MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Opeens werden beiden opgeschrikt door het knerpen der steenen op het kiezelpad. Plotseling stond de man, over wien 't gesprek telkens ging, voor hen. „Een morgenpraatje ? " vroeg dominé Lauwers na vriendelijke groet, en nam bij hen op de bank plaats. 't Was een schoone herfstmorgen, zooals dat wezen kan wanneer het is uitgebuid en het zachte maanlicht de lucht heeft schoongeveegd. Aan de grassprietjes hingen nog de dauwdroppelen als pareltjes. De nog overgebleven bladerdos gaf in het vriendelijke zonlicht een wonderlijk kleurenspel van goudgeel en wijnrood en kastanjebruin, waarvan er bij elk windzuchtje ritselend neervielen. Overal hingen de webben tusschen de takken, om een gonzend of argeloos dansend insekt te verschalken, hetwelk dan ten buit viel aan een nijdige spin, die zich onder het bladerdek schuil hield. In de hooge kruinen zong een vogel zijn vroolijk lied, alsof er geen leed op aarde was.
„En mag ik wel weten, waar het gesprek over ging ? " vroeg ds. Lauwers. „Wij hadden het zoo juist over Murk en zijn wondere genezing naar men zegt", antwoordde Bouma eenigszins verlegen, omdat het feitelijk de halve waarheid was.
„Ja, dat is een wonder. Als ik ooit in mijn leven een voorbeeld van onmiddellijke gebedsverhooring gezien heb, dan is het bij dit ziekbed geweest", sprak de predikant. „Daar is in het geloof geworsteld om zijn behoud, bij dag en bij nacht, en God heeft verhoord en uitkomst gegeven".
Nog nimmer hadden zij den dominé op zulk een toon hooren spreken. Het ontging hem niet, dat zijn woorden verbazing wekten, doch dit verhinderde hem niet, om te vervolgen :
„Nog nooit heb ik zoo iets aanschouwd, maar ook evenmin zoo heerlijk de waarde en beteekenis van het levend geloof in God gezien. Ik benijd vrouw Kalma en Pleuntje in hun kinderlijk vertrouwen en algeheele overgave aan de leiding Gods en heb een stuk levenservaring opgedaan, dat ik niet licht vergeet".
't Was oude Keimpe alsof hij uit een droom ontwaakte. Een eigenaardige glans kwam over z'n oude, gerimpelde gelaat, waar de tijd en de levensomstandigheden diepe sporen hadden achtergelaten, en een vreemde gloed blonk in zijn anders zoo doffe oog. Langzaam nam hij de pet af en streek met de vlakke hand over zijn glimmenden schedel, vanwaar de haren reeds sinds lang verdwenen waren, alsof hij daardoor zijn gedachten zocht te regelen en zichzelven afvroeg of het verbeelding of werkelijkheid was, wat hij hoorde. Toen legde hij eerbiedig zijn hand op den arm van den nog zoo jongen prediker naast hem en zei met iets ontroerends in z'n stem :
„Daar dank ik God voor ; moge het der gemeente ten goede komen".
„Eén ding is mij nog niet recht duidelijk", hervatte ds. Lauwers. „Hoe is toch bij u en anderen die begeerte, naar wat men dan geestelijke dingen noemt, gekomen ? 't Is toch nog iets anders, als wat ik tot hiertoe der gemeente in mijn preeken gegeven heb, en, als ik mij niet vergis, óók nog iets anders dan mijn voorganger gaf".
Ja, dat was een vraag, waarover men niet zoo spoedig uitgesproken raakte. De wegen waren zoo verschillend, langs welken de Heere Zijn kinderen zocht en vond en thuis bracht.
„Wat mij betreft", sprak ouderling Bouma, „ik ben afkomstig uit een rechtzinnige gemeente en kom ook uit een rechtzinnig huisgezin. Vroeger kende men die woorden niet, maar ik weet wel, dat bij .mijn ouders thuis trouw de Bijbel gelezen en dat er gebeden werd, en dat wij des Zondags geregeld naar de kerk moesten, niet vloeken mochten, en ons diepen eerbied voor den grooten en heiligen God werd geleerd, met Wien wij het eenmaal te doen zouden krijgen en voor Wiens rechterstoel wij zouden moeten verschijnen. Daarom werd ons ook alles wat slecht was, als zonde voor God in het licht van Zijn heiligheid gesteld en werden wij gewaarschuwd voor de eeuwige straf. Later is het leven door de omstandigheden weleens in een andere richting gegaan. De wereld trok aan, en het boerenbedrijf nam. geheel in beslag, en de collega's waren zoo niet, en van de kerk werd ook geen drang uitgeoefend, doch wat ik uit het ouderlijk huis van de Waarheid had meegenomen, bleef, en scheen onuitroeibaar. Bij 't klimmen van de jaren en het naderen van de eeuwigheid voel ik, dat een groot deel van mijn leven in ijdelheid voorbij is gegaan, maar óok, dat mijn hart behoefte heeft aan wat de H. Schrift ons leert en dat het met minder niet toekan. Ik heb behoefte aan den vrede met God door Jezus Christus.
Op langzamen toon werden deze eenvoudige woorden, waarin zooveel overtuiging lag, uitgesproken, en zelfs de spotter met God en Zijn dienst zoo hiervoor eerbied hebben gehad.
Even was het stil. Toen begon Keimpe. „Wat mij betreft", zei hij, „van huisuit kom ik uit een ruwe omgeving, waar nooit de naam van God genoemd werd dan als lastering. Mijn vader werkte veel in den polder, en meer wil ik daar niet van zeggen. Toen ik soldaat moest worden, heb ik de spade weggeworpen en gezegd : „Nu kom ik nooit meer in de keet". Na mijn diensttijd ben ik bij den boer gegaan, waar mijn indrukken steeds wisselden, al naar dat de omgeving was, tot ik in den hooitijd een ongeluk opliep door 't op hol slaan van het paard voor den wagen, waarop ik zat en waarbij ik een paar ribben brak.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's