KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (2)
Het heil is óók voor de Heidenen. Dat zat reeds in de moederbelofte, rakende „het zaad der vrouw", zijnde het gansche menschelijke geslacht. Dat zit ook in de belofte Gods aan Abraham, den vader van vele volkeren, dat in hem gezegend zouden worden alle geslachten des aardrijks. Dat verkondigen de profeten : de Heidenen zullen komen tot Sion en de Naam des Heeren zal heerlijk worden onder alle volkeren !
Deze profetie ging ten deele reeds in de dagen des Ouden Testaments in vervulling. De Naam van Israels God drong ook toen menigmaal tot de Heidenen door en werkte er erkenning en vreeze (Ex. 14 vers 25 ; 23 vers 7 ; Num. 22 vers 6 ; Joz. 2 vers 10 ; 4 vers 24 ; 5 vers 1, 2, enz.).
Een bijzonder geschrift is 't boek van Jona: hier spreekt op breedere wijze Gods barmhartigheid over de Heidenen. Want het slot en de toepassing is : „zoude Ik
die groote stad Ninevé niet sparen ? "
Dat voorbeeld van Jona stond echter vrijwel op zichzelf.
Eerst na de ballingschap kreeg het Joodsche volk de gelegenheid om als Zendingsvolk onder de Heidenen op te treden. Eerst valt Samaria (722) en wordt het volk van de 10 stammen naar Assyrië gevoerd, en gaat naar Mesopotamië en Medië. Anderhalve eeuw later (586) werd Jeruzalem ingenomen, de tempel verbrand en het voornaamste deel des volks naar Babel gevoerd.
Aan 't einde der ballingschap keerden wel velen terug — maar een veel grooter deel bleef achter. In het midden van de Heidenen blijft een groot deel van het Joodsche volk, met de Heilige Schriften. Gods volk, met Gods Woord, , leeft midden tusschen de volkeren. Vele Joden trekken naar Egypte. In Jeremia's dagen lezen we er van, dat, uit vrees voor de koning van Babel, velen uitwijken (Jer. 42 en 43). En de Arameesche papyri, die in de streken van den Nijl gevonden zijn (uit de jaren 471 —411 V. Chr.), hebben aan het licht gebracht, dat daar reeds in de 6de eeuw een militaire Joodscihe kolonie bestond, welke in den tempel van Jaho haar geestelijk middelpunt had. Later nam het getal Joden in Egypte zoozeer toe, dat zij in Alexandrië eene eigene wijk vormden en vanwege hun helleniseering — Grieksche cultiveering — behoefte kregen aan eene Grieksche vertaling van het Oude Testament, waarmede onder Ptolemaeus Philadelphus (284—247 v. Chr.) een aanvang werd gemaakt. En zoo verbreidden zich de Joden ook langs de Noordkust van Afrika en door geheel Klein-Azië (denk aan de latere Zendingsreizen van Paulus, als hij overal Joden ontmoet, met synagogen enz.) In Macedonië, Griekenland, de eilanden der Middellandsche Zee, Italië, Spanje en Gallië — overal vinden we Joden. Omstreeks 140 v. Chr. kon reeds gezegd worden „dat ieder land en iedere zee vol van Joden was". Ten tijde van keizer Augustus werd het aantal Joden op 7% van de bevolking van het Romeinsche rijk geschat. En op de groote feesten kwamen Joden en Jodengenooten uit alle landen, uit alle deelen der wereld, in Jeruzalem samen. (Hand. 2 vers 9—11).
Van deze Joden ging er een sterke invloed uit op de bevolking, in wier midden zij leefden. „Over het algemeen stonden zij niet hoog aangeschreven" — aldus nu woordelijk prof. Bavinck geciteerd. „Ze werden door de beschaafden en door het volk gelijkelijk veracht ; van dwaze bijgeloovigheden en gruwelijke practijken beschuldigd, op de ergerlijkste wijze bespot en belasterd". We lezen dan ook van anti-semitische bewegingen en van Joden-vervolgingen.
„En toch — zoo vervolgt prof. Bavinck — „was er in hun leer en leven veel, dat de ernstig gezinden aantrok en een diepen indruk op hen maakte. Want terwijl alle volken overgegeven waren aan superstitie of bijgeloof en magie of tooverij, stonden de Joden daar alleen met de belijdenis van den éénen God, die de Schepper was van hemel en aarde, die door geen beeld voorgesteld of gediend mocht worden en wiens vereering in de synagogen uitsluitend bestond in het lezen van Zijn Woord, in gebed, gezang en zegening". De God van Israël was een God, die vele en groote wonderen deed, waarvan de voorledene tijden vol waren, bekend ook onder de volkeren. En die God was niet alleen heilig in Zijn richten, maar ook zeer genadig en barmhartig, groot van goedertierenheid, Die de zonden vergaf aan een iegelijk, die zich bekeerde en in Zijne wegen ging wandelen. Die God voerde heel de geschiedenis heen naar een einddoel, dat in den triumf van Zijn rijk en de saamvergadering van alle volkeren onder den Koning uit Israël, bestond. De star uit Jacob zou schijnen over de volkeren.
„Eene ganscih andere beschouwing over natuur en geschiedenis werd hier geboden, dan die bij de polytheïstische godsdiensten en de philosophische stelsels te vinden was. 't Was een beschouwing, die éénheid aan het denken gaf en voldoening schonk aan de behoeften des gemoeds".
„Tal van geschriften kwamen uit Joodsche kringen voort, die een apologetische strekking hadden (ter verdediging van den Joodschen godsdienst) en de Heidenen op de hoogte trachtten te brengen van Israels instellingen en wetten. Zij zonden zendelingen en leeraars uit, die de eigen volksgenooten moesten aansporen tot standvastigheid in het geloof der vaderen, en die óók onder de Heidensche bevolking hadden te arbeiden en zoovele proselieten moesten maken, als maar mogelijk was. Matth. 23 vers 15 : „Wee u. Schriftgeleerden en Parizeen, gij geveinsden ! want zee en land reist gij af, om één bekeerling te maken ; en wanneer hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel, dubbel zoo erg als gij zelf".
Velen van die „Joden-genooten" gingen later tot het Christendom over. Hand. 2 vers 9 : „Parten, Meden en Elamieten, en de bewoners van Mesopotamië, Judea en Cappadocië, Pontus en Azië, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libyë, dat bij Cyréne ligt, en de hier woonachtige Romeinen, zoowel geboren Joden als proselieten, Kretensers en Arabieren — hoe hooren wij hen in onzen eigen tongval van de groote daden Gods spreken ? "
Van Cornelius lezen we, een hoofdman van de legerafdeeling, welke de Italiaansche genoemd werd, die een godvruchtig man was, vereerder van God met zijn geheele gezin, die vele aalmoezen verrichtte onder het volk en voortdurend tot God bad. Ook deze werd tot de gemeente toegevoegd. (Hand. 10).
„En sommigen uit hun midden lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan ; alsmede een groote schare van de Grieken, die God vereerden, en ook niet weinigen der vooraanstaande vrouwen". Hand. 17 vers 4), enz.
„In het algemeen" — aldus besluit prof. Bavinck het eerste deel van zijn artikel — „baande de Joodsohe diaspora (de Joden, in de verstrooiing levend) den weg voor de Christelijke Missie of Zending". (Wordt voortgezet.)
GEEN NIEUW TWISTVUUR!
In de Gereformeerde Kerken is 't niet altijd botertje tot op den bodem. Het twistvuur brandt er nog al eens. Hoewel het wel eens erger is geweest dan de laatste maanden. De voorgenomen reis van prof. dr. K. Schilder van Kampen, die nu niet bepaald een vriend is van de hoogleeraren Kuyper en Hepp te Amsterdam, is het twistvuur weer een beetje aangewaaid en opgelaaid. Prof. dr. H. H. Kuyper had in een Amerikaansch blad gelezen, dat er velen waren die de overkomst van den „vechtersbaas" Schilder niet zoo prettig vonden, waarbij het advies gegeven werd hem niet voor lezingen en spreekbeurten te vragen ! Natuurlijk hebben anderen daartegen weer hun stem doen hooren ; meer om prof. Schilder te verdedigen. En zoo ging het over en weer.
Nu lezen we, dat de bekende, bejaarde, algemeen geachte Amerikaansche dominé dr. Henry Beets ook iets geschreven heeft in verband met deze broedertwisten, waardoor het liefdevuur wordt gedoofd.
We nemen het hier over.
Er bestaat vrees, dat de „gemeene-gratiegeschillen" in Amerika zullen oplaaien. „Wij persoonlijk willen wel verklaren", aldus *dr. Henry Beets, , dat wij in Amerika er tegen zijn om Nederlandsche aanhangige verschillen hier over te planten, en dat we niet begeeren dat hier opnieuw twistvuur brandt over een onderwerp, dat al zooveel onder ons heeft veroorzaakt. En - -wat veel erger is voor het rijk Gods : onze krachten versplintert. Laat ons toch meer zien op het veel grootere en meer inspireerende, dat ons als Gereformeerde menschen samenbindt, dan altoos ie twisten over het veel kleinere, dat ons van elkander scheidt. En waarover we het toch nooit op alle punten en puntjes eens worden. We kunnen echter onze lezers geruststelllen door de mededeeling dat dr. Schilder zal behandelen : 1. Christus in de bijbelsche Geschiedenis. 2. Christus naar het vleesch en naar den Geest. 3. Geloof en mystiek. 4. Mephisto en Satan. 5. De ethiek van Emil Brunner. 6. De Twaalf Artikelen in verband met de opvattingen van Karl Barth. 7. De dialectische theologie. 8. Pluriformiteit der Kerk.
Of deze onderwerpen de eenige zijn, die hij ter sprake zal brengen, weten we niet. Maar we vertrouwen, dat onze bezoeker er niet aan denken zal om hier Nederlandsche twistpunten te behandelen en veel minder om twistvuur opnieuw op te doen Iaaien in ons land.
En daarom roepen we dr. Schilder toe : Hartelijk welkom, professor !"
KERKELIJK LEVEN NEDERLAND
Jaaroverzicht 1938. Nederlandsche Hervormde Kerk.
Voor de Nederlandsche Hervormde Kerk was het jaar 1938 belangrijk door de voorloopige beslissing over de reorganisatie-plannen. Reeds kort na nieuwjaar, n.l. den 12den Januari, kwam de ter zake samengeroepen buitengewone algemeene Synode bijeen. Na een drietal dagen beraadslagen, aanvaardde zij met 10 tegen 9 stemmen het voorstel om het reorganisatie-ontwerp onveranderd voorloopig aan te nemen en aldus aan het oordeel der Classicale Vergaderingen te onderwerpen.
Dit reorganisatie-ontwerp was door een commissie, welke op grond van het accoord ter zake tusschen Kerkherstel en Kerkopbouw door de Synode benoemd was, opgesteld en bestond uit de volgende personen : prof. mr. P. Scholten, voorzitter ; dr. R. B. Evenhuis, secretaris ; ds. B. J. Aris, ds. J. W. J Addink, prof. mr. A. S. de Blécourt, prof. dr. Th. L. Haitjema, prof. dr. G. van der Leeuw, mr. H. Mulderije, dr. O. Noordmans, ds. F. Tammens, ds. J. L. Uitman, prof. dr. C. G. Wagenaar, ds. J. G. Woelderink en ds. L. S. van Zwet. Het omvatte een nieuw algemeen reglement voor de Kerk met eenige daarbij behoorende organieke wetten en trachtte o.a. de huidige genootschapsorganisatie door een zuiverder kerkelijke organisatie te vervangen, gaf aan de Kerk een belijdend karakter, gepaard met invoering van een zekere mate van 'tucht, wilde de richtingsquaestie oplossen door aan de diverse „evangelisaties" een officieel erkende kerkelijke plaats te geven en zocht de verschillende kerkelijke lichamen in verband met het genoemde grondig te hervormen.
Dat de discussie nu alom in de Kerk sterk opleefde, is te begrijpen. Prof. dr. A. M. Brouwer publiceerde zijn reeds in de Synode ingediende bezwaren inzake de belijdenisvraag en de tuchtoefening. Begin Februari publiceerde het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond in de Nederlandsche Hervormde Kerk, dat dit Hoofdbestuur, gehoord het unaniem afwijzend rapport van zijn commissie ter zake, adviseerde om het ontwerp in zijn geheel te verwerpen. Eind Februari werd er een Reorganisatie-Comité gevormd, voorzitter prof. mr. Paul Scholte te Amsterdam, dat zich ten doel stelde de definitieve aanneming van het ont werp voor te staan en te bevorderen. Het besloot tot de tijdelijke uitgifte van een wekelijksch orgaan „Reorganisatie 1938". Kort daarna volgde de verschijning van een wekelijksch vliegend blaadje van de zijde der Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden, getiteld „Om de reorganisatie", waarin het ontwerp werd bestreden en de verwerping bepleit werd. Ook brochures, o.a. van prof. mr. Paul Scholten eenerzijds, van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden anderzijds, zagen het licht. In Juni stelde Kerkopbouw een aantal amendementen voor, welke eveneens in de Class. Vergaderingen in bespreking zouden kunnen komen en ook inderdaad kwamen. Inmiddels viel de uitslag heel anders uit dan velen verwacht hadden. Van de Classicale Vergaderingen waren er 24 (en de Walen) tegen, 20 voor.
De algemeene Synode, die in Juli en Augustus vergaderde, maakte de slotsom op. Ze constateerde, dat er 902 stemmen vóór en 1427 tegen waren uitgebracht. Haar besluit met 14 tegen 5 stemmen was : „om, gehoord de consideratiën der Kerk, die wèl — zij het op verschillende gronden — er op wijzen, dat een meerderheid een niet nader bepaalde reorganisatie wenscht, maar tevens dat de meerderheid de in het onderhavige ontwerp vervatte niet wil, het ontwerp Januari-1938 niet vast te stellen, maar te besluiten, de zaak der reorganisatie over te brengen bij de algemeene Synodale Commissie, teneinde deze in overleg met de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren beraadslagen wat te doen zij, om de in de consideratiën der Kerk over het ontwerp-1'938 tot uiting gebrachte inzichten en wenschen het beste tot haar recht te doen komen". De 5 tegenstemmers verzochten aanteekening, dat hun stem tegen alleen beoogde een amendement te steunen, doch dat ook zij in de gegeven omstandigheden niet vóór de vaststelling van het ontwerp-1938 zouden kunnen stemmen. Het ontwerp-1938 was dus met algemeene stemmen verworpen en tegelijk was met algemeene stemmen bepaald, dat de reorganisatie zelve aan de orde blijft. Het wachten is thans op het resultaat der overleggingen van de Algemeene Synodale Commissie met de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren.
Van beteekenis was voorts, dat de nieuwe psalm-en gezangbundel der Nederlandsche Hervormde Kerk bij den ingang der Adventsweken verscheen. Van de proefbundeltjes, die hem voorafgingen, waren toen reeds lOO.OOO exemplaren verkocht.
(Nederlandsch Christelijk Persbureau).
Hoe moeten we lezen: één - of 'n Christelijke Kerk?
Wij hebben onlangs daarover iets geschreven, hoe we het artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis over de Kerk moeten lezen : of we moeten lezen : „ik geloof één heilige, algemeene of Katholieke, Christelijke Kerk (één, dus als telwoord genomen) ; of dat we moeten lezen : ik geloof 'n heilige, algemeene of Katholieke, Christelijke Kerk ('n, dus als onbepaald lidwoord) ?
De pennen zijn daarover los gekomen en een drukke discussie is er gevoerd over deze kwestie.
Eerst had dr. C. Bouma, van Den Haag, er een artikel over geschreven in Calvinistisch Weekblad (8 Juli '38). Toen schreef „Het Schild", het bekende Roomsche tijdschrift er over (Sept. '38) ; intusschen heeft prof. Aalders van de Vrije Universiteit er over geschreven in het Ouderlingenblad van de Geref. Kerken. En nu weer heeft dr. Brouwer er een artikel aan gewijd, wederom in het Calvinistisch Weekblad (9 Dec. '38).
Het is wel de moeite waard, er nog iets over te zeggen.
Prof. Aalders wijst er op, dat het onbepaalde lidwoord ('n) in het Latijn en Grieksch niet voorkomt ; wèl het telwoord (één) ; doch dit laatste wordt nooit als lidwoord gebezigd. De oudste, ons bewaarde, teksten van de Apostolische Geloofsbelijdenis geven zonder uitzondering te lezen : ik geloof . 'n heilige, algemeene Christelijke Kerk ; en dus niet met het telwoord één. Het telwoord één wordt geen enkele maal gebruikt.
Ook dr. C. Bouma is van meening, dat in het Apostolicum niet één (als telwoord), maar 'n (onbepaald lidwoord) staat.
Maar „Het Schild", het bekende Roomsche tijdschrift, zegt o.a., dat inderdaad de Latijusche tekst van Rufinus leest : „Sanctam ecclesiam", dus zonder telwoord één. Maar de Grieksche tekst van St. Cyrillus van Jeruzalem (315—386) heeft wel degelijk het telwoord één (Kai eis mian Lagian ecclesiam). En het telwoord één wordt óók gevonden in de Latijnsohe en Grieksche tekst van het Symbolum Epiphanië, in het Symbolum Niceano-Constantinopolitanum.
Dus : is het nu tooh één (als telwoord) ? Uit het relaas van prof. Aalders memoreeren we nog even : „Als wij de oudste, ons bewaard gebleven teksten raadplegen (te weten de oorspronkelijke Grieksche tekst in den brief van Marcellus Ancyramus aan den bisschop van Rome Julius, uit het jaar 327, waarvan een vertaling in het Latijn geboden wordt door den Kerkvader Ambrosius in zijn verklaring van de 12 artikelen) alsmede de z.g.n. Latijnsche textus receptus, die we 't eerst vinden in de 5de eeuw onzer jaartelling, dan vinden wij daar zonder uitzondering : ik geloof 'n heilige of 'n heilige algemeene Kerk ; geen enkele maal vinden we het telwoord één gebruikt.
Hoe zit dat nu, met de redeneering van „Het Schild" ?
Dr. C. Bouma neemt dat onder handen in zijn laatste artikel van '9 Dec. '38, en schrijft : De vraag is of in de Apostolische Geloofsbelijdenis het telwoord één gelezen moet worden of niet. In het z.g.n. Niceano-Constantinopolitanum staan al de vier door ons gewoonlijk opgesomde eigenschappen van de Kerk : één — heilig — algemeen of Katholiek — en apostolisch.
Dat de Grieksche tekst van Cyrillus van Jeruzalem óók: één leest, is waar.
Maar — aldus dr. C. Bouma — voor ons is niet de vraag, wat er in sommige lezingen, onderling verschillend, gestaan heeft. Maar wat er in de Apostolische Geloofsbelijdenis zelve staat.
Nu is het een bekende zaak, dat de Apostolische belijdenis een lange geschiedenis doorloopen heeft ; een geschiedenis van eeuwen.
In Rome zelf is een tweevoudige lezing geweest ; de oorspronkelijke korte en de latere langere, die verscheidene uitbreidingen heeft ondergaan.
In de oorspronkelijke kortere uitgave lezen we : hagian ekklèsian, d.i. : 'n heilige Kerk (zonder het telwoord één dus).
Zóó is de lezing reeds omstreeks het jaar 250 in Rome geweest. En de lezing met „mian ecclesiam" (dus met het telwoord één) is van veel later datum ; zij is de oorspronkelijke niet.
Als dus „Het Schild" zegt, dat het telwoord één voorkomt in het Apostolicum bij Cyrillus, dan is dat juist. Maar — aldus dr. Bouma — weet „Het Schild" niet, dat het van het Apostolicum van Cyrillus een eigenaardigheid is, dat er vijfmaal het telwoord één is ingevoegd ? We lezen daar : ik geloof in één God, den Vader — en in één Heere Jezus Christus — en in één Heiligen Geest — en in één Doop der bekeering, tot vergeving der zonden — en in één heilige algemeene Kerk.
Dat telwoord één is daar echter niet oorspronkelijk, maar Cyrillus heeft na den strijd om de belijdenis van de éénheid - Gods met het telwoord één zóó geopereerd, dat het óók is komen staan bij de Kerk. Eén Heere Jezus, één Heilige Geest, één Doop (der bekeering, tot vergeving der zonden) en één Kerk.
Dr. Bouma merkt na dit alles (waaruit blijkt, dat de oorspronkelijke lezing van de Apostolische Geloofsbelijdenis is geweest : ik geloof 'n heilige, algemeene. Christelijke Kerk, en niet één Kerk) duidelijkheidshalve op : dat het hier natuurlijk niet de vraag is of we belijden en bedoelen, dat er één Kerk is. Want dat staat voor ons vast. De zaak liep alleen over de vraag : hoe moet des Zondags de belijdenis der twaalf artikelen worden gelezen ?
„En dan acht ik" — zegt dr. Bouma „het voor geen gerechtvaardigde bestrijding vatbaar, dat we het lidwoord hebben te lezen. naar den onder ons aanvaarden tekst en naar het getuigenis der historie ; het lidwoord en niet het telwoord ; zoodat we hebben te lezen: „ik geloof 'n heilige algemeene of Katholieke, Christelijke Kerk".
De Politiek van Koning Willem I
Ook kerkelijk hebben we kennis gemaakt, helaas ! met „de politiek van Koning Willem I", de „verlichte" vorst, die Nederland uit z'n verwarden staat wilde oprichten, door alles te wringen in het liberalistisch keurslijf, en toen ook de Nederlandsche Hervormde Kerk heeft aangepakt.
In „Menschen in de Schaduw" (D. A. Daamen's Uitg. Mij., Den Haag) schrijft dr. J. A. H. J. S. Bruins Slot een prachtig artikel over mr. L. W. C. Keuchenius, den christenstaatsman (in 1866 deed hij, uit Indië gekomen, zijn eerste intrede in de Tweede Kamer), die „de vaan des geloofs hoog heeft gehouden in een tijd van ongeloof". In dat belangrijke, waardevolle hoofdstuk, geeft dr. Bruins Slot dan ook een klein stukje, waarboven we zouden kunnen zetten : „de politiek van Koning Willem I". Het is niet groot.
We laten het hier volgen :
„Wij moeten ons de verhoudingen, maatschappelijke en staatkundige, waaronder Keuchenius opgroeide en waaronder hij zijn loopbaan tot ± 1865 volbracht, goed voor oogen stellen, willen wij de beteekenis van den Staatsman Keuchenius
verstaan"
„De staatkundige verhoudingen in Nederland droegen in de eerste helft der vorige eeuw het stempel van Koning Willem I. Deze had terecht als zijn groote taak gezien, in Nederland leiding te geven aan de nationale consolidatie, die op het nationaal réveil van 1813, noodzakelijk volgen moest. Nu had die consolidatie moeten groeien uit typisch-Nederlandsche beginselen, die ons volk innerlijk eigen zijn en die men uit de Nederlandsche historie moest opgraven.
De Koning echter had een Napoleontische leerschool doorloopen, gelijk ook vele vooraanstaande Nederlanders. Dit had tot gevolg, dat men na 1813 de klaar liggende en reeds gewende Napoleontische practijk van regeeren ging volgen, instede van een eigen regeerlngsvorm en regeeringswijze, die aan het karakter, de behoeften en de beginselen van het Nederlandsche volk tegemoet kwam, te scheppen en toe te passen. Zoowel met betrekking tot zijn eigen aanleg als ten aanzien van het vrijwel murwe volk, koos de Koning, die bij dit alles den Napoleon kon verhullen in den Oranjevorst, alzoo den weg van den minsten weerstand".
„Zoo construeerde men ter nationale consolidatie den eenheidsstaat".
„Net andersom dan het moest", zooals Groen opmerkte ; „men liet den Volksgeest op den Burgerzin berusten". „Daaruit volgde een noodlottige consequentie, die tot op heden nóg doorwerkt : Nationaal-denken is gelijkdenken".
„De Koning aanvaardde haar. Vandaar het gecentraliseerde autoritaire gezag van Willem I. Vandaar de steeds krasser doorgevoerde saecularisatie, de ontgeestelijking van Staat en politiek. Vandaar de gelijkschakelingspogingen in Kerk-en Schoolpolitiek".
„Het gemis van een nationaal-geestelijken ondergrond voor zijn politiek moest worden vergoed door het fragmatisch-rationalistisch doel : welvaart en verlichting te brengen aan de bevolking".
„In Nederland strandde deze politiek ten slotte dan ook op wat er aan essentieels nog leefde van de oude traditie. Het geloof, dat, gelijk Groen opmerkte, de levensadem der Republiek was geweest, kón de gelijkschakeling in Kerk en School niet aanvaarden. Noch de Roomsche, noch de Gereformeerde Kerk wenschte zich te schikken. De breuk met België, de Afscheiding van 1834, en de opening van den Schoolstrijd, markeeren het falen van 's Konings politiek".
„Het falen bracht geen reformatie. De mantel van Willem I viel in 1848 op de leiders van de liberale burgerklasse. Dezen verbeterden de organisatie, maar de grondslag : de geestelijke gelijkschakeling, zoowel als het doel : welvaart en rationalistische verlichting, bleven. Slechts gaf de verbeterde organisatie de mogelijkheid, om op den duur een andere politiek tot gelding te brengen".
Onder die omstandigheden hebben Christen-Staatsmannen als Groen van Prinsterer en Keuchenius, geleefd, gewerkt, getuigd : tegen de Revolutie het Evangelie !
Het Judaïsme of het Christelijk geloof met een Joodsch element
De Christenen, die in den eersten tijd van het Joodsche geloof tot het geloof in Christus waren bekeerd (de Joden-christenen geheeten) konden heel dikwijls zoo moeilijk al het Jooüsche, waaraan zij zoo gewend èn zoo gehecht waren, loslaten. En dat stond hun dan in den weg om te kómen tot de echt Nieuw-Testamentische belijdenis : Christus en Christus alléén ! Zij wilden Christus wel aannemen en erkennen als den Heiland, maar bij Christus en naast dezen Heiland wilden zij nog wat anders ook hebben, n.l. de gerechtigheid uit de Wet, welke verkregen moest worden uit de onderhouding van allerlei geboden en door 't eerbiedigen en vasthouden aan allerlei vóórvaderlijke inzettingen en gewoonten. Eigenlijk waren zij van meening, dat het zoo maar niet mogelijk was, dat men zalig werd : enkel en alleen door het geloof in Christus. Dat was te eenvoudig en toch eigenlijk niet toereikend. Want wat was nu een mensch, zonder besneden te zijn ? En hoe kon men nu aangenaam zijn bij God, zonder de onderhouding van duizend-en-één voorvaderlijke voorschriften ? Zoo'n mensch kon toch eigenlijk niet voor „vol" worden aangezien. En daarom konden zij zich er ook zoo maar niet mee vereenigen, dat een heiden — stel u voor, zoo'n onbesnedene, onreine, onheilige ! — zóó maar Christen kon worden, zonder eerst Jood te worden en zonder eerst geheiligd te Worden door besnijdenis en gehoorzaamheid aan de Joodsche wetten. Zóó mocht men toch maar niet op de zaligheid hopen ! Dacht men nu werkelijk, dat het zóó maar vrede en zaligheid kon geven aan een mensch, als hij dat alles niet onderhield en nastreefde ?
Neen, neen, men moet niet denken, dat het zóó makkelijk gaat ! Menschen, die dat meenen, moet het worden aangezegd, dat zij onbedacht en lichtvaardig op een voozen grond hun zaligheid bouwen en dat zij teleurgesteld en bedrogen zullen uitkomen voor de eeuwigheid !
Wij lazen over het Judaïsme, dat als achtergrond van den brief van Paulus aan de Romeinen gedacht moet worden, een aardig stukje in een boekje, dal dezer dagen verschenen is, n.l. Paraphrase Heilige Schrift : Romeinen, geschreven door ds. C. Vonk (uitgave : T. Wever, Franeker, 1938). Wij nemen er hier een gedeelte van over :
„Weet u wie de Judaïsten waren ? Dat zijn de ergste vijanden van den apostel Paulus geweest en dus van het Evangelie. Hun naam treft u niet in den Bijbel aan, maar de dragers er van keer op keer. Leest u vooral eens den brief van Paulus aan de gemeenten in Galatië. Geducht heeft Paulus daarin tegen die valsche, van ter zijde ingeslopen „broederen" gewaarschuwd. Trouwens, u ontmoet hen telkens. Leest u Handelingen maar. In Hand. 15 vernemen we al van de tyrannieke poging om heidenen te belasten met Joodsche wetten en regelen. Maar vooral in de latere hoofdstukken ziet u ze woelen en wroeten. Die aartsvijanden van Paulus ! Die hebben 't op hun geweten, dat deze trouwe knecht van God een paar kostelijke jaren van z'n dure leven in banden heeft gezucht ! Wat die menschen dan willen ?
In den allervroegsten tijd van de Nieuw-Testamentische gemeente hebben de meeste Christenen behoord tot het Joodsche volk. Vanzelf. Dat lag voor de hand. Dat is ook 's Heeren wil geweest. En zóó zijn de eerste Christenen voor 't overgroote deel menschen geweest, die bij stipte onderhouding van besnijdenis, naleving van spijswetten, nakoming van reinigingswetten, inachtneming van nieuwe maan en sabbathdagen enz., waren opgegroeid. Om nu maar niet op te sommen de duizend-en-één eigengemaakte bepalingen van de Wet-en Schriftgeleerden. Daar lag 't echte leer-en levenssysteem voor den vromen Jood: dit moet en dat moet ; en dat is streng verboden. Zoo'n keurslijf geeft ten slotte toch ook weer een zeker gevoel van veiligheid : blijf binnen deze perken en palen, en gij zijt een rechtvaardig mensch in Gods oogen. Doe dat en gij zult leven !"
„Maar nu was daar Jezus Christus gekomen. Die was de Messias, de vervulling van de beloften, aan de Vaderen gezworen ; de vervulling van al de voorafgaande schaduwen en ceremoniën. Hij was het Lichaam zelf van al de afbeeldingen : zoo b.v. de besnijdenis. Die was nu vervuld door den dood van Christus en vervangen door den doop. Nu zou men voortaan een trouwe, echte zoon van Abraham, den vader aller geloovigen, kunnen zijn — zónder besnijdenis. De besnijdenis der voorhuid was nu vervangen door de besnijdenis des harten. Vroeger zou zoo iemand eenvoudig zijn vervloekt in Israël en uitgeroeid uit het midden des volks. Thans bleef de besnijdenis over als een, nu ja, niet streng verboden, nationaal Joodsch gebruik, maar dat tot gerust uitsterven mocht. En dat zeker geen grein verdienste met zich bracht.
Wat een verandering ! Wat een overgang voor een Jood om Christen te worden in die dagen ! Vroeger moest alles naar stipte regels en strikte wetten. En nu zóó maar : besneden of niet, het doet er niet toe. Jood of heiden, dat maakt in Christus geen verschil. Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult behouden worden. Gelooft ! Vertrouwt u toe aan Hem ! Als zondaar, als een goddelooze, hebbende niet de minste gerechtigheid in zich zelf. Om als een goddelooze, zonder de werken der wet, enkel en alleen door het geloof in den Zaligmaker behouden te worden. Zóó maar ! Joden net zoo goed zonder gerechtigheid als heidenen. Allen, en ieder voor zich, alléén maar uit genade zalig worden. Alleen maar : dank zij de gerechtigheid van Christus ! Alles schade en schande achten bij de uitnemende gerechtigheid van Jezus Christus !"
„Maar — ging dat nu allemaal zóó maar ? En nu komen de Judaïsten.
Was dat nu alles niet schandelijk lichtvaardig ? Grenzenloos oppervlakkig ?
O zeker, de Judaïsten erkennen Jezus óók wel als Christus, als Messias. Wel zeker, zij waren „broeders". Maar zij waren „Schriftgetrouwe" broeders. Schriftgetrouw en Wetgetrouw. En aan de Schrift, aan de Wet mocht immers niemand raken. Want dat leer-en leefsysteem van hun opvatting en van hun overtuiging, dat was immers : de Schrift. En nu had iedereen maar van „die" Schrift (hun Schriftopvatting en hun Wetsbeschouwing) af te blijven. En de prediking van zulke menschen als Paulus en zijn helpers was dan ook eigenlijk vreeselijk. Ondermijning van alles, wat tot dusver voor heilig had gegolden. Verschrikkelijk lichtvaardig. En luide werd verkondigd (ze hadden het „bij geruchte" vernomen, zie Hand. 21 vers 21 enz.) dat Paulus „al de Joden, die onder de heidenen verspreid zijn, leert af te vallen van Mozes, door te zeggen, dat zij hunne kinderen niet moeten besnijden en dat zij niet naar de inzettingen moeten wandelen". Men moest niet denken, dat men op zoo'n voozen grond voor den rechtvaardigen God bestaan kon. Met alleen maar : gelooven in en vertrouwen op den genadigen God en Vader van Jezus Christus".
„Volgens Paulus was 't zóó : Christus, zonder iets meer. Maar volgens de Judaïsten was het : Christus, benevens de Wet. Want, zeiden ze : „O zeker, Christus was wel goed en best. Maar onderhouding van de Wet, van het Oude Testament, meer bepaald van al de Mozaïsche geboden en inzettingen daarin (-{-, heel den rompslomp van eigengemaakte regelen en geboden), hun „wet" ; dat bleef toch óók tot zaligheid verplicht. Tevens verplicht. Oók voor heidenen, die Christen wenschten te worden, verplicht".
„Met andere woorden : de heidenen moesten eerst Joden worden (immers zich laten besnijden en al die Joodsche godsdienstige regelen na gaan leven) en dan hadden zij wel iets aan Christus. Dan wa^ Christus hun óók wel tot iets nut".
„Dus feitelijk werd het als volgt : het was nog niet eens Christus - (-Wet, maar andersom : Wet + Christus !
Eerst de „Wet". Eerst het spoor der inzettingen en voorschriften. Eerst moest voldaan worden aan allerlei voorwaarden en dan had een arme heiden pas wat aan Christus.
Dus eerst van een heiden een Jood maken. Vandaar de naam : Judaïsme.
Nu is Paulus door God verwaardigd geworden, dat ihij als een goed dienstknecht van Jezus Christus, zelf uit het diensthuis verlost, tegen deze zwarte Judaïsten-leugen de banier der blanke waarheid óp heeft mogen heffen. Hij heeft de Christenen aller eeuwen mogen waarschuwen tegen al die godsdienstigheid, die het wel heel nauw schijnt te nemen (de Judaïsten waren oogenschijnlijk veel strenger en ernstiger dan Paulus en voelden het oogenschijnlijk veel „dieper".aan), maar die Christus en de gerechtigheid des .geloofs in Hem tot nul herleidt. Die altijd weer den Christus wèg moffelt achter hoór „Wet", hóór „Schrift".
Het was toch bij de Judaïsten: eerst de Wet, en dan Christus er bij.
En dat eerste deel, die „Wet", kreeg zooveel nadruk, dat er voor „Christus" als tweede deel niet veel overschoot. Hij werd straks een los aanhangsel, dat al meer op den achtergrond geraakte, om eindelijk geheel en al af te vallen, zoodat alleen overbleef : Wet - |-nul. De geschiedenis leert, dat het Judaïsme nog niet is uitgestorven, meer zich nog altijd naar voren dringt, zij 't onder verschillende gedaanten ; maar altijd toch weer, om iets vóór Christus te plaatsen. Van alles en nog wat, en dan óók nog Christus. Waarvan dan het einde is : van alles en nog wat — waarbij Christus verloochend wordt. Want van tweeën een : óf Christus is een volkomen Zaligmaker, waaraan niets moet worden toegevoegd, óf Hij is geen Zaligmaker.
„Het Judaïsme wil een Joodsch-Christelijk geloof. Dat is: een Christendom zonder Christus. Een Evangelie van eigen gerechtigheid, zonder Christus' gerechtigheid en zonder Gods genade.
Maar Paulus heeft gewaarschuwd : Iaat geen Jood van u maken, anders zal Christus u totaal van geen nut zijn". Hij heeft dit evangelie-naar-den-mensch vervloekt, de brengers daarvan inbegrepen. En hij heeft gepredikt, gevraagd, geëischt, genoodigd, gesmeekt, gedreigd, met mond en pen : gelooft in Christus, vertrouwt op Hem, gehoorzaamt Hem, buigt onder Christus. En dan : basta !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's