De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

9 minuten leestijd

De Sabbathsrust.
De eeuwige rust werd den Joden voorgesteld in de onderhouding van den Sabbath. Caïvijn voegt daaraan toe, dat de Heere ook Zelf het voorbeeld heeft gegeven, opdat met meer eerbied de onderhouding wordt betracht, wetende dat hij daarin de voetstappen van zijn Schepper drukt.
Vervolgens wijst hij op de verborgenheid van het getal zeven, hetwelk in de Schrift een getal der volmaaktheid is, en niet zonder reden tot een teeken van de eeuwige rust werd gekozen
Daarmede stemt overeen, dat de beschrijving van de opeenvolging der dagen en nachten in Genesis eindigt op den dag, op welken God van Zijn werken gerust heeft.
Misschien is er nog een andere beteekenis in te zien : t. w. dat de Sabbath nimmermeer zal vervuld zijn voor de laatste dag zal gekomen zijn.
Wij maken hier op den Sabbath een aanvang van onze zalige rust, en wij maken daarin dagelijks nieuwe vordering. Aangezien wij echter gedurig te strijden hebben met het vleesch, zal die rust niet eerder volkomen zijn dan wanneer het woord van Jesaja zal vervuld zijn omtrent de gedurige opeenvolging van de eene nieuwe maand na de andere, van den eenen Sabbath na den anderen, t.w. als God zal zijn alles in allen. (1 Cor. 15 vers 28).

Vindt iemand deze opmerking naar aanleiding van het getal zeven te spitsvondig, dan heeft Calvijn er geen bezwaar tegen, deze zaak eenvoudiger te verstaan, , n.l. zoo : De Heere heeft een dag verordend, waarop het volk zou geoefend worden door de onderwijzing der Wet om de eeuwige rust te overdenken.
Waarom dan de zevende dag werd aangewezen ?
Of omdat God dit genoeg heeft geacht, of omdat God aan Zijn eigen voorbeeld wilde gedachtig maken, of om te vermanen, dat de Sabbath dient om den mensch aan zijn Schepper gelijkvormig te maken.
Van de uitlegging hangt niet zooveel af, oordeelt Calvijn, indien maar de verborgenheid, welke daardoor wordt aangeduid, vast blijft, n. 1. dat wij gedurig moeten rusten van onze eigen werken.
Daartoe wekken de profeten steeds op, opdat de mensch niet meene, dat hij den Sabbath houdt, als hij alleen maar naar het vleesch rust. Vgl. Jesaja 58 vers 13 : Indien gij uw voet van den Sabbath afkeert, van te doen uw lust op Mijnen heiligen dag, en indien gij den Sabbath noemt eene verlustiging, opdat de Heere geheiligd worde ; die te eeren is ; en indien gij dien eert, dat gij uwe wegen niet doet, en uwe eigene lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt, dan zult gij u verlustigen in den Heere en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uwen vader Jacob ; want de mond des Heeren heeft het gesproken.

De plechtigheid afgeschaft.
Wat tot de plechtigheid en voorbeelding behoorde, zoo gaat Calvijn verder, is door de komst van Christus te niet gemaakt. Hij is de Waarheid, door Wiens tegenwoordigheid alle figuren verdwijnen. Hij is het lichaam, door welks aanschouwing de schaduwen wegvallen. Hij is de ware vervulling van den Sabbath.
Door den Doop met Hem begraven zijnde, zijn wij in de gemeenschap Zijns doods ingelijfd, opdat wij Zijner opstanding deelachtig zijnde, in nieuwigheid des levens zouden wandelen.
Daarom schrijft de apostel, dat de Sabbath is geweest een schaduw van de toekomende zaak, waarvan Christus het wezen is. (Col. 2 vers 16, 17).
Deze is niet tevreden met één dag, maar eischt het gansche leven, totdat wij ons zelven gestorven zijnde, vervuld worden met het leven Gods.
Zoo moet dan een afgodische onderhouding der dagen verre zijn van de Christenen,
Ziedaar de conclusie van Calvijn.
Het is duidelijk, dat hij daarin protesteert tegen z.g.n. heilige dagen, waaraan de Roomsche Kerk zoo rijk is; maar wij mogen daarbij bedenken, dat men ook den Sabbath op een wijze kan onderhouden, die als afgoderij moet worden veroordeeld.
Calvijn komt daarop nader terug.
In het voorafgaande werd gewezen op drie oorzaken, waarom het Sabbathsgebod is gegeven, gelijk Calvijn heeft ontdekt. De eerste was de afschaduwing van den eeuwigen Sabbath. Daarover is zoo pas gehandeld en daaruit besloot Calvijn de even genoemde conclusie.
Maar nu de beide andere oorzaken, die niet als een schaduw voorbijgingen, maar blijven.
De Sabbath is afgeschaft, doch dit blijft, dat wij moeten saamkomen om het Woord te hooren, het Heilig Avondmaal te gebruiken en gemeenschappelijk te bidden.
Daarin ontdekte Calvijn de tweede oorzaak der instelling, en de derde was, dat de dienstknechten en werklieden rust zullen hebben.
De tweede oorzaak heeft dus een strekking voor de kerkelijke samenleving, de derde voor het sociale leven. (Deut. 5 vers 14; Ex. 23 vers 12).
Deze twee stukken zijn evenzeer van toepassing op ons als op de Joden. De samenkomst der gemeente wordt ons bevolen en de noodzakelijkheid daarvan wordt door de ervaring bevestigd.
Neem dien gezetten tijd weg en de kerk wordt aan verwoesting prijs gegeven.
Niemand kan dus zeggen, dat de Sabbath ons niet raakt; de Heere wil als een goedertieren Vader onze behoeften te hulp komen, gelijk Hij ook den Joden te hulp kwam.

Waarom komt de gemeente niet lederen dag tezamen ? zoo vraagt Calvijn. Om de waarheid te zeggen, zoo antwoordt hij: de geestelijke wijsheid is wel waard, dat wij lederen dag een deel afzonderden tot deze zaak, maar de zwakheid der menschen staat daaraan in den weg.
Maar, zoo besluit hij: welke reden kan daar zijn om zich niet gehoorzaam te onderwerpen aan Gods ordinantie ?

Tegenspraak omtrent de onderhouding van den Sabbath.
Daar zijn onrustige geesten, die beweren, dat het Christenvolk in het Jodendom wordt gehouden, zoo men een onderscheiding der dagen onderhouden wil.
Men ziet, dat de menschen niet veel veranderen, want nog heden ten dage kan men hetzelfde vernemen.
Calvijn wijkt voor dit argument echter niet. Hij wil van geen Joodschen bijsmaak weten, want wij vieren dezen dag niet gelijk de Joden als een ceremonie, alsof naar ons gevoelen daardoor een geestelijke verborgenheid werd afgebeeld.
Wij gebruiken dien dag als een noodwendig middel om de orde der gemeente te bewaren.
Maar, zegt iemand, Paulus leert, dat men de Christenen in de onderhouding van den Sabbath niet moet oordeelen, omdat zij een schaduw is van een toekomstige zaak. (Col. 2 vers 16). Hij vreest, dat hij onder de Galaten vergeefs heeft gearbeid, omdat zij de dagen nog onderhielden. (Gal. 4 vs. 10, 11). Hij beweert in Romeinen, dat het afgoderij is, als iemand den eenen dag beter acht. dan den anderen.
Calvijn noemt dit echter onzinnig. Want het gold bij de Galaten niet het staatsrechtelijk (sociaal) gebruik, noch ook het kerkelijk, maar den dienst der schaduwen, waardoor Christus' heerlijkheid en het licht des Evangelies werden verduisterd.
Zij meenden in het rusten van den arbeid den Sabbath te kunnen onderhouden, maar zij lieten het. werk niet na, omdat zij daardoor in hun heilige bekommernissen werden verhinderd. Zij maakten, om zoo te zeggen, van den Sabbath een soort godsdienst.
Paulus heeft echter het gebruik van den Sabbath tot samenkomst der gemeente niet verboden, zooals blijkt uit 1 Cor. 16 vs. 2.
Overigens, indien men vrees koestert voor afgoderij, die ware eerder te vreezen omtrent de feestdagen der Joden, dan van het houden van den Dag des Heeren onder de Christenen. Zoo is de Sabbath der Joden weggenomen en de Dag des Heeren ingesteld wegens behoefte aan een goede orde in de gemeente.

De Dag des Heeren.
De Ouden hebben niet zonder goede reden en wijsheid van oordeel den Dag des Heeren ingesteld in de plaats van den Sabbath.
De ware rust, welke door den ouden Sabbath werd afgebeeld, is in de opstanding van Christus vervuld. Deze dag, de dag der opstanding, heeft een einde gemaakt aan de schaduwachtige plechtigheden en daarom moeten wij daaraan niet blijven hangen.
Zoo vrij maakt Calvijn zich van den Joodschen Sabbath, dat hij ook aan het getal zeven niet zooveel gelegen acht. Hij wil de kerk niet aan den zevenden dag binden. Indien kerken andere gezette dagen zouden hebben voor haar samenkomsten, zou Calvijn dezulken daarom niet veroordeelen, mits zij zich onthouden van superstitie, d.i. als zij die gezette dagen gebruiken tot onderhouding van orde en tucht.
De korte inhoud van alles is: gelijk den Joden de waarheid gegeven werd onder een beeld, wordt die ons zonder schaduwen aangeprezen : t. w. dat wij ons leven lang streven naar een rusten van onze werken, opdat de Heere door Zijn Geest in ons Verke. Ten andere, dat wij persoonlijk, zooveel de tijd toelaat, bezig zijn met een godvruchtige kennis van de werken Gods, dat wij allen tezamen de wettige orde onderhouden tot het gehoor des Woords, de bediening der Sacramenten en de openbare gebeden. Ten derde : dat wij degenen, die onder ons staan, niet onbehoorlijk overladen met werk.
Aldus vervallen de „beuzelingen der valsche profeten, die in de vorige eeuwen het volk een Joodsch gevoelen hebben aangepreekt". Het ceremonieele is te niet gedaan, maar wat tot de zeden behoort blijft.
Wat willen, zoo vragen wij, Sabbathisten en Zevendedag-Adventisten tegen deze leer inbrengen ? Het behoeft naar het bovenstaande geen verder bewijs, dat Calvijn van zulk een drijven niet zou willen weten en het als Joodsch en afgedaan zou verwerpen. Hij zou zeker daarop Paulus' woord aan de Galaten van toepassing achten.
Doch niet alleen zulk een uitgesproken Joodsch standpunt viel onder Calvijn's afwijzend oordeel, ook de wijze, waarop velen onder den schijn van gereformeerdheid den Sabbath willen gehouden hebben, zou zijn afkeuring vinden. Daar is een soort van vroomheid, die van de uitwendige onderhouding van den Sabbath, haar godsdienst maakt en die het wellicht heel.niet met Calvijn eens zou zijn.
Let wel, wij willen niet beweren, dat men den Sabbath niet onderhouden moet, maar zijn overtuigd, dat Calvijn de waarheid aan zijn kant heeft. De uitwendige onderhouding van den Sabbath is nog geen waarachtige godsvrucht. Hij is niet godvruchtig, die den Sabbath onderhoudt, maar de waarachtige Christen houdt op van zijn werk, opdat hij in de waarachtige godsvrucht moge geoefend worden door Gods Geest. Daartoe grijpt hij de middelen aan, welke God geeft: het gehoor des Woords in de samenkomst der gemeente en wat daarvan verder door Calvijn werd opge­merkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's