MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Toen heeft mijn leven werkelijk aan een zijden draad gehangen. Niemand had gedacht, dat ik daar weer van zou opkomen en ik zelf het allerminst. De gedachte aan den dood beangstigde mij, omdat ik wel wist, dat het verkeerd met mij zou uitkomen, als ik zóó van deze wereld heenging. Maar 't was mijn tijd nog niet. God heeft mij weer opgericht ; en van toen aan besloot ik een ander leven te leiden. Het zware boerenwerk kon ik nu niet meer doen, maar toen spoedig daarop de betrekking van doodgraver vacant werd, kreeg ik, met voorspraak van mijn boer, die kerkvoogd was, dit baantje. Sindsdien woon ik hier en verkeer nu al jaren in het gezicht van den dood. 'k Heb er hier al heel wat begraven. Bijna twee geslachten zag ik komen en gaan, en nooit zegt het graf : „Het is genoeg". Daar liggen ze, de rijken en de armen, de geleerden en de eenvoudigen, de ouden en de jongen, de wijzen en de dwazen. Zij, die hier op aarde gelukkig waren, en zij, voor wie dit leven om allerlei oorzaak een lift! was. Hier heb ik de nietigheid van al het aardsche leeren kennen. Hier heb ik ook den ernst van het leven onder de oogen gezien en ben óók tot de ontdekking gekomen, dat de dood alleen tot overwinning kan zijn door Christus, Die hem overwonnen heeft. Ik heb nog veel van den ouden Adam in mij, wat me zeer hinderlijk is. Het ruwe jeugdleven heeft niet nagelaten ook op mijn karakter een stempel te drukken, waardoor men mij weleens verkeerd beoordeelt. Maar als oude Keimpe straks den laatsten kuil voor een ander gegraven heeft, om dan zélf tot het stof terug te keeren, dan moge God mij in Christus genadig zijn, en alleen op die genade durf ik het aan voor de eeuwigheid".
Met groote belangstelling had ds. Lauwers geluisterd naar de ernstige woorden dezer beide oudjes, die zoo langs verschillende wegen waren geleid, om toch beiden hun heil te vinden op één plaats, namelijk bij God, en in het kinderlijk geloof naar den eisch der Schrift.
„En wat verder Murk en vrouw Kalma en Pleun betreft", aldus vervolgde de doodgraver, „'t is moeilijk, over eens anders leven te oordeelen. Als ik mij niet vergis, is Murk tot inkeer gekomen door een prediking van het heilsleger tijdens een kermis, terwijl hij in Gods hand weer het middel tot bekeering werd voor vrouw Kalma en voor Pleun. De omgang en 't voorbeeld en de prediking doen veel, dominé". Bij dat laatste woord vestigde de oude man zijn blik op den prediker, alsof hij zeggen wilde : Bent u daar wel van doordrongen ?
„En hebben jullie dan nooit eens twijfel in je hart aangaande de waarheid van hetgeen jullie gelooft en de Bijbel leert ? "
Bij dit woord kwam iets van een medelijdend lachje op het gelaat van Keimpe.
„Wat mij betreft", zei hij, „geleerd ben ik niet, maar dit weet ik wel, dat veel van hetgeen de menschen verkondigen onbetrouwbaar is en vaak verkeerd uitkomt. Dat heb ik al zoo dikwijls opgemerkt. Wat de een voor waarheid prijst, wordt door den ander leugen genoemd, en daar zijn al heel wat stelsels omver geworpen. De geleerden zijn het allen lang niet met elkander eens. Maar wat eeuwig blijft en nog nooit een mensch in den steek liet en voor alle geslachten en tijden en personen dezelfde troost in leven en sterven bleek te bevatten, dat is het Woord des Heeren, hetwelk blijft tot in eeuwigheid, en de prediking van het Kruis".
Bij dat laatste woord schrok ds. Lauwers op. „Het Kruis !" fluisterde hij. Want daarin vooral lag voor hem de moeilijkheid. Het Godsgeloof vond hij een ingeschapen iets. De God des Bijbels kwam hem aannemelijker voor dan de goden der heidenen. hoé verheven zij dan ook mochten zijn ; en de taal der Schrift was hem aannemelijker dan de stelsels der wijsgeeren, altijd met inachtneming van de bezwaren, welke hij tegen de echtheid van sommige Schriftgedeelten en de bijzondere inspiratie door den Geest van God in het algemeen had ; doch het Kruis, mèt de prediking, welke de Apostelen daarop grondden, was ook hem een ergernis. En toch kon hij niet ontkennen, dat het niet slechts diende als symbool van alles, wat als liefdewerk uit de Evangelieprediking opkwam, zoodat overal en altijd weer gestuit werd op het Kruis in allerlei vorm en kleur en van allerlei materiaal en afmeting, maar ook als voorwerp des geloofs en het plechtanker der ziel. Zoodat in het Kruis geroemd werd, en vóór het Kruis gestreden werd, en ter wille van het Kruis geleden werd, en met het oog op het Kruis de eeuwigheid werd ingegaan. Zou dan het geloof aan God onafscheidelijk verbonden zijn aan de prediking van het Kruis ?
Onwillekeurig gleed zijn blik in 't rond en overal ontmoette zijn oog het kruis. Op den kerktoren, in den kerkvorm, boven den ingang van het kerkhof, op de graven van de afgestorvenen.
„Christus en Zijn Kruis hooren bij elkaar", dominé ; zij zijn onafscheidelijk verbonden, dominè", waagde de ouderling te zeggen. „Paulus spreekt daarom ook van Jezus Christus en Dien gekruisigd".
„Ja, als openbaring der hoogste liefde en volkomen opoffering voor Zijn beginsel".
„Als verzoening voor onze zonde en betaling van het schuldrantsoen", vulde Bouma aan.
„'t Is mijn grootste bezwaar tegen den Bijbel, en toch kan ik niet ontkennen, dat hij dit leert", sprak ds. Lauwers. „Maar daar behoort wat toe, om het te aanvaarden".
„Daar behoort toe, dat wij ons zélf als doodschuldig hebben leeren kennen, om alleen van genade te leven. Dan komt het voor ons in een heel ander licht te staan en wij leeren roemen : „Gezegend Kruis"." (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's