De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk het origineel

De Heidelbergsche Catechismus

naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (8)

4 minuten leestijd

Het beeld Gods in den mensch. 1. Wat is het beeld Gods ; uit welke deelen bestaat het ? 2. In hoeverre is het verloren ; wat is er nog van overig ? 3. Hoe kan het hersteld worden ? 1. Het beeld Gods in den mensch, is het verstand, dat Gods wil en werken recht kent ; de wil, die vrijwillig God gehoorzaamt ; en eindelijk de geestelijke en onsterfelijke ziel, de reinheid en onbedorvenheid van den mensch ; met volmaakt geluk en rust en vreugde in God.
Het beeld Gods omvat dus : 1. Het onlichamelijke en onsterfelijke wezen van de ziel met zijn vermogens van verstand en wil; 2. alle natuurlijke kennis van God, Zijn wil en werken, dat is : volkomene wijsheid in het verstand. 3. rechte en heilige handelingen, neigingen en bewegingen van den wil ; dat is : volmaakte rechtvaardigheid en heiligheid in den wil, in het hart en in alle uiterlijke handelingen ; 4. een overvloed van alle goed zonder ellende en bederf ; 5. de heerschappij over alle schepselen, over al het levende.
Zooals een beeld het oorspronkelijke aanwijst, zóó Vertoonde de menschelijke natuur den Schepper, al is het dat ze Hem niet evenaarde. Paulus noemt als de voornaamste deelen van het beeld Gods : ware gerechtigheid en heiligheid. Efeze 4 vers 24. Waar de ware gerechtigheid en heiligheid aanwezig is, is schuld afwezig en is straf afwezig, is alle ellende afwezig en het geluk werd gekend in God.
Van de gerechtigheid zou men kunnen zeggen, dat zij wijst op de in-en uitwendige handelingen zelve, die overeenstemmen met de wet Gods. De heiligheid ziet dan op de hoedanigheden zelve ; de heiligheid drukt het stempel der gerechtigheid op 's menschen werk. Natuurlijk is dat alles in den mensch niet volmaakt, gelijk het alleen in God is. Maar zooals het is in den mensch, is het volmaakt goed. Het is ten deele, maar het ten deele is goed ! Het kan en moet vervolmaakt worden in den mensch, maar wat hij is en wat hij doet, ds goed bij zijn schepping ! Wat van God en van den mensch gezegd wordt aangaande gerechtigheid, heiligheid enz., is in de klank eenerlei, maar in beteekenis verschillend. De mensch is geen God, maar hij is wel beeld van God ; naar den beelde Gods geschapen.
Nu is er ook bij Christus sprake van „Gods beeld". Maar dan wordt er gansch iets anders mee bedoeld, dan wanneer van den mensch wordt gezegd, dat hij Gods beeld is.
Het gehéél andere komt hierin uit : 1. Christus wordt het beeld Gods genoemd tem opzichte van Zijn Goddelijke natuur, waardoor Hij het beeld is des eeuwigen Vaders, met den Vader eeuwig zijnde en één Wezen deelachtig. Hij is in alle wezenseigenschappen en in werken den Vader gelijk. Hij is de persoon, door middel van Wien de-Vader Zich onmiddellijk heeft geopenbaard door alle dingen te scheppen en te onderhouden ; maar voornamelijk van het rijk der herschepping : door de uitverkorenen zalig te maken.
Christus wordt het beeld genaamd niet van Zichzelven, of van den Heiligen Geest, maar juist van den Vader ; omdat Hij niet uit Zichzelven, noch uit den Heiligen Geest, maar uit den Vader van eeuwigheid geboren is. 2. Christus wordt het beeld Gods genoemd ten opzichte van de menschelijke natuur; waardoor Hij wel het geschapene beeld Gods is, — maar in Zijn grootheid, wijsheid, gerechtigheid, .macht en eere alle menschen en engelen onmetelijk verre overtreffende. Bijzonderlijk is Hij dan het beeld Gods, in Zijn leer, in Zijn deugden, in Zijn daden ons den Vader vertoonende, gelijk Hijzelf gezegd' heeft tot Filippus: „Die Mij gezien heeft, heeft ook den Vader gezien" Joh. 14 vers 9. Christus is dus het beeld Gods, des eeuwigen Vaders, van eeuwigheid God zijnde, éénswezens met den Vader en in Zijn aardsche verschijning den Vader vertoonend op volmaakte wijze.
Met de engelen en de menschen staat dat anders. Die worden Gods beeld genoemd, zoowel met het oog op den Vader, als ook op den Zoon en den Heiligen Geest. Gen. 1 vers 26 : „Laat Ons menschen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis".
En dit is dan niet om de gelijkheid van Wezen uit te drukken, maar om een zekere overeenstemming van hoedanigheden. Niet dus om een overeenstemming in Wezen, of zelfs in graad ; maar slechts omdat zij in soort overeenstemmen en een afdruk van de goddelijke eigenschappen vertoonen. Het is iets, dat door God in de engelen en de menschen geschapen is en dat overeenkomst heeft met het oorspronkelijke in het Goddelijke Wezen.
Antropomorphisten (die over God spreken op menschelijke wijze, b.v. sprekend van Zijn oogen, handen, voeten, hart, enz.) moeten hier geen verwarring stichten en ook geestverwanten van Osiander niet. God is God — en wij zijn menschen.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's