UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus brief aan de Galaten.
Omdat Christus dus een spot is onder Zijn christenen (want zoo willen zij toch genoemd worden), en Kaïn voortdurend Abel doodslaat, en de boosheid van Satan sterk de overhand heeft — daarom is het hoog noodig, dat wij deze dingen eens grondig bespreken en positie nemen tegenover den Satan : hetzij wij stamelen als de kinderen, hetzij wij welbespraakt zijn ; hetzij wij onder de geleerden, dan wel onder de ongeleerden gerekend kunnen worden. Want indien alle menschen zwijgen zouden, dan moesten toch zelfs de steenen en rotsen luide getuigenis afleggen van deze zuil des geloofs. (Lukas 19 vers 40).
Derhalve wil ik ook in dit opzicht gaarne doen, wat ik verplicht ben, en ik erken, tiat deze zeer uitvoerige verklaring het licht ziet, om de broeders in Christus op te wekken om pal te staan tegen de raadslagen en het woeden van Satan, die in deze laatste, zeer ernstige tijden met zulk een razernij tegen deze heilzame kennis van Christus, die weer opnieuw aan de orde gesteld werd, is uitgevaren, dat 'thans de duivelen door nog duivelscher wezens, dan zijzelf zijn, schijnen bezeten te wezen, en op ongekende wijze woeden ; tot nog toe leek het, alsof alleen menschen door duivelen bezeten en uitzinnig konden zijn.
De Satan doet dit alles, omdat deze vijand van waarheid en leven wel voelt, dat de schrikkelijke dag zijner veroordeeling steeds meer nadert ; die dag toch zal aan Satans tirannie voor goed een einde maken, doch wij zien met verlangen naar hem uit, daar hij voor ons de heerlijke dag onzer verlossing zal zijn. Het is niet zonder reden, dat een groote ontsteltenis zich van Satan meester maakt, want alle leden en krachten begeven hem, evenals een dief of overspeler, die betrapt wordt, als de zon opgaat, en daardoor zich verraden ziet.
Wie heeft ooit gehoord (om van den gruwel des pausdoms maar te zwijgen), dat er eensklaps zooveel wanstaltigheden voor den dag gekomen zijn, als wij dezer dagen alleen al in de Wederdoopers zien ! In die lieden toch kon de duivel niet schrikkelijker woeden, wanneer hij zijn koninkrijk den laatsten adem wilde doen uitblazen ; het lijkt wel, of hij plotseling door middel van hen niet alleen de heele wereld onderstboven. wil keeren, maar ook, of hij door ontelbare secten den geheelen Christus en Zijn gemeente verslinden wil.
Op deze manier gaat de Satan niet te keer tegen andere levenshoudingen of meeningen van menschen, als daar zijn : overspelers, dieven, moordenaars, meineedigen. goddeloozen, kerkroovers en ongeloovigen. Hij laat dezulken zelfs met rust, en als zij in z'n gebied komen, dan vleit hij ze en Iaat hen begaan. Evenzoo heeft hij, bij de stichting der Kerk, alle afgoderij en valschen godsdienst over de gansche wereld rustig laten bestaan ; maar wat meer is : hij heeft dit alles bevorderd ; Christus' Kerk en Zijn leer daarentegen heeft hij op alle manieren bestookt ; terwijl hij later alle ketters met rust liet. verontrustte hij alleen de algemeene christelijke leer. Ook op den huldigen dag houdt de Satan zich slechts bezig met zijn hoofdwerk, dat daarin bestaat: onzen Heere Christus te vervolgen, (Die onze Gerechtigheid is, zonder onze werken), gelijk er van hem geschreven staat : „Gij zult het zaad der vrouw de verzenen vermorzelen". (Genesis 3 vers 15).
Met onze gedachten over dezen brief van den heiligen Paulus kom ik niet zoozeer tot den duivel en zijn trawanten, dan wel tot mijn broeders in Christus. De laatsten 'toch zullen mij óf in den Heere danken voor mijn arbeid, óf zij zullen mij m'n onmacht tot beter werk en m'n vermetelheid ten goede houden. Het zou mij namelijk leed doen, wanneer dit mijn werk door de goddeloozen werd goedgekeurd ; veel liever heb ik, dat zij, tezamen met hun god, den duivel, er door worden geprikkeld, daar ik dezen zwaren arbeid slechts verricht heb voor dezulken, voor wie Paulus zelf dezen brief geschreven heeft, namelijk voor de verontruste, bedrukte, geplaagde, en. wat hun geloof aangaat, aangevochten Galaten ; want alleen deze verstaan deze dingen. Wie tot deze soort menschen niet hooren, — laten die zich wenden tot papisten, monniken, wederdoopers en vele andere leeraren van ..diepzinnige" wijsheid en eigenwilligen godsdienst. Laten dezulken gerust hetgeen wij leeren verachten, en vooral niet hun best doen, om onze leer te verstaan.
Hierin komen papisten en wederdoopers heden ten dage grondig overeen, wat betreft hun houding tegenover de Kerk Gods, (hoezeer zij zich zulks trachten te ontveinzen), dat Gods werk afhangt van de waardigheid des persoons. Want de wederdoopers leeren. dat de doop niets is, tenzij de persoon, die gedoopt wordt, gelooft. Uit dit principe, zooals men dit noemt, volgt noodwendig, dat alle werk Gods niets is, wanneer de mensch niet goed is. De doop echter is een werk Gods, maar de verdorven mensch bewerkstelligt, dat hij géén werk Gods is. Hieruit volgt verder, dat het huwelijk, de overheid en de dienstbaarheid, instellingen Gods zijn, maar omdat de menschen verdorven zijn, daarom zijn zij géén werken Gods. Ook de goddeloozen hebben de zon, de maan, de aarde, het water, de lucht en alles, wat den mensch onderworpen is ; maar aangezien zij goddeloos en niet-vroom zijn, is de zon géén zon, en de maan, de aarde, het water en de lucht niet, wat ze zijn.
Dientengevolge hebben de wederdoopers, vóór hun wederdoop, geen echte lichamen en zielen gehad, daar zij toen nog niet vroom waren. Evenzoo zijn hun ouders geen ware echtgenooten geweest, gelijk zij belijden, omdat zij nog niet wederom gedoopt waren. De Wederdoopers zijn dus bastaarden en al hun ouders zijn overspelers en hoereerders. Niettemin erven zij de goederen van hun ouders, hoewel zij bekennen, bastaarden en onwettige erfgenamen te zijn.
Wie ziet bij deze dingen niet in, dat de Wederdoopers geen bezeten menschen, maar dui velen zijn, die door nóg boozer geesten worden beheerscht ?
Ook de papisten gaan nog steeds door, om tegenover de genade Gods de goede werken en de waardigheid des persoons staande te houden ; zoodoende ondersteunen zij, althans mei woorden, krachtig het streven der Wederdoopers, die in dit opzicht hun broeders zijn. Want bij deze vossen zijn de staarten aan elkander gebonden (Richteren 15 vs. 4) ; hun hoofden zijn echter gescheiden. Wat het uiterlijke betreft, doen de papisten het voorkomen, alsof zij groote vijanden van de Wederdoopers zijn ; niettemin koesteren beiden heimelijk de zelfde gevoelens, en leeren en verdedigen zij stellingen, die ingaan tegen den eenigen Heiland Christus, Die alleen onze gerechtigheid is (Jeremia 23 vers 6 en 33 vers 16).
Laat ieder, die kan, deze belijdenis vasthouden. De overigen, die schipbreuk lijden, moeten op laten drijven, waarheen de zee en de wind willen, totdat zij weer naar het schip terugkeeren, of naar het strand zwemmen.
De hoofdzaak en het einde der verschillen ligt hierin, dat men geen rust krijgt, of op geen beëindiging van den strijd behoeft te hopen, zoolang Christus en Belial het niet zijn eens geworden. Het eene geslacht gaat, en het andere komt ; wanneer de eene ketterij verdwijnt, dan verschijnt de andere, want de duivel slaapt of sluimert niet. Hoewel ik zelf niets ben, kan ik, die nu twintig jaren in den dienst van Christus heb gestaan, naar waarheid betuigen, dat ik door meer dan twintig secten ben aangevallen, van welke sommige totaal te gronde gegaan zijn, en andere als afgerukte ledematen van insecten liggen te stuiptrekken.
Dagelijks verwekt de Satan echter nieuwe secten : god van de kliekgeesten als hij is ! Onlangs ontstond er nog een secte, waarop ik nu allerminst gerekend of gehoopt had, namelijk de secte dergenen, die leeren, dat de Wet der Tien Geboden uit de kerk moet worden verwij'derd, en dat de menschen door geen wet moeten verschrikt, maar vriendelijk vermaand behooren te worden door de genade, die in Christus is, opdat het woord van den profeet Micha vervuld worde, als hij zegt : „Profeteert gijlieden niet" (hoofdstuk 2 vers 6), en : „Gij zult niet druppen tegen ons" (Amos 7 vers 16). Alsof wij niet zouden weten en nooit geleerd hebben, dat de beangstigde en verslagen harten door Christus kunnen wórden opgericht ! De verstokte pharao's echter, wien de genade Gods tevergeefs is gepredikt, moeten door de Wet verschrikt worden, om de openbaring des toorn boozen en ongeloovigen voor te houden, alsof de Wet iets anders zou kunnen zijn, dan openbaring des toorns. Zoo groot is de verblindheid en de hoovaardij dezer lieden, die zichzelven veroordeeld hebben ! (Titus 3 vers 11).
Daarom moeten de dienaren des Woords er van overtuigd zijn, willen zij in de dag van Christus trouw en voorzichtig bevonden worden, dat Paulus niet voor niets gesproken en geprofeteerd heeft : „Er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u" (1 Kor. 11 vers 19). Laat, zoo zeg ik, een dienaar van Christus weten, dat, zoolang hij Christus zuiver verkondigt, het hem aan kwaadwillige lieden niet ontbreken zal ; ook niet uit eigen kring, die zich moeite zullen geven om verwarring te stichten in de Kerk. Laat hij zich sterken door de troost, dat er geen samenstemming kan bestaan tusschen Christus en Belial (2 Kor. 6 vs. 15), of tusschen het zaad van de slang en dat der vrouw (Genesis 3 vs. 15). Wat meer is : laat hij er zich over verheugen, dat secten en oproerige geesten hem belagen zonder ophouden. „Want onze roem is deze, namelijk het getuigenis van ons geweten" (2 Kor. 1 VS. 12), opdat wij mogen bevonden worden, te strijden aan de zijde van hen, die het opnemen voor het vrouwenzaad tegen het zaad der slang. Laat deze ons maar in de hielen bijten, en daarmede niet ophouden. Wij voor ons zullen 'niet ophouden, om hem de kop te verpletteren, door Christus, , Die, als eerste en laatste slangenvertreder, geloofd zij tot in eeuwigheid !
Amen.
D.
d. Zwart
Opmerking.
De lezer zal bemerken, dat dit „Woord Vooraf" van Luther, zonder bepaald zwaar te zijn, toch eenigszins ingewikkeld van stijl en inhoud is. Het letten op de leesteekens bevordert het verstaan van de stof echter in hooge mate.
Tegen het einde van ons vorig artikel zijn in een zin enkele leesteekens verwisseld. Daardoor wordt de inhoud dier passage onduidelijk. Zij moet aldus gelezen worden :
Want onder den Naam van Christus hebben dezulken heden ten dage de overhand ; wanneer zij deze heerschappij zonder Christus' Naam konden handhaven, dan zouden ze naar buiten eenzelfde getuigenis aangaande Hem afleggen, als er nu in hun hart leeft.
d. Zwart
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's