MEDITATIE
OM TE OPEN DE BLINDE OOGEN
Jesaja 42 vers 7a.
Wat zal toch dit kindeke wezen ? We kunnen begrijpen, dat zóó gevraagd werd met het oog op het kind van Zacharias en Elisabeth. Een kind, dat niet meer verwacht werd en waarover zich deswege niet alleen de ouders, maar ook de familie en de bekenden ten zeerste verheugden. Dat moest een Zacharias zijn ! Van den geboortestond tot aan de besnijdenis was zóó door allen gedacht. Wat waren ze verwonderd, dat de Moeder daar niet enthousiast mede instemde en zelfs een naam noemde, welke heel niet in de familie voorkwam. Ten hoogste stonden ze verbaasd, toen Zacharias schreef: „Johannes is zijn naam". De indruk van een en ander werd vergroot door het feit, dat meteen de tong van Zacharias los kwam en hij God loofde. Geen wonder, dat toen met bijzondere belangstelling naar dien kleinen Johannes werd gezien en de vraag opklom, wat het toch met dat kindeke worden zou.
Het wordt in de familie nog wonderlijker. Aan Elisabeth's nicht, Maria, wordt in Bethlehem, waarheen 't bevel tot de beschrijving, door Keizer Augustus gegeven, haar geleid had, een zoontje geboren. Dat geschiedde in een stal, waar de kribbe de wieg werd. Engelen worden er de boodschappers van, in den nacht, aan herders in het veld bij de kudde. Een wonderlijk lied klinkt daarbij over de velden van Efratha, een lied, gezongen door een menigte des hemelschen heirlegers. We kunnen ons indenken, dat de vragen zich vermenigvuldigden in de harten dier herders en dat zij heengingen om dat zoo bijzonder aangekondigd Kindeke in Bethlehem te zien. Er was onderworpenheid, omdat de boodschap zoo kennelijk van God kwam.
Zij aanbaden, omdat de Heere hen leidde.
Zij waren vol van zooveel, hetwelk niet werd begrepen.
God heeft ons wat beters bereid, zooals Paulus dat zegt. Wij weten uit de Schriften, dat dat kind van Elisabeth de Wegbereider vóór den Christus henen uit mocht zijn. Johannes zou de boetprediker wezen, die door zijn machtige prediking van zonde en oordeel den schrik des Heeren zou doen verstaan. Hij zou ook de Wegwijzer zijn, die de voor het oordeel bevenden toe mocht roepen : Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. En dan weten wij uit diezelfde Schriften, dat het Kind van Maria de Messias, de Zaligmaker zou blijken, zoolang reeds beloofd als te zullen komen om het Israël Gods uit allen nood-en dood te verlossen. Wij weten, dat Hij den losprijs zou betalen, waardoor er ontkoming zou wezen voor de in de macht van den Vorst der duisternis beknelden. Wij weten, dat Hij blijken zou de Middelaar Gods en der menschen te zijn. Die door Zijnen dood te niet zou doen dengene, die het geweld des doods had, dat is den duivel. Wij weten, dat Hij door Zijne Zelf-offerande in eeuwigheid volmaken zou degenen, die geheiligd worden. Wij weten, dat in Hem zou uitkomen wat David reeds in profetisch schouwen mocht openbaren : „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer ; Gij hebt Mij de ooren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeischt. Toen zeide Ik : Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen ; en Uwe wet is in het midden Mijns ingewands". Wij weten, dat het achter Hem door den apostel en door allen, die in Hem zouden gelooven met hen, zou kunnen geroemd: Jezus Christus is het einde der wet tot rechtvaardigheid voor een iegelijk, die gelooft. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.
Groot is er aldus een onderscheid tusschen de tijdgenooten van de geboorte van den Christus Gods en ons. Maar moeten we niet met schaamte belijden, dat bij óns wel wat, wel veel méér leven mocht van de vraag, bij de besnijdenis van Johannes gedaan: Wat zal toch dit Kindeke wezen? En dat we dan zóó nadenkend in den geest stonden bij de kribbe van Bethlehem ? Het is toch moeilijk voor tegenspraak vatbaar, wanneer ik beweer, dat wij allen van huis uit wel eenigen indruk hebben medegekregen van de groote genade van God, welke in Zijnen Christus verschenen is. Moet ik zelfs niet sterker nog spreken ? Hoevelen hebben niet aangevoeld, dat het alleszins noodig is, dat wij den Heere Jezus kennen als voor ons geboren zijnde uit de maagd Maria, geleden hebbend onder Pontius Pilatus, zijnde gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derden dage wederom opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel.
Moet ik nog niet verder gaan ? Velen — en het verblijdt ons — hebben zich bij het opwassen aan de Waarheid Christi zóó verbonden gevoeld, dat ze met warmte loepen in den pas van: verbreiding en verdediging der Waarheid Maar.... hebben we ons nu al wel ernstig tegenover de vraag gevonden wat Kerstmis, wat de geboren Koning der Joden, wat Jezus voor ons beteekent ? Het zal er toch voor een iegelijk van ons op aankomen, niét of we wel weten wat van den Christus Gods allemaal voorzegd is en wat van Hem allemaal in de Evangeliën en de Brieven verkondigd en uiteengezet is, maar of die Christus van Bethlehem—^Golgotha door ons gekend wordt in de Godsbedoeling van Zijn komst op aarde. Rusten we toch niet vóór we ons met het oog op de Kerstgebeurtenis van Bethlehem's nacht mogen verblijden in de zalige wetenschap, dat Hij voor ons is gekomen, opdat wij Hem zouden hebben als de Weg, de Waarheid en het Leven.
De Heere Heere heeft in de openbaring Zijns Woords niet stilgezeten, niet stilgezeten van den beginne aan, om over den Christus zooveel licht te laten vallen, dat we ons danig toetsen kunnen of er iets van de kennis van Jezus Christus tot zaligheid in ons is. Nemen we nu enkel maar dat korte woord uit de profetieën van Jesaja, boven deze overdenking geplaatst. Daarin wordt het ons van Godswege gezegd, dat Jezus Christus gekomen is om de blinde oogen te geven. Wanneer we dus kennis aan Jezus zullen hebben, dan zal in ons spreken dat bekende : èèn ding weet ik, dat ik blind was, maar nu zie. Gedurig weer kan het ons ontroeren, dat de mensch van nature niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn, dat ze hem dwaasheid zijn. Met name in de dagen, waarin we leven, komt dit zoo schrikkelijk uit. Wat een ongodisterij, wat een spotten met de heilige dingen, wat een minachting voor degenen, die zich nog ten volle willen houden aan de Waarheid Gods. De paleizen voor wereldsch genot vermenigvuldigden en vermenigvuldigen. Ze zijn gedurig weer tot berstens vol. De kerken worden bouwvallig en kunnen moeilijk gerestaureerd, er worden er gesloten, omdat de leegte medebrengt, dat de noodige financieele steun wordt gemist. De boekenmarkt is flauwtjes, ja verre beneden pari, wanneer het realisme de boeken niet wat pikant maakt, want de echte christelijke boeken zijn verouderd en afgezaagd. Waar zouden we enden, wanneer we in dezen alles de revue zouden willen laten passeeren. Blijven we op ons eigen terrein, wat is er veel, dat van blindheid gewaagt, getuige met name het feit, dat men elkander geestelijk vermoordt, omdat er in ondergeschikte zaken eenig verschil van gevoelen spreekt. Ja, het is wel ontzettend, zoo blind als de mensch is ! Maar is ten slotte niet dit het ergste, dat we van jongs af de Schriften geweten hebben, de sprake van Wet en Evangelie gehoord, en dat we desondanks rustig kunnen voortleven zonder te vluchten naar de vrijstad, welke Christus is. Dat is het wat Jesaja in ons Bijbelwoord van den Christus zegt : Deze zal die dingen doen verstaan. Heeft Hij Zelf niet getuigd, dat de Heilige Geest de wereld overtuigen zou van zonde, omdat zij in Hem niet gelooven. Dat is het eerste wegnemen van de schellen op de oogen, dat ingezien wordt, dat we vergaan, omdat we onrein zijn temidden der onreinen. Maar daar laat deze „Oogenarts" het niet bij, met eerbied gezegd. Hij ontsluit dan ook de oogen voor de heerlijkheid van het Evangelie des Kruises. Hij is toch naar Zijn eigen zeggen, niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar te behouden. De Heilige Geest zou niet alleen overtuigen van zonde, maar ook van gerechtigheid, dat is van de gerechtigheid, welke Jezus heeft verworven, voldoening teweeg hebbend gebracht. Als dat gebeurt, dan wordt het een zalig zien, want dan wordt de nacht, door de eerste behandeling openbaar geworden, verkeerd in den dag, dan doorleven we : in Uw licht zien wij het licht. En dan houdt het oogen-gevend werk des Heeren niet op. Gedurig weer ontdekt Hij voor het zielsoog de algenoegzaamheid en dierbaarheid, den rijkdom in één woord van „Immanuël".
Lezer, lezeres, onderzoeken we ons zelf of we reeds gelooven kunnen, dat de Christus Gods door Zijn Geest onze oogen heeft geopend, of we de Wet als tuchtmeester tot Christus kennen en Christus als het einde der Wet tot rechtvaardigheid. Dan deelen wij in het doel van de komst van Immanuël, gekomen om de blinde oogen te openen. Dan zullen we ook ervaren, dat Hij de Rotssteen is. Wiens werk volkomen is. Dan zal ook ons toevoorzicht kunnen zijn het nieuwe Jeruzalem, waarvan geldt: aldaar zal geen nacht zijn. Daar zullen we zien aangezicht tot aangezicht tot eeuwige verlustiging in God alles en in allen !
de Bilt
H. A. d. Geus
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's