WAT CALVIJN ONS LEERT
Gij zult niet echtbreken.
God heeft de reinheid lief.
De inhoud van dit gebod is dan ook, dat wij ons zelf door wellustigheid niet verontreinigen.
Daaraan beantwoordt het gebod, dat wij ons lichaam in matigheid en kuischheid regeeren.
Met name wordt overspel en schandelijkheid verboden, opdat wij een afkeer van onreinheid en onkuischheid zullen hebben.
In de wet der schepping is den mensch opgelegd, dat hij niet eenzaam en zonder gezelschap zal leven, maar dat hem een hulpe zou worden toegevoegd.
Door den vloek der zonde is hij tot deze noodzakelijkheid meer verbonden.
Zoo kwam de Heere den mensch te hulp door de instelling van het huwelijk tusschen man en vrouw, hetwelk Hij ook door Zijn zegen geheiligd heeft.
Daaruit blijkt, dat de gemeenschap buiten het huwelijk vervloekt is en dat het huwelijk is een middel tegen de ongebonden wellust.
Zoo besluit Calvijn derhalve, dat er twee gronden voor het huwelijk zijn: t. w. de gestalte der natuur en de booze lust der zonde. Om deze twee redenen is het huwelijk noodig en allen geboden, tenzij iemand door een zonderlinge genade vrij is van dezen nood.
Een iegelijk heeft daarom zijn staat wel te onderzoeken. De deugd van den ongehuwden staat in alle kuischheid wil Calvijn niet verachten, doch sommigen is die niet gegeven en anderen voor een tijd. Wien deze gave niet is geschonken, zal den huwelijken staat aangrijpen, teneinde zijn roeping te vervullen en kuischheid te betrachten, dewijl hij anders tegen God opstaat.
Dit besluit van Calvijn schijnt klaar en duidelijk genoeg om alle tegenspraak af te snijden. Toch had hij in zijn dagen met tegensprekers te kampen. Zeer begrijpelijk, "want de ongehuwde staat werd door het pausdom als een onderscheidene trap van heiligheid geëerd en den priesters bevolen. Zoo was dus de singuliere gave tot regel en voorschrift gemaakt, hetwelk vanzelfsprekend in strijd moet worden geacht met de gave der genade en de heiligheid des huwelijks. Genade is genade en de deugd der onthouding draagt zulk een bijzonder karakter, dat men die niet tot regel kan stellen, omdat men haar dan ook oplegt aan degenen, die deze gave derven.
Welke is dan de tegenspraak, die door Calvijn wordt afgewezen ? Deze, dat de mensch door Gods hulp alles vermag.
Dat kan men wel zeggen; maar Gods hulp is alleen bereid, als men in Zijn wegen wandelt, d.i. als men in Zijn roeping staat.
Daarom wijken zij af, die de hulpmiddelen door God gegeven voorbij gaan en hun nooden in lichtvaardigheid willen overwinnen.
De gave der onthouding wordt niet aan een iegelijk zonder onderscheid en ook niet aan het gansche lichaam der kerk geschonken, maar slechts aan weinigen. (Matth. 19 vers 12). Zoo wijst ook Paulus er op, dat een iegelijk zijn eigen gave van God heeft. (1 Cor. 7 vers 7).
Zoo zal dus een iegelijk zijn leven schikken naar zijn vermogen. Niemand mag den huwelijken staat verachten als een zaak, welke voor hem onnoodig en onnuttig is. Niemand verkieze den ongehuwden staat dan onder conditie, dat hij dien kan missen.
Het is ook dan nog verkeerd, zoo hij uit gemakzicht, om rust voor het vleesch en een onbezorgd leven, den ongehuwden staat verkiest. Doch alleen terwille van de betrachting aller plichten der waarachtige Godsvrucht blijve men van den band des huwelijks vrij. Calvijn voegt daaraan nog een opmerking toe. Veelal heeft de gave der onthouding een tijdelijk karakter en mag iemand zich alleen 'onthouden van het huwelijk, zoolang hij bekwaam is in den ongehuwden staat wel te leven.
Want om hoererij te vermijden zal een iegelijke man zijn eigen vrouw hebben en een iegelijke vrouw haar eigen man. Zoo zegt ook de apostel, dat zij in den Heere trouwen moeten, die de gave der onthouding niet hebben. 1 Cor. 7 vers 2 en 9).
Het is derhalve duidelijk, dat zij, die deze gave niet hebben en het huwelijk verachten, zondigen tegen dit bevel.
Reinheid der ziel zal aan de reinheid des lichaams gepaard moeten gaan, weshalve de apostel zegt, dat het beter is te trouwen dan te branden. (1 Cor. 7 vers 9).
Daaruit volgt, dat ook in den gehuwden staat een rein en heilig leven past. Het huwelijk mag geen deksel der onkuischheid zijn. Het zij eerbaar. De Heere eischt gaafheid van ziel en lichaam beide.
Aan deze onderrichting verbindt Calvijn eenige opmerkingen omtrent de kleeding van man en vrouw en omtrent onvoegzame bewegingen, lichtvaardigheid en weelderigheid. Ook in deze dingen kan men onkuischheid plegen, en 't is ook deze, welke door Gods gebod wordt verboden. Hoe of op welke wijze de onreinheid zich openbaart, zij komt altoos uit de ziel op. Alle onkuischheid wordt verboden, die der oogen, van de tong, van de gedachten des harten en wat daartoe aanleiding geeft. Het zijn alle smetten, waardoor de reinheid wordt bezoedeld.
Men ziet, hoe Calvijn in zoo korte en bondige uiteenzetting de zaak in de kern vat. Niet een veelheid van bepalingen en gevallen, geen peuterige beschouwingen over wat nog wel geoorloofd of niet meer geoorloofd kan zijn. Dat alles geeft slechts aanleiding om door de mazen der wet.heen te kruipen.
Neen, hij grijpt de innerlijke bewegingen der ziel aan, waardoor alles wat onrein is, uit onreine gedachten opkomt, maar ook, wat zulke gedachten opwekt, wordt geraakt. Alles wat strijdt met een kuisch leven wordt verworpen.
Hier is een man aan het woord, die door des Heeren Woord en Geest geleerd, weet, wat in den mensch is, en wie geen vreemdeling is aan deze dingen, zijn handel en wandel toetst aan den regel des geloofs, behoeft geen lang betoog om te weten, welke lectuur hij aan zijn kinderen zal onthouden, of hij hun zal toestaan dansles te nemen, bioscopen te bezoeken, en zooveel meer, dat het leven onzer jonge menschen dreigt te verwoesten.
Hij behoeft geen langdurig onderzoek om zijn standpunt te bepalen tegenover uitingen van het moderne leven aan strand en in natuurbad en zooveel meer als hier ware te noemen. Daar is in dat alles een lichtvaardigheid en zorgeloosheid omtrent de waarachtige levensbelangen, welke slechts aan het licht kan brengen, dat de moderne mensch vervreemd is van het waarachtige leven en lijdt aan een zedelijke verdorvenheid, die in haar gevolgen noodlottig moeten zijn voor het huidig geslacht.
Niet het minst komen die tot uiting in het toenemend verschijnsel der echtscheiding. Hoevele gezinnen liggen daar gebroken, hoeveel leed wordt daar in menige ziel veroorzaakt en welk een schade aan het zedelijk bewustzijn toegebracht.
Tegenover den zegen van een gezond en eerlijk echtelijk leven, waarin niet alleen het gezin de gezegende vrucht van Gods genade ervaart, staat de heiligschennis aan het huwelijk bedreven, als een vloek, die de saamleving bedreigt, naarmate de echtscheiding minder als schandelijk wordt veroordeeld en meer als een gewone en geoorloofde zaak wordt genomen.
Het achtste gebod. Gij zult niet stelen.
Dat men een ieder geve wat hem toekomt, want de onrechtvaardigheid is een gruwel voor God.
Zoo heeft ook dit gebod een tweeledigen zin. Men zal niet naar eens anders goed staan, maar integendeel een iegelijk bijstand verleenen in het bewaren van het zijne.
De goederen, die iemand bezit, zijn hem niet door geluk of avontuur toegekomen, maar door de toedeeling des Allerhoogsten, die een Heere is van alles.
Wie door kwade middelen en vindingen een ander zijn goed afhandig maakt, bezondigt zich tegen Gods bedeeling.
Veelsoortig is de dieverij: door gewelddadigen roof, door kwaadwillig bedrog, door bedekte listigheid als onder den schijn van recht, door smeeking en vleierij, onder den dekmantel van schenking iemand afzetten, allerlei spitsvondigheden, waardoor men anderen schade doet.
Het is mogelijk, dat allerlei strikken en kunstgrepen door den wereldlijken rechter niet worden vervolgd of zelfs gerechtvaardigd. Alzoo niet voor Gods rechterstoel.
De Heere ziet de lagen, waardoor de booze ons de harten verstrikt. Hij ziet de onredelijke wetten, waardoor de armen worden gedrukt. Hij ziet de lage practijken, die voor de menschen verborgen zijn.
Zulk onrecht bestaat niet alleen in den handel van roerend en onroerend goed, maar in alle dingen, waarop iemand recht die wij schuldig zijn. De rentmeester, die zijns heeren goederen verkwist en door wanbeheer verderft. De dienstknecht, die zijn meester bespot, zijn geheimen openbaart, zijn leven of goed verraadt. De man, die zijn huisgezin kwelt.
Zoo zal men getrouw zijn in de roeping, waarin men is gezet.
De gehoorzaamheid aan het achtste gebod eischt, dat wij tevreden zijn. geen winst maken dan welke behoorlijk en betamelijk is, geen onrecht doen om rijk te worden, onze naasten niet afzetten, niet van alle kanten schrapen om rijk te woiden en onze begeerten te streden, niet overdadig en weelderig zijn.
Vervolgens : alle menschen met raad en daad bijstaan om het hunne te bewaren. Indien wij met ontrouwe en oneerlijke menschen van doen hebben, liever wat verliezen dan twisten.
Verder : indien wij nood en gebrek zien, de helpende hand bieden, de armoede verlichten.
Zoo heeft een iegelijk te beproeven, wat hij vanwege zijn roeping aan anderen verplicht en schuldig is te doen, terwijl een iegelijk te goeder trouw betale, wat hij schuldig is.
Aangaande de toepassing dezer dingen wijst Calvijn op het volgende :
1. Men geve den Overheden eer en hoogachting, en drage hun heerschappij gewillig, gehoorzame hun wetten en bevelen en weigere niets, dat men met Gods hulp kan doen.
Zoo hebben de Overheden zorg te dragen voor de onderdanen, den vrede te onderhouden, de goeden te beschermen, de kwaden te bedwingen en alle dingen zoo te behartigen als die rekenschap zullen geven aan den oppersten Rechter van hemel en aarde.
2°. De Dienaars der kerk zullen getrouwelijk arbeiden in den Dienst des Woords. Zij zullen de leer der zaligheid niet vervalschen, maar zuiver en oprecht bedienen.
Zij zullen niet alleen vermanen, maar ook een voorbeeld geven door hun leven, zooals goede Herders betaamt.
Omgekeerd zal de gemeente de dienaren ontvangen en aannemen als gezanten Gods en hun de eer en de achting bewijzen, welke de Koning der Kerk hun heeft toegewezen. Zij zal de dienaren van alle nooddruft voorzien.
3°.De ouders zullen hun kinderen, die God hun heeft toevertrouwd, voeden, regeeren en onderwijzen, hun hart niet verbitteren of afkeerig maken, maar hen met zachmoedigheid en verdraagzaamheid koesteren.
De kinderen zullen hun ouders eerbied bewijzen.
4°. De jongeren zullen de ouden en bedaagden in eere houden, gelijk de Heere den ouderdom wil geëerd hebben.
De ouderen zullen met wijsheid en ervaring de zwakheid der jeugd leiden, niet stuursch en ruw, maar vriendelijk en goedertieren.
5°. De dienstknechten zullen gedienstig en gehoorzaam zijn, geen oogendienaars, maar van harte als jegens den Heere zelf.
De meesters zullen niet gemelijk en onredelijk zijn, niet hardvochtig plagen, ook niet met schamperheid van woorden, maar hen als broeders en mededienstknechten des Heeren vriendelijk en beleefd bejegenen.
Zoo trekt Calvijn uit het achtste gebod een veelomvattende les, die een iegelijk, van wat staat of rang hij zij, heeft ter harte te nemen als in het aangezicht van den hoogsten Wetgever, opdat hij eens anders voordeel zoeke te bevorderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's