MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Voor dominé Lauwers zelf had 't wel iets vreemds, toen hij bij vrouw Kalma in de kamer stond. Deze was juist bezig geweest met Pleuntje op fluistertoon te spreken over den ernst van het geval, terwijl uit het nabije vertrek telkens de stem van den kranke gehoord werd, die in onsamenhangende ijlwoorden onbewust de verwarring van zijn verhit brein verried.
„Is 't erg met den patiënt, vrouw Kalma ? " vroeg hij zacht, daarbij meteen den blik op Pleuntje werpend, die haar tranen wegveegde.
„De dokter vindt den toestand zeer ernstig, dominé. De koorts is bijna 40 graden en pas is ze even gezakt of ze gaat opnieuw stijgen. Daarbij die pijn in de borst en dat hijgen ; 't is niet uit te houden voor een mensch".
„En is hij zoo druk en buiten kennis ? "
„Bijna onafgebroken, en soms nog veel erger. Jurjen heeft er af en toe werk genoeg mee, hem in het bed te houden, 't Komt van de benauwdheid, moet u denken".
„En kan de dokter niet iets ter verlichting of verzachting geven ? "
„De dokter doet zijn uiterste best genoeg, maar is ook een mensch. God alleen kan hier nog helpen".
Dat laatste woord, met besliste overtuiging uitgesproken, maakte het in den predikant nog onrustiger. Ja, zóó was het. Als het er aan toe kwam, stond die groote mensch met al zijn kennen en kunnen spoedig machteloos, doch des te meer drong de vraag zich aan hem op „Waarom dit alles !" Waarom bij die grootheid van den mensch die machteloosheid tevens, waardoor hij buigen moest, soms in de kracht van het leven, voor het doodsgeweld ? En waar ging hij dan heen ?
„God alleen kan nog helpen", had vrouw Kalma gezegd op een toon, die duidelijk weergaf hoe deze overtuiging leefde in haar ziel en zij hier iets uitsprak, wat in haar eigen leven doorworsteld scheen. „Maar waarom hielp God dan niet en waarom zond Hij al dat lijden in de wereld of stond dit althans toe, indien Hij bij machte was dit weg te nemen ? " Hij kon daar niet bij.
„Geef dan maar vijf en dertig cent ; 't is anders duurder, maar omdat er een klein schilfertje uit is". — „Watblief ? " — „Moet je niet koopen, als je niet betalen kunt". — „Vort, kedde ; we zullen zien, dat we thuis komen. We krijgen beiden honger, nietwaar ? "
„Zou hij honger hebben ? " fluisterde Pleuntje, die met de anderen naar de wartaal van den kranke stond te luisteren. Doch vrouw Kalma schudde het hoofd.
„Hu, guur weertje, hoor". — „Neen, 't hindert niet". „Weg, Jurjen ! 'k Moet er uit ! 'k Moet naar „Lucht en Veld !" — „Och, laat mij toch los !" — „Waarom dit geplaag hier toch ? " — „Wat hebben de menschen d'r aan om elkander 't leven zoo lastig te maken !" — „Ik moet weg, zeg ik je ! Ik moet naar boer Siderius. Ik heb daar een boodschap, waar haast bij is !" — Neen, niet aan Pleuntje, aan den boer en de vrouw". — „Geloof mij toch !" — „Ik wil hier weg !"
En de daad bij het woord voegende, zou hij zeker door Jurjen niet te houden zijn geweest, als de verschijning van ds. Lauwers hem niet eenigermate had gekalmeerd. Aanstonds stond deze bij het bed, toen hij merkte hoe hulp noodig was.
„Stil liggen gaan. Murk, Jurjen meent het zoo goed met je", sprak hij.
Met een vreemd oog keek de kranke hem aan. Plotseling werd hij stil, als om zich te herinneren wie het was, die daar sprak. Toen scheen 't eenigszins tot hem door te dringen met wien hij te doen had.
„Moet ik liggen gaan ? " vroeg hij. En toen de dominé hem daarop datzelfde nog eens zeide, zonk zijn hoofd langzaam achterover in de kussens, terwijl zijn blik onafgebroken op den bezoeker gevestigd bleef.
Met een oog vol medelijden keek ds. Lauwers op den patiënt neer. Wat was de mensch ! Hoe hijgde die borst en hoe wild en tevens hoe vermoeid staarde die blik. Geheel onbewust van zijn toestand, lag de zieke daarneer. 't Was, zooals vrouw Kalma gezegd had : „God moest hier helpen en anders werd het een verloren zaak".
Even loken de oogleden zich. Een onrustige sluimering scheen een oogenblik de vermoeienis van het lijden te verlichten, om deze evenwel aanstonds weer te doen toenemen, waarin allerlei wartaal, waarbij zich soms ook wel iets van den doorworstelden strijd dèr laatste tijden naar buiten openbaarde, uitgebracht werd.
En dan was de kranke weer in gesprek met de klanten, en dan meende hij een loopenden wissel te moeten betalen, en dan bad hij weer of begon te zingen, een psalm of een lied uit den bundel, en dan moest hij weer op reis of naar huis of riep hij om Pleuntje, die dan oogenblikkelijk aan zijn zijde was, snikkend, maar van wier droefheid hij niets merkte.
„'t Is aandoenlijk", zei ds. Lauwers, toen hij stil de ziekenkamer uitkwam en nog even met vrouw Kalma sprak. Daarna informeerde hij, hoe de ongesteldheid was opgekomen, waarbij hem de reis in 't ruwe herfstweer naar „Lucht en Veld" niet verzwegen werd, en ging toen heen met de belofte van spoedige wederkomst.
En dit woord heeft hij gehouden. Hoe vreemd mevrouw er ook van opkeek en hoe het haar een raadsel was, dat haar man zich zóó opofferen kon, gelijk zij het noemde ; hij ging eiken dag informeeren hoe de zieke het maakte en of hij ook iets voor hem doen kon, om zooveel mogelijk te deelen in het leed en dit te verzachten.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's