KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (3)
Wanneer we nu beginnen met het Nieuwe Testament te lezen, dan worden we aanvankelijk teleurgesteld bij de waarneming, dat onze Heere Jezus persoonlijk aan geen eigenlijke Zending gedaan heeft. Hij beperkte zeer sterk Zijn werkzaamheid binnen de grenzen van Palestina en „hield het brood voor de „kinderen" (geschiedenis van de Kananeesche vrouw, Matth. 15). Hij was gezonden voor de verlorene schapen van het huis Israels". En als onze Heiland Zijn apostelen uitzendt, en later de zeventigen liet volgen, gaf Hij hun opdracht, om niet te gaan op den weg der Heidenen, noch in te gaan in eenige stad der Samaritanen, maar veelmeer heen te gaan tot de verlorene schapen van het huis Israels (Matth. 10 vers 6 ; Lucas 10 vers 2).
Toch zou men verkeerd doen, wanneer men zei, dat de Heere Jezus en de apostelen om geen Zending zich bekommerd hebben. Want ten eerste heeft noch Johannes de Dooper, noch de Heiland, noch een van de apostelen gezegd, dat het Koninkrijk Gods en het bruiloftsmaal, dat de Vader den Zoon bereid heeft, alleen voor de Joden is en afhankelijk is van besnijdenis of afkomst uit Abraham's huis. Het is voor „het Noorden en het Zuiden, voor het Oosten en het Westen" om aan te zitten met Abraham, Izaak en Jacob, terwijl vele zich noemende „kinderen des Koninkrijks" zullen afgewezen worden. (Matth. 8 vers 11, 12). De ingang van het Koninkrijk Gods is niet „vleesch en bloed", maar geloof en bekeering. (Matth. 4 vers 17). De gerechtigheid Gods is een andere en een betere dan de gerechtigheid der Parizeen. Het gaat om de aanbidders van den éénen waren God, die Hem aanbidden zullen „in geest en waarheid" (Joh. 4 vers 21—23). Dan zegt de Heiland ook duidelijk, dat Hij nog andere schapen beeft, die van deze stal niet zijn (en dus niet-Joden zijn) en die Hij óók toebrengen moet. (Joh. 10 : 6). Daarom is de akker voor bet zaad des Koninkrijks dan ook de wereld (Matth. 13 : 38) en het zaad, klein als een mosterdzaad in den beginne, groeit uit tot een boom met vele takken, en vogelen van alle windstreken komen aanvliegen om in die takken hun nest te bouwen. (Matth. 13 vers 31, 33).
En overbekend is dan ook de klassieke tekst : Gaat heen en predikt het Evangelie aan alle menschen tot aan de uiterste einden der aarde. Het Evangelie is voor alle volkeren. En Hij zal eenmaal over alle volkeren oordeelen. (Matth. 24; 25).
Het Zendingsbevel heeft de Kerk dan ook van niemand anders dan van den Heiland Zelf. „En gij zult Mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde" (Jes. 2 vers 3 ; Lucas 24 vers 48 ; Joh. 15 vers 27 ; Hand. 2 vers 32). En Zelf heeft de verhoogde Heiland Paulus, den heidenapostel bij uitnemendheid, geroepen, afgezonderd, bekwaamd en gezegend, zijnde Hem „een uitverkoren vat" in betrekking tot het Zendingswerk.
De oorzaak, dat de Heiland Zelf niet aan „Zendingswerk" gedaan heeft, heeft Hij ons te kennen gegeven bij gelegenheid, dat er sommige Grieken waren, die begeerden Hem te zien. De Heiland verblijdt Zich daarover en ergert Zich niet (zooals de Joden zich ergerden), maar dan zegt Hij, die de ware Messias is, dat Hij de Messias niet zijn kan, tenzij eerst „het tarwegraan in de aarde valle en sterve". Maar — indien het dan gestorven is, dan brengt het veel vrucht voort ! (Joh. 12 VS. 20—24). Het Zendingswerk en het Zendingsbevel moest dus wachten, tot na het lijden, het sterven en het opstaan van den Heiland. Alleen door Zijn dood en opstanding kan Hij het licht der wereld worden en der wereld het leven geven (Joh. 8 vers 12 ; 6 VS. 51). De gestorvene en verheerlijkte Christus moet de inhoud der Zendingsprediking zijn. En daarom is het Zendingsbevel ook door den opgestanen Christus gegeven ; het behoort tot „het Evangelie der veertig dagen". Het is het bevel van Hem, die alle macht heeft ontvangen in hemel en op aarde en die met de Zijnen wezen zal tot aan de voleinding der eeuwen. (Matth. 28 vers 18—-20).
Eerst moest het volle onderwijs door den Heiland aan Zijn discipelen gegeven zijn en eerst moest Hij hun de volle kracht tot het werk schenken, dan moesten zij uitgaan, bekwaamd door Zijn onderwijs en door de bijzondere gave des Heiligen Geestes. (Joh. 20 vers 21, 22).
Ook hier kunnen we spreken van de orde, die er is in den heilsweg, want eerst moet de rechte kennis verkregen zijn aangaande het wezen van den drieëenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, en de rechte kennis aangaande het wezen van den doop — anders kan het Koninkrijk Gods niet gepredikt worden onder alle volkeren en anders kan de Kerk des Heeren niet gesticht en uitgebreid worden onder alle taal en tong. (Matth. 28 vers 18—20).
De eerste prediking van Petrus na de uitstorting van den Heiligen Geest is dan ook in zeer sterke mate een Zendings-prediking ; want zij strekte, om Joden en Jodengenooten te bewegen tot het geloof in Jezus, den Nazarener. En, zooals we weten, breidde zich de Gemeente des Heeren in de eerste tijden zéér sterk uit. (Hand. 2 vers 47 ; 5 vers 14 ; 6 vers 7, enz. enz).
En als na den dood van Stefanus de Gemeente vervolgd en verstrooid wordt, is dat het middel en de weg Gods om het Evangelie te laten verkondigen „in vele vlekken der Samaritanen" (Hand. 8 vers 25). (Wordt voortgezet.)
DE SLAGERSMETHODE
Wij zijn niet iemand „van het vak". Maar zooveel weten we toch wel, dat een goede slager, wil hij z'n klanten goed bedienen en zelf niet failliet gaan, verstand moet hebben van „uitsnijden", als er een halve koe of een heel varken uit „de wagen van het abattoir" de winkel wordt binnengedragen. Stuk voor stuk moet hij dan handig met een scherp mes, een echt slagersmes, weten uit te snijden en als hij goed „uitbotten" kan, is het in zijn voordeel. Iedere klant krijgt dan wat hij het liefste lust en het meest begeert ; alle waar naar z'n geld ; en de halve koe en het heele varken is binnen een minimum van tijd verdwenen , „elk" heeft „wat wils".
Zoo heeft men ook wel eens gestaan tegenover de Hervormde Kerk. Handig meende men die Kerk te kunnen „uitsnijden" in verschillende stukken ; men meende alles handig te kunnen „uitbotten", zoodat ook de laatste restjes nog gebruikt konden worden ; en zóó meende men „de boel te kunnen verdeelen" (sprak men niet van boedelscheiding, als in een sterfhuis ? ), waarbij de regel van „elk wat wils" werd toegepast. De Vrijzinnigen kregen een deel, de Ethischen een deel, de Confessioneelen een deel, de Gereformeerden een deel, en, na eenig wachten, ging ieder, na prompte bediening, z'n weg naar „eigen huis" en men groette elkander vriendelijk bij het uit elkander gaan, ieder dragende z'n deel, om nooit meer naar elkaar om te zien. De Hervormde Kerk voor goed verdwenen !
Die tijd van de slagersmethode is gelukkig voorbij. We zijn voor 't werk van 't slagersmes bewaard gebleven. En niemand spreekt meer over deze, eertijds met veel ophef, aangeprezen methode van probleemoplossing. We zijn nu in een andere periode gekomen. Kerk en volk ontmoeten elkaar weer. "Vooral de Hervormde Kerk ervaart dat. De Kerk bemoeit zich weer meer met het volk, en het volk vraagt weer meer naar de Kerk, wat bij alle mogelijke gelegenheden in deze veelbewogen tijden telkens verrassend openbaar wordt, ten spijt van de wonderlijkste statistieken.
En het is een zegen, dat het slagersmes z'n werking niet gedaan heeft. Een groot deel van ons volk wordt door Gods hand nog vastgehouden, of men het erkennen wil of niet. En een groot deel van ons Nederlandsche volk is nog saamgehouden in de Nederlandsche Hervormde Kerk, dragende zoo het teeken des Verbonds, of men in Verbondsgehoorzaamheid wil levern of wel in Verbondsongehoorzaamheid, maar toch dragende het teeken des Verbonds aan het voorhoofd, van geslacht tot geslacht. Waarvan men, met vallen en opstaan, met inzinkingen en oplevingen, in de geslachten nog bewustzijn meedraagt.
Werd jaren terug door velen óf heelemaal niet meer van de Kerk, en dan met name van de Hervormde Kerk, gesproken, óf, als er nog van gesproken werd, werd er dan door velen spottend en minachtend van die Kerk gerept — dat is weer anders geworden bij velen. Als jong predikant moesten we zoo dikwijls op huisbezoek hooren : „er is geen God", of „dood is dood" — terwijl datzelfde soort menschen nu beginnen met te zeggen : „U moet niet denken, dat wij niet in God gelooven" en : „We weten heel goed, dat dood niet dood is". Zelfs het Spiritisme heeft daartoe moeten medewerken !
En nu ligt het boekje van Wonnser weer voor ons, in nieuwe druk, uitgegeven door d^. „Standaard-Drukkerij" te Amsterdam : „De Kinderdoop". En we worden er weer aan herinnerd dat ons volk, ons Protestantsch Christelijk volk van Nederland z'n doop weer moet leeren verstaan, wat èn voor het huiselijk leven, èn voor de Kerk, èn voor de School, ook voor het .maatschappelijk leven, van de grootste beteekenis is.
Gelukkig, dat onze Nederlandsche Hervormde Kerk niet in stukken gesneden is. Zij staat er nog, door God wonderlijk bewaard. En nu heeft zij juist de hooge, heilige, goddelijke roeping, om in het midden des volks te staan, predikende het wondere Evangelie, waarbij de Heere juist in den Doop, in den Kinderdoop bijzonderlijk, wil doen verkondigen, dat Hij bij de wortel-ontaarding en verdorvenheid des menschen door de erfzonde, wil gewagen van de vernieuwing des levens in Christus in de geslachten, waarvan het Sacrament van den Heiligen Doop zoo heerlijk getuigenis wil geven, als een teeken en zegel van Gods genade voor ons en voor onze kinderen.
In onze Hervormde Kerk klinke dan van gemeente tot gemeente bij de prediking des Woords, de wondere boodschap Gods : „Ik wil u tot een God zijn en de God van uw zaad". Of ook : „Want u komt de belofte toe en uwe kinderen, en allen, die daar verre zijn, zoovelen als de Heere uw God, er toe roepen zal". Gods getrouwheid is nog niet té niet gedaan door onze ontrouw. Zijn handen wil Hij nog zegenend over ons uitbreiden om ons, in de geslachten, nog saam te trekken en saam te houden, rondom het Sacrament van den Heiligen Doop.
En: zoo ligt onze taak en onze roeping, als vanouds, als Gereformeerde Bond : om in en door de verbreiding en de verdediging' der Waarheid mee te helpen, dat onder den zegen des Heeren, onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk weer mag worden opgericht uit haar diepen val, om weer te mogen komen staan in het midden van ons Nederlandsche volk, als de Kerk, door den Heere hier geplant en bewaard tot op dezen oogenblik. Naast het boekje van Wormser : De Kinderdoop — liggen allerlei couranten op onze schrijftafel, meest kerkelijke bladen, ook dagbladen. En weet ge, wat ons telkens opvalt de laatste weken en maanden ! Dit : dat in allerlei soort gemeenten hulppredikers worden aangesteld, om de Hervormde predikant (predikanten) te helpen bij huisbezoek, catechiseeren, enz. enz. Let maar eens op al die berichten. En wij zien daarin een vingerwijzing. Want als het werk opgestapeld ligt en de velden wit zijn om te oogsten en de arbeiders weinigen zijn, dan gaat er weer zooveel verloren. Maar als er arbeiders mogen komen, zal de oogst niet uitblijven. Hij, die den weg der middelen Zelf ingesteld en verordineerd heeft, wil ook in den weg der middelen nog wel Zijn zegen schenken. Zou Hij, Die het beloofd heeft, niet getrouw zijn en het niet doen ? Immers neen !
En als er dan een breede schare is, die van de Wet en de Profeten vervreemd is ; als er gansche streken in ons Vaderland zijn, die aan den greep van het Evangelie zijn ontvallen, dan gevoele juist de Nederlandsche Hervormde Kerk des te meer haar schuld, maar óók haar roeping.
Dan moet er naar gestaan worden, dat van kansel tot kansel weer het Evangelie van Jezus Christus zal worden verkondigd en de weg der genade zal worden bekend gemaakt. Hoe is de nood van Friesland, Groningen, Drenthe ons niet al lang, héél lang bekend. Hoe is de nood van Noord-Holland boven het IJ door niemand minder dan door een der voormannen van de Vrijz. Hervormden, ds. Aris, van A'dam, ons geteekend in de meest schrille kleuren. Hoe meer wij ons dat tot schuld mogen rekenen, als schuld der Kerk, (en de Kerk zijn wij, onze Vaderen en wij ; wij en onze kinderen), hoe minder we zullen zeggen : „ben ik mijns broeders hoeder ? " — en hoe meer we zullen gaan gevoelen, dat hier een taak voor de Kerk, vooral voor de Her vormde Kerk ligt. Wij hebben de schuld gemaakt, wij zullen het ook weer, in den middelijken weg, moeten zoeken goed te maken.
Zoo roept Nederland — Noord en Zuid, Oost en West — om de boodschap der Kerk. Maar daarbij óók Indië, onze Overzeesche bezittingen in Oost-Indië en in West-Indië. Daar zijn tegenwoordig veel meer Nederlanders dan vroeger, en ook veel meer Nederlanders die nog behoefte toonen aan Kerk en godsdienst. En naast die Nederlanders zijn er duizenden en millioenen, die de boodschap der Kerk noodig hebben.
Ons Zendingswerk vraagt ook om theologen, die zich geheel voor dien arbeid willen geven. En zoo zijn waarlijk de velden wit om te oogsten en er is arbeid te óver, veel belovende arbeid, : met geestelijke zegeningen voor elk terrein des levens.
Hoe meer de wereld heen en weer geschud wordt en veelszins geen raad weet, hoe meer de Kerk van Christus een taak heeft en houdt om te spreken naar 's Heeren Woord en te getuigen van Hem, Die gezegd heeft en nóg zegt : Ik ben het licht der wereld ! Zoekt men genezing ?
Genezing is alléén bij Hem ! De Kerk zij een verkondigster van goede boodschap. Laat zij klimmen op een berg, op een hoogen berg en laat zij haar stem luide verheffen in 't rond !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's