zijn kinderen des Koninkrijks". De heidenen en de Samaritanen hadden andere voorouders en daarom waren zij buiten gesloten. De Joden waren het volk, en zij noemden de namen van Abraham, Izaak en Jacob elk oogenblik. Dat deze voorouders leefden geloofden zij. In den hemel (die voor de Joden was) zou men aanzitten met Abraham, Izaak en Jacob. Daarom was het zoo on-nationaal en zoo on-Joodsch en zoo on-geloovig van de Sadduceën om de opstanding te loochenen. Dan waren Abraham, Izaak en Jacob dood en weg. Wat was dat een ruwe loochening van een diepgaande waarheid !
En de Heiland Zelf zegt : Wat denkt gij dan, dat Hij, Die Zich de God van Abraham, Izaak en Jacob noemt (bij 't brandend braambosch) een God der dooden is ? Neen, God is een God der levenden. Abraham, Izaak en Jacob zijn niet dood, zij leven !"
Maar als de Parizeen al hun hoop op hun voorouders. stellen en roemen in Abraham, Izaak en Jacob, zegt de Schrift, dat zij het geloof van de voorouders missen, en omdat zij dat geloof van Abraham, Izaak en Jacob missen, missen zij alles. De voorouders hadden in 't geloof den beloofden Messias verwacht en zij hadden de beloofden omhelsd, uitziende naar het heil des Heeren. De Geest van Christus werkte in hen en deed hen op Christus hopen, om in geloofsverwachting met Hem te leven en, met het geloofsoog op Hem geslagen, te sterven. „Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere", zei Jacob. En Job sprak : „ik weet, mijn Verlosser leeft." Maar dat geloof was in de Parizeen en in 't midden van het Joodsche volk helaas ! niet werkzaam. Ze hoopten op andere dingen, zoekende gerechtigheid des vleesches.
En zoo komt het, dat, als de Beloofde aan de voorvaderen voor hen staat en in hun midden optreedt, en in hunne steden predik, zij Hem niet begeeren ; en hun ongeloof maakt, dat zij zich ergeren aan den Heiland en Zaligmaker, van Wien hun voorouders hadden geprofeteerd.
Neen, de voorouders Abraham, Izaak en Jacob kunnen hen niet helpen. Het gaat om het geloof van Abraham, Izaak en Jacob. Het gaat om Hem, dien de vaderen hebben verwacht, en Die nu, naar Gods liefderijk bestel, verlossing heeft te weeg gebracht.
Dwaas en ijdel is het te pochen met de voorouders, als men den geest der voorouders mist.
Met de voorouders saam te wandelen in de vreeze Gods is een openbaring van Gods genadeverbond, waarbij alle heil ligt in Christus Jezus, onzen Heere !
DE OUDERS BIJ DEN DOOP
Het is goed dat prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut" nog eens uiteenzet, dat de Roomsche Kerk heelemaal niet rekent met de ouders van het kind, dat ten doop gebracht wordt bij den priester, 't Gaat daar om degenen, die men als de „geestelijke" ouders van het kind beschouwt en op de „natuurlijke" ouders wordt minder gelet. Inplaats van de ouders treden bij Rome de „geestelijke" ouders op, ook wel genoemd de „Godvader" en de „Godmoeder", die het kind ten doop heffen en de verantwoordelijkheid dragen voor de religieuze opvoeding van het kind.
De Luthersche en de Anglicaansche Kerk hebben dit stelsel van „doop-ouders" of „doop-heffers" overgenomen, waarbij de ouders ook min of meer „los" komen staan van den doop van hun kind. De „geestelijke" ouders leggen dan de belofte af „dat zij willen dat dit kind gedoopt zal worden in den doop van onzen Heere Jezus Christus" (zooals Zwingli van de „godvaders" en „godmoeders" vroeg).
Prof. K. schrijft dan : „Ik wijs hierop, omdat juist door deze tegenstelling te duidelijker in het licht kan treden, welk een geheel ander standpunt door Calvijn en de Gereformeerden wordt ingenomen".
„In de doopliturgie van Zwingli komt niet tot uiting dat de kinderdoop gegrond is op de belofte van het Genadeverbond ; niet de vader, maar de „doopheffer" treedt hier op". Calvijn daarentegen heeft de rechten van de ^ ouders weer hersteld bij den doop van het zaad des verbonds. En als hier dan gesproken wordt met name van den vader, dan zit hier volstrekt niet in, dat de rechten van de moeder worden ontkend. „Dat wel degelijk de moeder-rechten en - plichten erkend worden bij den Doop, blijkt hieruit, dat in de oudste doopliturgie van de Gereformeerde Kerken, n.l. die van a Lasco te Londen, in de derde doopvraag staat : erkent gij vaders, dat het uw" plicht en roeping is met uwe vrouwen, de moeders dezer kinderen, dat gij deze kinderen, die door u ten doop aangeboden worden, wanneer zij beginnen op te wassen, hebt te onderwijzen in de ware kennisse Gods en de ware religie ? "
Tegen „doopgetuigen" hebben de Gereformeerden nooit bezwaar gehad, mits ze optraden naast de ouders. Maar het gaat om de ouders, en wel om den vader èn de moeder !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's