De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID

10 minuten leestijd

In zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen, en dit zal zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen : „de Heere onze gerechtigheid". Jeremia 23 vers 6.

Het waren donkere dagen die de profeet Jeremia doorleefde. Hij getuigt immers zelf dat hij de man is, die ellende gezien heeft. Hoor maar, hoe hij klaagt: ,,Gaat om door de straten van Jeruzalem, zie nu toe en verneem of gij iemand vindt, die recht doet, die waarheid spreekt, zoo zal Ik hem genadig zijn.
Jeremia wist het: God zou de boosheid van zijn volk wreken. Koningen en onderdanen wedijverden in goddeloosheid, profeten en priesters deden in den wedloop der zonde mede. Maar toch was er nog een hoop, niettegenstaande de menigvuldige overtredingen van dit volk. Niet van den kant van het volk, dan was er geen enkele reden, dat God het nog genadig zou zijn. Doch de Heere nam redenen uit zichzelf, en dat deed de profeet nog hopen.
Daarom zegt de Heere: „Want ziet, de dagen komen, dat ik David een rechtvaardige spruit zal verwekken, die zal koning zijn en regeeren en voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op aarde en in zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen, en dit zal zijn naam zijn, waarmede men hem noemen zal: „de Heere onze Gerechtigheid".
In zijne dagen. Welke dagen werden hier­ mee bedoeld ? Wel immers die dagen, waarnaar met zulk een verlangen door de ouden was uitgezien, die het elkander hadden toegeroepen : „Wanneer zal die tijd aanbreken ? " De dag van de vleeschwording des Woords, de dag van de komst van den Heere Jezus Christus. Dus hiermee wordt bedoeld de gansche tijd, dat. de Heere Jezus als vleeschgeworden Woord zou toeven op de aarde. Al dat werk, dat Hij op zich ging nemen tot verlossing van 's Heeren Kerk, tot redding van armen en ongelukkigen, die het leven bij zichzelf niet meer vinden kunnen.
Maar dan hebben die dagen immers nog geen einde. Want als daar nog een volk gevonden wordt te midden van de openba: : ; ring der zonde : „Ach, wanneer ? " — dan mag nog gepredikt worden : In zijne dagen zal Juda verlost worden.
Wij zouden haast zeggen : dit is toch een onmogelijke zaak, die hier wordt beschreven. Die koning van Babel was zoo geweldig machtig en zou dit amechtige Juda nu nog ontkoming vinden en Israël dat onderling verwoest en verteerd was, nog een zekere woonplaats vinden ?
Het had toch voor de legerscharen van die geweldige veroveraars moeten bukken. Het had zijn best nog wel gedaan om zich staande te houden, doch het was niet gelukt. Het had zijn kracht ingespannen om zich staande te houden, doch 't was alles te vergeefs geweest. Als een machteloos veldhoen op de bergen was het voortgejaagd. En wat was nu die ongewapende bende. Als een goed uitgerust volk had het zich niet kunnen verdedigen, en hoe zou het nu zich aan de handen van die ontzettende Babylonische macht kunnen ontwringen.
Onmogelijk, zegt het ongeloof. En toch zal het geschieden. Want in zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zal zeker wonen, zegt de Heere. En wanneer voor Juda en Israël er straks nog een tijd zou aanbreken, dat zij uit de ballingschap verlost zouden worden, zou dit dan tevens niet een belofte zijn voor dat geestelijk Juda en Israël ? Is dat woord niet een rijke toezegging voor alle tijden en eeuwen ? Het geldt voor de Kerk des Heeren in haar geheel. Want al mag dat Babel van vroeger vernietigd zijn, zoodat van al die glans en majesteit niets meer overgebleven is, daar is nog een ander Babel, dat wij niet ver behoeven te zoeken, zoo sterk, zoo geweldig uitgebreid, zoo machtig dat tegenover die tegenpartij geen enkele verdediging in ons gevonden wordt.
Het is die geestelijke vijand, die het op den totalen ondergang van den mensch heeft aangelegd, 't Is een strijd, die reeds begonnen is in het Paradijs. Toen kwam de Satan reeds met het woord: „Is het ook, dat God gezegd heeft".
En die strijd is doorgegaan, alle eeuwen.
De vorst der duisternis meende een volkomen overwinning te behalen, toen het hem gelukte van het beloofde vrouwenzaad de verzenen te vermorzelen, doch met den dood van den Zaligmaker is hem de doodsteek toegebracht. En nu wordt er niet één van alle reizigers naar het hemelsche Sion gevonden, of zij maken kennis met dien vijand. De Zaligmaker zei: In de wereld zult gij verdrukking hebben. Dat geestelijk Babel kunt gij terugvinden onder allerlei omstandigheden, waardoor de Kerk van God verdrukt wordt. Gij kunt het terugvinden in uw eigen hart.
Maar als dan het woord weerklinkt: „In zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen", dan zegt het ongeloof des harten, dat er zoo spoedig bij is : „Onmogelijk, hoe zou dit toch kunnen geschieden ? " Doch de Heere zegt: „In zijne dagen zal het geschieden". En dan werkt de Heere de hope in het hart, dat Hij het doen zal op Zijn tijd. De hoop, dat bij den Heere nog gedachten des ontfermens zijn over een volk, dat zich zelf zoo gruwelijk in de ellende gewerkt heeft, door den Heere los te laten. Zijn Woord te verachten, de wereld, de zonde gewillig gehoorzaamheid te verleenen. En hoewel de ziel zich de verlossing nog o zoo verre denkt, toch klemt hij zich vast aan de belofte : In zijne dagen zal Juda verlost worden. In de dagen van dien Immanuël, God met ons, zal het geschieden ; dan zullen de banden losgemaakt worden, dan zal er vrijheid genoten worden, dan zal er blijdschap het hart vervullen, dan zal Israël zeker wonen.
Zoó veilig en zeker zullen zij wonen, dat de inwoners getuigen kunnen : Wij hebben een sterke stad. God stelt heil tot muren en voorschansen. Want blijdschap daalt er in de ziel en blijmoedig mag het wel eens uitroepen, als zij ziet op dit groote vooruitzicht, dat haar ten deel zal vallen; welnu, Heere Jezus, zijt Gij ons schild en loon, dan heb ik niet te vreezen, want Gij hebt de sleutels van dood en hel.
Die Koning is getrouw. Hij staat voor Zijn werk in. Waar het woord des Konings is, daar is macht, en dan pleit Hij voor Zijn volk : „Vader, Ik wil dat waar Ik ben ook die zijn; die Gij Mij gegeven hebt".
En wat zal nu de naam van dien Koning wezen, die men hem op dien dag geven zal ? Wel, daar geeft ons tekstwoord het antwoord op: „de Heere onze gerechtigheid". Gelukkig de mensch, die het buiten zich in den Heere alleen vinden mag, ook ijn gerechtigheid, waarmee hij alleen voor den Heere bestaan kan. Want het is geen kleine zaak, die hier wordt uitgesproken.
't Is het eenige fundament, waarop wij steunen kunnen. Alleen in de gerechtigheid van dien Borg en Middelaar kunnen wij onze ongerechtigheid bedekt zien. De Heere eischt van den mensch een volkomen gehoorzaamheid van de Wet. Doe dat en gij zult leven, is immers de eisch. Een bantwoording aan de Wet in alle deelen.
Doch wie is tot deze dingen bekwaam ? En wanneer wij 't verstaan dat bij den mensch geen gerechtigheid is en hij het gevoelt, dat alles hem aanklaagt bij God, die te rein van oogen is dan dat Hij het kwade kan gedoogen, dan wordt de schuldige zondaar daar gewezen op dat Kindeke, dat geboren is en weerklinkt het: „In zijne dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen, en dit zal de naam zijn, waarmede men Hem noemen zal: „de Heere onze gerechtigheid".
*
Het waren donkere dagen voor het volk van Israël. Was dan nérgens meer een lichtglans te bespeuren! Kan Jeremia dan niet één woord van bemoediging laten vernemen ? Als hij op dat schuldige volk zag, was redding gansch en al onmogelijk. Voor zulke goddeloozen kan niet meer op verandering gehoopt worden.
Hij wist het, als de Heere bij Israël en Juda zelf gerechtigheid ging zoeken, zij zouden voor Zijn aangezicht niet kunnen bestaan.
Slechts van één zijde was er nog redding te wachten, n.I. als Jeremia eens over dat schuldige volk mocht heen blikken en eens zag op den Heere, die niet laat varen de werken van Zijn handen.
Zou de Heere het dulden, dat de naam an Zijn verbondsvolk werd uitgewischt ?
Wel zegt de Heere : „Ziet, de dagen komen dat Ik aan David een rechtvaardige spruit zal verwekken, en dit zal zijn naam zijn : de Heere onze gerechtigheid".
Ja, in dien Spruit van den afgehouwen ronk van Isaï zou er alleen redding mogelijk zijn en de glans van die gerechtigheid zou zoo groot wezen, dat de ongerechtigheid van dat volk gansch en al bedekt zou zijn. Want wanneer dat volk zeggen zal : „de Heere onze gerechtigheid", dan spreekt het daarmee uit, dat het in zichzelf zondig is en dat het in zichzelf niets bezit om er mee voor den Heere te bestaan.
Dan stemt het niet alleen toe, dat van onze zijde verzoening onmogelijk is, doch het drukt daarmee in aanbidding uit, dat de Heere Jezus dit groote werk op zich genomen heeft. Om dit werk te verrichten, heeft Hij kroon en troon verlaten, is Hij geboren in de schromelijkste armoede. De Borg heeft de wrake Gods over de zonde volkomen op zich genomen. Hij heeft den toorn Gods gedragen, als Hij de helleangsten heeft geleden en doorgestaan.
God was in Christus de wereld met zich verzoenende, hare zonden haar niet toerekenende.
Nu heeft die Christus de Wet vervuld.
Hij heeft dien eisch voldaan, opdat degenen, die onder de Wet zijn, verlost werden. Hij is een volkomen Middelaar, het onberispelijk Lam Gods dat geslacht werd.
Het reukwerk, dat den Heere een aangename reuk is. En dat werk van Christus is van zulk een oneindige waardij, dat het vergeleken wordt bij een kleed, waardoor de ongerechtigheid van Gods Kerk volkomen bedekt wordt.
Als wij belijden, dat de Heere Jezus onze gerechtigheid is, dan erkennen wij daarmee : in ons, o Heere, geen gerechtigheid ; doch wij drukken ook daarmee uit, dat de Heere Jezus dit groote werk der verzoening volbracht heeft.
In Christus wordt het nu anders. Want Hij heeft aan het recht Gods volkomen voldaan. In dien Christus ziet de ziel alles liggen wat van noode is om in een gegronde troost te leven en te sterven. In Christus verzoening voor al die zonden, die moedwillig en vrijwillig bedreven zijn.
In Christus, den Borg der ziel — laat het diep gegrift zijn in uw hart, o volk, dat den Heere vreest, zijt gij dan alsof gij nimmer eenige zonde deedt, alsof gij aan allen eisch der Wet volkomen voldaan hebt.
Gaat uw hart er naar uit, om dien Christus in Bethlehem's stal te mogen begroeten ? Of is het werk en de zaak van Christus nog een zaak, die u onverschillig laat ?
Wat baat het Kerstfeest u dan, als gij geen plaats hebt voor den Christus Gods.
Dat gij geen rust hebt, voordat gij het weten moogt, dat de Heere Jezus uw gerechtigheid is.
Weet gij dit ? Het kan u gedurig te groot zijn, als gij ziet op uw verdorvenheid. Den Heere is 't niet te groot, om zulk een werk van genade te verrichten aan een doemschuldige. Wanneer Jezus uw gerechtigheid is, dan is het werk ten einde. Dan roemt gij in vrije genade.
Nog een wijle tijds de reis voortgezet en dan is het :

Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis
Naar 't erfgoed daarboven in 't Vaderlijk huis.
Mijn Jezus geleidt mij door d' aardsche woestijn :
„Gestorven voor mij" zal mijn zwanenlied zijn.

Voorthuizen

W. L. Mulder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's